id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.14 Rolnummer: P.08.1163.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-03 Raadplegingen: 595 - laatst gezien 2026-07-03 00:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Fiche 2 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Fiche 3 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.08.1163.N STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, bevoegd voor het grondgebied van de Provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1, eiser tot herstel, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, eiser, tegen
- C R nv, beklaagde,
- L J A C, beklaagde, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, één middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 159 Grondwet, de artikelen 149, § 1, en 198bis Stedenbouwdecreet 1999, en het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Hoge raad voor het herstelbeleid: het bestreden arrest beschouwt ten onrechte het op grond van artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999 door de rechter ingewonnen advies van de Hoge raad voor het herstelbeleid als een voor de herstelvorderende overheid bindend advies, op grond waarvan zij de herstelvordering als kennelijk onredelijk afwijzen; minstens is de motivering dienaangaande dubbelzinnig.
- De appelrechters steunen hun oordeel dat eiseres herstelvordering kennelijk onredelijk is op de redenen vermeld bij randnummer 4 van het arrest. De omstandigheid dat die redenen eveneens voorkomen in het andersluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maakt ze daarom niet dubbelzinnig. Die redenen volstaan voor de beslissing van de appelrechters, zodat het onderdeel, in zoverre het gericht is tegen hun oordeel met betrekking tot het bindend karakter van dit advies voor de eiser, niet tot cassatie kan leiden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 159 Grondwet, en, voor zoveel als nodig, artikel 2 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 22 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en het koninklijk besluit van 22 maart 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Neerpelt-Bree: de appelrechters vermochten niet te oordelen dat de vordering van de eiser tot het herstel in de oorspronkelijke staat steunde op een opvatting van de ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk was, zonder daarbij rekening te houden met de gewestplanbestemming, meer bepaald zonder vast te stellen dat de wederrechtelijke constructies niet van aard waren de bestemming van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied te beletten.
- Het bestreden arrest beoordeelt de kennelijke onredelijkheid van het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand op grond van het onvoldoende gemotiveerd zijn van de vordering "vanuit stedenbouwkundig oogpunt nu vanuit ruimtelijk impact deze herstelmaatregel onvoldoende is aangetoond, gezien er nog verschillende andere constructies, zoals woningen, zich zowel in agrarisch als in landschappelijk waardevol agrarisch gebied bevinden, welke door geen enkele fysisch ingegeven grenslijn worden gescheiden". Hieruit leiden de appelrechters af "(dat) deze constructies niet storend zijn voor het landschap, dat er slechts (een) beperkte omvang en aantasting van de goede ruimtelijke ordening [is]", en dat "het voordeel van de ruimtelijke ordening" aldus niet opweegt tegen de last van het herstel voor de verweerders.
- Het feitelijke oordeel van de appelrechters dat de wederrechtelijke constructies niet storend zijn in het landschap omdat er zich ook andere constructies in het gebied bevinden, houdt in dat de appelrechters wel degelijk hebben nagegaan in welke mate de kwestieuze loodsen daadwerkelijk het door het gewestplan nagestreefde doel, en meer bepaald de schoonheidswaarde van het landschap, beletten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 14/2005 van 19 januari 2005 bepaalt artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999: "Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van [...] is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist."
- De rechter gaat na of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Hij moet de vordering die steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten. Wanneer de wettigheid van de vordering tot herstel van de plaats in de vorige staat wordt aangevochten, gaat de rechter bovendien in het bijzonder na of deze vordering niet kennelijk onredelijk is. Hij moet afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is, dit onder meer op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.
- Hieruit volgt dat ook wanneer de wederrechtelijke constructies in strijd zijn met de planologische bestemming van het gebied, afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak, de rechter kan oordelen dat een herstelvordering die op grond van de planologische bestemming alleen is gesteund, kennelijk onredelijk is en niet noodzakelijk om de ruimtelijke ordening te vrijwaren.
- Na afweging van de belangen oordelen de appelrechters met de redenen die zij vermelden in feite, dat dit te dezen het geval is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 526,67 euro waarvan 46,07 euro verschuldigd is en 480,60 euro is betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 10 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.14 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090210.20 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041012.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041103.14 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.30 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080318.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div