id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 Rolnummer: F.06.0107.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-03-02 Raadplegingen: 815 - laatst gezien 2026-07-03 00:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie inzake een provinciebelasting te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen; de toetsing moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de sanctie niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie van zodanige omvang, ook in gevallen waarin het bestuur terzake over geen enkele matigingsbevoegdheid beschikt
(1)Zie Cass., 12 dec. 2008, AR nr. F.06.0111.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, www.cass.be; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. C.07.0507.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.1, met conclusie van het O.M.; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0106.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2, www.cass.be; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0108.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4, www.cass.be. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - PROVINCIEBELASTINGEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Administratieve sancties FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Provinciebelastingen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Toepassing beginselen in fiscaal recht Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 24-12-1996 - Art. 6, eerste en vijfde lid Annotaties Publicaties: A.F.T. - ENGELEN Bart - 2009/1 - p.27-38 T.F.R. - SMET Filip - 2009/370 - p. 901-909 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0107.N PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de Bestendige Deputatie, met kantoor te 9000 Gent, Gouvernementstraat 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLASAARD CAMPING, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9190 Stekene, Heirweg 143, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 december 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 33 en 170 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 66 en 85 van de Provinciewet van 30 april 1836; - de artikelen 13 en 18 van het Provincieraadsbesluit van de Provincie Oost Vlaanderen van 23 oktober 1996 tot vaststelling van de Algemene Provinciebelasting voor 1997, zoals gewijzigd bij Provincieraadsbesluit van 12 maart 1997; - het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 20 december 2005 verklaarde het Hof van Beroep te Gent eiseres' hoger beroep slechts ten dele gegrond, deed het bestreden vonnis teniet voorzover het de opgelegde belastingverhoging van 100 pct. geheel had kwijtgescholden en wat betreft de gerechtskosten en bepaalde, opnieuw wijzende, de belastingverhoging op 20 pct. van de nog verschuldigde belasting en verwees ieder van de beide partijen in de helft van de kosten. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "Een opgelegde belastingverhoging van 100 pct. hetzij te dezen 7.392,06 euro moet als zwaar worden beschouwd en beoogt niet enkel de meerkost bij de belastingplichtigen die de kosten hebben veroorzaakt in rekening te brengen. De omstandigheid dat geen bedrieglijk opzet vereist is en dat de Provincie slechts over een gebonden bevoegdheid zou beschikken, doet aan voormelde vaststellingen geen afbreuk, evenmin als het feit dat het belastingreglement in overeenstemming is met de wet van 24 december
- Op grond van de aanvaarde rechtsprincipes van artikel 6 van het EVRM naar luid waarvan eenieder recht heeft op een eerlijk proces, moet niet alleen de wettelijkheid maar ook de evenredigheid van de opgelegde sanctie door een onafhankelijke rechter kunnen worden beoordeeld. Naast het strikte wettigheidstoezicht met inbegrip van de kwalificatie van de begane overtreding moeten de rechterlijke instanties kunnen nagaan of de bestuurlijke sanctie evenredig is aan de ernst van de vastgestelde feiten. Nu "niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen" (arrest Grondwettelijk Hof 22/99 van 24 februari 1999), moet de rechter de mogelijkheid hebben niet alleen de opgelegde sanctie te matigen maar ook deze ongedaan te maken. Het Hof als onafhankelijke rechterlijke instantie moet kunnen nagaan of de opgelegde sanctie niet indruist tegen de algemene rechtsbeginselen, en namelijk of deze sanctie niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dus of de toegepaste belastingverhoging in verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst ervan. De zienswijze van (de eiseres) dat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter even ver reikt als deze van de administratie is in het licht van deze principes te eng. De rechter mag nagaan of de sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit laatste betekent niet dat een belastingverhoging kan worden kwijtgescholden om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit en houdt dus evenmin in dat louter verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige tot kwijtschelding van de belastingverhoging kunnen nopen. Met (de eiseres) moet worden aangenomen dat de volledige kwijtschelding van de belastingverhoging onevenredig is gelet op de gepleegde inbreuk op het belastingreglement en gelet op de in het verleden gepleegde inbreuken. Sinds het in voege treden van het Provinciaal Belastingreglement Bedrijven in 1991 is er een blijvende betwisting ontstaan over de oppervlakte hetwelk ten laatste op 19 oktober 1995 werd beslecht. Alsdan werd de onbebouwde oppervlakte op 100.460 m² bepaald in plaats van 171.035 m². Zonder enige rechtvaardiging heeft (de verweerster) het aantal onbebouwde vierkante meters verminderd tot 68.535 m² in haar aangifte op 20 februari 1997 (ook voor 1996 gaf zij een gelijkaardig aantal m² aan). In de vorige jaren gaf zij zelfs een lager aantal m² op. Gelet op deze houding en in achtgenomen de gepleegde inbreuken is de opgelegde belastingverhoging van 100 pct. onevenredig met de gepleegde inbreuk. Een belastingverhoging van 20 pct. beantwoordt aan het evenredigscriterium. Het hoofdberoep is derhalve deels gegrond. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk dienen de gerechtskosten verdeeld te worden bij helften". Grieven Luidens artikel 170, §3, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, kan geen last of belasting door de provincie worden ingevoerd dan door een beslissing van haar raad. Het is zodoende de provincie die overeenkomstig de artikelen 66 en 85 van de Provinciewet van 30 april 1836 de voorwaarden bepaalt waarin een belasting zal verschuldigd zijn evenals de gevallen die aanleiding geven tot een belastingverhoging. Het is ook de provincieraad die bepaalt of de sanctie vatbaar is voor modulering. Het staat aldus aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de administratie en de rechter tot gestrengheid te dwingen, zonder dat de rechter vermag zich ter zake in de plaats van de wetgever te stellen en de opportuniteit van de bedoelde maatregel vermag te beoordelen. Luidens artikel 13 van het Provincieraadsbesluit van de Provincie Oost-Vlaanderen van 23 oktober 1996 tot vaststelling van de Algemene Provinciebelasting voor 1997, is elke belastingplichtige ertoe gehouden uiterlijk op 1 maart van het aanslagjaar per vestiging en eventueel per gedeelte van vestiging in het geval voorzien in artikel 11, §5, aangifte te doen door middel van het formulier dat hem toegezonden werd door het provinciebestuur. De correct ingevulde, gedag- en genaamtekende aangifte is binnen de hiervoor gestelde termijn in te dienen bij het provinciebestuur. Artikel 18 van datzelfde Provincieraadsbesluit, zoals gewijzigd bij Provincieraadsbesluit van 12 maart 1997, luidt meer bepaald als volgt: "§
- Bij gebrek aan aangifte van binnen de in artikel 13 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte wordt de belasting ambtshalve ingekohierd en vermeerderd met de volgende belastingverhogingen. eerste overtreding: 20 pct. verhoging van de verschuldigde belasting, met een minimum van 500 frank; vanaf de tweede overtreding: 100 pct. verhoging van de verschuldigde belasting, met een minimum van 1.000 frank. §2 Bij de bepaling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen worden de vorige overtredingen inzake aangifte in de Algemene Provinciebelasting in aanmerking genomen die werden vastgesteld voor de laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding werd vastgesteld. §
- De toegepaste belastingverhogingen bedragen maximaal het dubbel van de verschuldigde belasting". Uit deze bepaling volgt dat de bevoegdheid van de administratie met betrekking tot de vestiging van de belastingverhoging in geval van onjuiste of niet-aangifte gebonden is. Vanaf de tweede overtreding wordt de verschuldigde belasting 100 pct. verhoogd. De administratie heeft tot opdracht deze voorschriften toe passen, zij het onder toezicht van de rechterlijke macht. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen mag wellicht de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, zonder dat hij weliswaar op grond van een subjectieve beoordeling van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in de sanctie kan kwijtschelden of verminderen. Bij dat onderzoek moet hij evenwel in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Een en ander impliceert dat de feitenrechter de administratieve sanctie slechts dan zal kunnen moduleren wanneer hij vaststelt dat de administratie over een dergelijke moduleringsbevoegdheid beschikt, zulks op straffe van miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten. Uit artikel 18 van het hierboven aangehaalde provinciereglement volgt dat aan de administratie in geval van herhaalde onjuiste aangifte geen enkele keuze wordt gelaten dan het opleggen van een belastingverhoging van 100 pct.; het reglement sluit ter zake in hoofde van de administratie en derhalve ook in hoofde van de rechter iedere moduleringsbevoegdheid uit. Besluit Hieruit volgt dat het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht verantwoordt waar het in het bestreden arrest oordeelt dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om na te gaan of de toegepaste belastingverhoging in verhouding staat tot de gepleegde inbreuk en de ernst ervan en desgevallend de opgelegde sanctie te matigen en ongedaan te maken en derhalve kan beslissen de wettelijk opgelegde belastingverhoging ten bedrage van 100 pct. tot 20 pct. te herleiden, en dit niettegenstaande de bevoegdheid van is in de administratie geen enkele ruimte voor appreciatie laat. (Schending van de artikelen 33, 170, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 66, 85 van de Provinciewet van 30 april 1836, 13 en 18 van het Provincieraadsbesluit van de Provincie Oost-Vlaanderen van 23 oktober 1996 tot vaststelling van de Algemene Provinciebelasting voor 1997, zoals gewijzigd bij Provincieraadsbesluit van 12 maart 1997, evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake de scheiding der machten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 6, eerste lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen wordt de belasting, indien de belastingverordening voorziet in de verplichting van aangifte, bij gebrek aan aangifte binnen de in de verordening gestelde termijn, ambtshalve ingekohierd. Krachtens het vijfde lid van die wetsbepaling kan de belastingverordening bepalen dat de ambtshalve ingekohierde belastingen worden verhoogd met het bedrag dat zij vastlegt en dat het dubbel van de verschuldigde belasting niet mag overschrijden. Het bedrag van deze verhoging wordt ook ingekohierd.
- Krachtens artikel 18, §1, van het besluit van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen tot heffing van de Algemene Provinciebelasting voor het dienstjaar 1997, zoals gewijzigd bij besluit van 12 maart 1997, wordt de belasting ambtshalve ingekohierd en vermeerderd met de volgende belastingverhogingen: - eerste overtreding: 20 pct. verhoging van de verschuldigde belasting, met een minimum van 500 frank; - vanaf de tweede overtreding: 100 pct. verhoging van de verschuldigde belasting, met een minimum van 1000 frank. Krachtens artikel 18, §2, van hetzelfde besluit, worden bij de bepaling van het toe te passen percent van de belastingverhogingen de vorige overtredingen inzake aangifte in de Algemene Provinciebelasting in aanmerking genomen die werden vastgesteld voor de laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding werd vastgesteld.
- De appelrechters oordelen, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat de wegens een tweede overtreding opgelegde belastingverhoging van 100 pct. te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
- De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van algemene rechtsbeginselen. De toetsing moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de sanctie niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een belastingverhoging van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, sancties kan kwijtschelden of verminderen.
- Het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve sanctie slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, steunt op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 247,88 euro jegens de eisende partij en op de som van 111,49 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 13 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols E. Stassijns P. Maffei L. Huybrechts E. Forrier I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2011:ARR.20110207.9 ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20140611.6 ECLI:BE:CALIE:2017:ARR.20170519.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150626.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180511.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090213.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div