← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4 Rolnummer: F.06.0108.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-03-02 Raadplegingen: 679 - laatst gezien 2026-07-03 00:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het toetsingsrecht van de rechter aan wie gevraagd wordt een B.T.W.-boete te toetsen die een repressief karakter heeft, houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen; de rechter die aanneemt dat de belastingplichtige opzettelijk heeft gehandeld bij het plegen van de vastgestelde inbreuken op de B.T.W.-wetgeving, bestaande in het uitreiken van facturen op naam van niet-bestaande klanten en op niet bestaande adressen, en vervolgens oordeelt dat de sanctie onevenredig is omdat de overtreding begaan werd onder druk van zijn concurrenten die op een vergelijkbare manier te werk gingen, omdat hij geen fiscaal voordeel genoot en omdat hij en zijn bestuurders strafrechtelijk veroordeeld waren zodat herhaling in de toekomst moeilijk lijkt, verantwoordt zijn beslissing naar recht

(1).
(1)Zie Cass., 12 dec. 2008, AR nr. F.06.0111.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8, www.cass.be; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. C.07.0507.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.1, www.cass.be, met conclusie van het O.M.; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0106.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2, www.cass.be; Cass., 13 feb. 2009, AR nr. F.06.0107.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3, www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Administratieve sancties GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Toepassing beginselen in fiscaal recht Vrije woorden: Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Evenredigheid met de inbreuk - Toetsingsrecht van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Artt. 70, § 1 en 2, eerste lid, en 84 Annotaties Publicaties: TFR - SMET Filip - 2009/370 - p. 901-909 Tekst van de beslissing Nr. F.06.0108.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerst-aanwezend inspecteur-diensthoofd ad interim van het eerste BTW-ontvangkantoor te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 17, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen I.S.P.C. GENT, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Ottergemsesteenweg-Zuid 720, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 53, 2° (in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 28 december 1992), 70, §2 (in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 23 juli 1993) en 84 (in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986) van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: BTW-wetboek); - artikel 1, inzonderheid het laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, in de versie zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993; - artikel 149 van de gecoördineerde grondwet. Aangevochten beslissingen Na eerst de stelling van de verweerster, met betrekking tot een beweerde schending van de rechten van verdediging en beweerde miskenningen van de toepassingsvoorwaarden van artikel 70, §2, BTW-wetboek, te hebben afgewezen, bevat het arrest een uitgebreide motivering met betrekking tot de opgelegde en door de verweerster bestreden administratieve boete. De beslissing van het hof van beroep luidt als volgt: het hof (van beroep) "verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart, en opnieuw recht doend, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de (verweerster) gedeeltelijk gegrond en vernietigt het dwangbevel dat op 22 december 1998 tegen de (verweerster) werd uitgevaardigd en diezelfde dag nog geviseerd werd en uitvoerbaar verklaard en op 30 december 1998 aan de (verweerster) betekend werd, nietig in zover het een administratieve geldboete verschuldigd verklaart voor een bedrag in hoofdsom en interesten dat hoger is dan de hoofdsom van zeshonderdduizend euro (600.000,00 euro); Compenseert de rechtsplegingsvergoedingen en veroordeelt elk van de partijen tot hun eigen overige gerechtskosten voor de beide instanties, in welk geval het overbodig is om die kosten vast te stellen". In de motivering die tot deze beslissing leidt verwijzen de appelrechters eerst (punt 4.3) naar de terzake toepasselijke wetteksten, met name de artikelen 70, §2, eerste lid en 84, BTW-wetboek, en 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, waarbij gesteld wordt dat de administratie "het wettelijke voorziene maximum" heeft toegepast. Deze bemerking is onjuist. De boete wordt (in het onderhavig geval) op een vast bedrag gesteld, met name het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, met een absoluut minimum van 2.000 frank. Er is in de wet geen sprake van een schaal, met een maximum en een minimum, binnen welke perken de rechter de opgelegde boete vrij zou mogen vaststellen. Daarop wordt in het arrest (punt 4.3.1) de nadruk gelegd op het frauduleus systeem dat door de verweerster werd toegepast. Dit leidt tot de vaststelling: "Bijgevolg heeft (de eiser) met reden geoordeeld dat het haar toegelaten was de maximale wettelijke boete toe te passen". Na deze vaststelling werden in het arrest twee overwegingen opgenomen (punt 4.3.2, eerste en tweede alinea), bestemd om de "volle rechtsmacht" van het hof van beroep te bevestigen. Er wordt gesteld: - dat de besproken boete een strafrechtelijk karakter heeft, - dat, "hoewel de boete overeenkomstig de wettelijke bepalingen gelijk moet zijn aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, kan het hof (van beroep) beoordelen of de omvang van de boete wel in verhouding is tot de ernst van de feiten, de moedwilligheid waarmee de belastingplichtige de overtredingen beging - waaronder de bedoeling om de belasting te ontduiken en/of laten ontduiken en het voordeel dat daarmee voor de belastingplichtige beoogd werd - eventuele verzachtende omstandigheden, de gevolgen van de overtredingen - in het bijzonder voor de schatkist - en de mate waarin herhaling van vergelijkbare overtredingen kan vermeden worden door het opleggen van een boete". Daarop volgt een uiteenzetting, betiteld: "In het concrete geval wordt rekening gehouden met de volgende feiten", waarin het hof van beroep bijzondere aspecten aanhaalt die zowel tot een zwaardere als een lichtere boete zouden kunnen leiden. Deze uiteenzetting is gesteld als volgt: "- (de verweerster) heeft het systeem van de valse aankooppasjes doelbewust laten ontstaan en bestaan; - (de verweerster) heeft, toen het onderzoek al gestart was en bleek dat er door de administratie zou opgetreden worden om het systeem te beteugelen, weliswaar actie ondernomen om het in te perken, maar in wezen heeft ze het systeem verfijnd en niet afgeschaft; - (de verweerster) onderging druk van haar concurrenten die op een vergelijkbare manier tewerk gingen, feit waarmee haar (potentiële) klanten (de verweerster) zouden geconfronteerd hebben, mocht zij het systeem of een vergelijkbare manier om ‘aankopen buiten de boekhouding' mogelijk te maken, niet gekend hebben; - (de verweerster) factureerde alle betrokken verkopen en ontving dan ook geen fiscaal voordeel, noch op het vlak van de btw, noch op het vlak van de directe belastingen; haar voordeel was enkel aanwezig op dat van de meeromzet en dus de netto winst; - de Belgische Schatkist onderging nadeel op het niveau van de afnemers van (de verweerster), zeker op fiscaal vlak, enerzijds, op het vlak van de btw, anderzijds, op het vlak van de directe belasting; de afnemers konden de producten die ze bij (de verweerster) kochten immers beroepshalve verkopen zonder dat er een aankoop tegenover stond en aldus een zwarte omzet realiseren zonder dat deze aan de hand van de boekhouding traceerbaar was; (de eiser) maakt een vluchtige berekening waarin hij uitkomt op 3.360.000,00 euro verlies aan btw en een bedrag van 6.250.000,00 euro tot 7.500.000,00 euro aan directe belastingen; er is uit het dossier nochtans niet af te leiden welk gedeelte van de producten die door de afnemers met valse aankooppasjes werden gekocht, ook daadwerkelijk uitsluitend in de horecabedrijven van die afnemers gebruikt werden en evenmin is in de berekening van de geïntimeerde ingerekend dat de btw op die aankopen door (de verweerster) aan de Schatkist werd afgedragen maar niet door de afnemers werd afgetrokken; - (de verweerster) is door de Correctionele Rechtbank van Gent veroordeeld voor fiscale valsheid op grond van het systeem van valse aankooppasjes tot het betalen van een boete van 12.500,00 euro; dat ze ook vrijwillig de boetes van 12.500,00 euro, opgelegd aan de 4 bestuurders/directeuren, op zich nam, was een geste die door die bestuurders/directeuren juridisch niet afdwingbaar was; - daarmee houdt het hof (van beroep) niettemin rekening omdat het van belang is dat een herhaling in de toekomst moet vermeden worden door het opleggen van een boete en daartoe de financiële last precies dat doel bereikt. Het afwegen van deze verschillende feitelijke gegevens leidt het hof van beroep tot het besluit dat de door (de eiser) opgelegde boete onevenredig is met de inbreuk en (de eiser) niet in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van deze boete (vergelijk met Cass., 24.1.2002, rolnr. C.00.0234.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8 en Cass., 21.10.2005, rolnr. C.O2.0527.N). Deze boete dient tot redelijke proporties te worden herleid, nl. tot een bedrag van 600.000,00 euro). Waarop het arrest beslist dat elke partij haar eigen kosten moet dragen, met compensatie van de rechtsplegingsvergoeding. Grieven Vooreerst moet erop gewezen worden dat de uitspraak van het hof van beroep van een onjuist vertrekpunt uitgaat, waar herhaaldelijk sprake is van de toepassing van het "wettelijk voorziene maximum", daar waar het dubbel van de verschuldigde belasting met een minimum van 2.000 frank per inbreuk in de wet opgelegd wordt als vaste boete, niet als het hoogste punt van een schaal waarvan de toepassing aan de vrije beoordeling van de rechter zou overgelaten worden. Het arrest is opgesteld alsof de wet de terzake toepasselijke fiscale boete aan de vrije beoordeling van de administratie en van de rechter overliet "tot" een maximum van 200 pct., en niet een boete oplegde "gelijk aan" het dubbel van de ontdoken belasting. Deze zienswijze is onjuist. De wet laat aan de administratie geen marge van vrije beoordeling. De gevallen waarin een verminderde boete mag worden opgelegd, worden op bindende en beperkende wijze in de wet en de met het koninklijk besluit nr. 41 gepubliceerde tabellen omschreven. De omschreven verminderingen mogen niet toegepast worden wanneer de inbreuk begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. En in casu is dit het geval, zoals uitdrukkelijk door de bodemrechter vastgesteld. In het arrest van 21 januari 2005, nr. C.02.0572.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 (waarnaar ook in het bestreden arrest verwezen wordt) heeft het Hof gesteld dat de rechter, bij het beoordelen van een administratieve boeten, in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden is. De "volle rechtsmacht" waarop de appelrechters in de onderhavige zaak aanspraak maakt, kan niet betekenen dat de rechter willekeurig van het wettelijk voorschrift afstand kan nemen. De rechter mag de wettelijkheid van de opgelegde sanctie onderzoeken, en in het bijzonder nagaan of de sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht blijft een wettelijkheidscontrole. De wet is bindend. Enkel een hogere rechtsregel kan toelaten, ervan af te wijken. Het toestaan van verminderingen op de in artikel 70, §2, BTW-wetboek opgelegde boete is beperkt door wettelijke bepalingen: artikel 84 BTW-wetboek en het ter uitvoering daarvan uitgevaardigd koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, die de administratie ook verbinden. De uitspraak van het aanvochten arrest kan bijgevolg niet verrechtvaardigd worden door het argument dat het toetsingsrecht van de rechter even ver moet reiken als de discretionaire macht van de administratie. In toepassing van het rechtsbeginsel, dat een sanctie in evenredigheid moet zijn met de zwaarte van de gesanctioneerde inbreuk, mag de rechter nagaan of in het concreet geval de boete al dan niet onevenredig is met de vastgestelde frauduleuze praktijken. Dit betekent niet dat hij, op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De rechter die oordeelt dat de door de wet opgelegde sanctie onevenredig is met de zwaarte van de inbreuk, moet de feiten en omstandigheden aanwijzen waaruit hij deze onevenredigheid afleidt. In het bestreden arrest worden een aantal als "concreet" aangeduide omstandigheden aangehaald, die volgens de appelrechters de appreciatie van de plichtigheid van de verweerster in het opzetten en toepassen van haar fraudesysteem beïnvloeden. Die overwegingen leiden de bodemrechter tot een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de belastingschuldige. Aldus wordt een vermindering van boete toegestaan om loutere reden van opportuniteit en tegen wettelijke regels in. Dit valt, volgens het geciteerd arrest van 21 januari 2005, buiten de perken van het toetsingsrecht van de bodemrechter. De appelrechters konden, uit de aangevoerde feiten, niet afleiden dat de opgelegde boete onevenredig was met de vastgestelde inbreuk. Aanvullend moet benadrukt worden dat het arrest geen enkele reden aanwijst, op grond waarvan de wettelijke boete van het dubbel van de ontdoken belasting niet in verhouding zou staan met de zwaarte van de inbreuk. Integendeel wordt in het arrest expliciet toegegeven dat de administratie "met reden geoordeeld (heeft) dat het haar toegelaten was de maximale wettelijke boete toe te passen". Besluit Hieruit volgt dat het arrest door de boete van het dubbel van de verschuldigde belasting de "maximale" boete te noemen, de betekenis van het wettelijk voorschrift miskent, waarbij deze boete opgelegd wordt als een vast bedrag, waaraan de administratie gebonden is, en niet als het hoogste bedrag in een schaal waarvan de toepassing aan de vrije beoordeling van de rechter en/of van de administratie zou overgelaten worden (schending, in hoofdorde, van artikel 53, 2°, BTW-wetboek, in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, waarbij het opmaken en afleveren van facturen wordt opgelegd, en artikel 70, §2, BTW-wetboek, in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 23 juli 1993 waarbij de boete bij inbreuk op deze verplichting op het dubbel van de verschuldigde belasting wordt gesteld); bijkomend, van artikel 84 BTW-wetboek, in de versie zoals gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1986, waarbij het invoeren van een schaal van verminderingen wordt voorgeschreven, hetgeen het vrij toestaan van verminderingen door de rechter uitsluit; en van artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 in de versie zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993, waarbij het toestaan van verminderingen uitgesloten wordt in geval van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Door het herleiden tot 600.000,00 euro van de boete die door de wet op het dubbel wordt gesteld van de op de handeling verschuldigde belasting op grond van een aantal aangehaalde omstandigheden die geen verband vertonen met een interne of internationale rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, miskent het arrest de draagwijdte van de volle rechtsmacht van de rechter waardoor dezelfde wetsbepalingen worden geschonden. Door het bedrag van de boete zoals aangeduid tot 600.000,00 euro te herleiden na geoordeeld te hebben dat de administratie "met reden geoordeeld (heeft) dat het haar toegelaten was de maximale wettelijke boete toe te passen", en zonder enige rechtsgrond aan te duiden die het afwijken van het wettelijk voorschrift zou verantwoorden, berust de uitspraak op een inwendige tegenstrijdigheid die onverenigbaar is met de grondwettelijke motiveringsplicht, zodat het arrest deze plicht miskent (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.) III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Het middel bekritiseert een juridische tegenstrijdigheid in de redenering van de appelrechters over de rechtsmacht van de rechter en wijst hiervoor artikel 149 van de Grondwet als geschonden aan. Die grief is vreemd aan een motiveringsgebrek bedoeld in artikel 149 van de Grondwet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 2. Krachtens artikel 53, eerste lid, 2°, van het BTW-wetboek, zijn belastingplichtigen, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek hebben, gehouden een factuur of een als zodanig geldend stuk uit te reiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten. 3. Krachtens artikel 70, §2, eerste lid, van het BTW-wetboek, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan tweeduizend frank, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54, of de door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan. Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. 4. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. 5. Het bestreden arrest stelt vast: - dat de verweerster in de onderzochte periode 10.655 facturen uitreikte op naam van niet-bestaande klanten en/of op niet bestaande adressen waarvan het bedrag aan btw lager was dan 1000 frank (24,79 euro), terwijl er voor 12.970.855 frank btw vermeld werd op facturen uitgereikt op naam van niet-bestaande klanten en/of op niet bestaande adressen voor een hoger btw-bedrag dan 1000 frank; - dat de eiser op grond van artikel 70, §2, BTW-wetboek, een boete oplegde van 47.251.710 frank (1.171.339,29 euro); - dat het bedrag van die boete werd vastgesteld door voor de 10.655 kleinere facturen de minimumboete van 2000 frank (49,58 euro) te hanteren (21.310.000 frank of 528.261,10 euro) en voor de overige klanten het btw-bedrag te verdubbelen (25.941.710 frank of 643.078,19 euro). 6. Het arrest oordeelt dat de verweerster opzettelijk heeft gehandeld maar oordeelt dat de sanctie onevenredig was omdat de overtreding begaan werd onder druk van haar concurrenten die op een vergelijkbare manier te werk gingen, omdat zij geen fiscaal voordeel genoot en omdat zij en haar bestuurders strafrechtelijk veroordeeld waren zodat herhaling in de toekomst moeilijk lijkt. Uit die gegevens konden de appelrechters afleiden dat de opgelegde boete van 1.171.339,29 euro (47.251.710 frank) onevenredig was en moest verminderd worden tot het bepaalde bedrag. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 203,17 euro jegens de eisende partij en op de som van 414,02 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 13 februari 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols E. Stassijns P. Maffei L. Huybrechts E. Forrier I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2026:ARR.20260420.1 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190117.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090213.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.