← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.8 Rolnummer: C.08.0272.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2009-04-07 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-07-03 03:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de appelrechter beveelt dat over bepaalde feiten, op verzoek van de meest gerede partij, getuigenverhoor zal worden gehouden door de rechter die daartoe zal worden aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, dan vermag deze laatste, ingeval bepaalde getuigen niet werden gehoord en de aangestelde rechter het getuigenverhoor heeft gesloten en geweigerd heeft een aanvullend verhoor te houden, op verzoek van de meeste gerede partij dezelfde rechter aan te stellen om over diezelfde feiten de overige getuigen te horen

(1).
(1)Zie Cass., 6 oktober 1986, AR 7442, A.C., 1986-1987, nr 66. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Getuigen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Getuigenverhoor (gerechtelijk recht) - Vonnis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Getuigenverhoor (gerechtelijk recht) - Sluiting Vrije woorden: Getuigenverhoor - Door de voorzitter van de rechtbank op bevel van de appelrechter daartoe aangestelde rechter - Bevoegdheid van de voorzitter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 945 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Getuigenverhoor (gerechtelijk recht) - Vonnis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Getuigenverhoor (gerechtelijk recht) - Sluiting Vrije woorden: Getuigenverhoor - Door de voorzitter van de rechtbank op bevel van de appelrechter daartoe aangestelde rechter - Bevoegdheid van de voorzitter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 945 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0272.N S.R. eiser, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen V.M., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 mei 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat de eiser er niet in slaagt het schuldvermoeden vervat in artikel 306 (oud) van het Burgerlijk Wetboek te weerleggen zodat de echtscheiding geacht wordt uitgesproken te zijn in het uitsluitende nadeel van de eiser en veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1.000,00 euro per maand, met ingang van 9 juni 2003, met aanpassing aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit arrest werd uitgesproken nadat bij tussenarrest van 3 mei 2005 de debatten werden heropend om partijen toe te laten het bewijs te leveren van 2 feiten met alle middelen van recht. Met name werd de verweerster toegelaten het bewijs te leveren met alle middelen van recht van volgende feiten: "1) (de verweerster) (lees: de eiser) is begin juli 1998 uit de echtelijke woonst vertrokken om te gaan samenwonen met zijn huidige partner, J.D., in de flat van deze dame te K., deze was toen zijn directiesecretaresse; 2) sedert 1 juli of 1 september 1999 woont (de eiser) samen met deze dame in de H. ". De eiser werd toegelaten het bewijs te leveren met alle middelen van recht van volgende feiten: "1) (De verweerster) heeft minstens sedert 1998 minstens één buitenechtelijke relatie gehad met een andere man; 2) (De verweerster) heeft sedert april 2001 een buitenechtelijke verhouding met de heer F.. Het hof van beroep motiveerde deze beslissing om partijen toe te laten de genoemde feiten te bewijzen met alle middelen van recht als volgt: "Het ogenblik waarop de overspelige relatie van iedere van beide partijen is ontstaan kan gebeurlijk een invloed hebben op de appreciatie van het beledigende karakter van de overspelige relatie van (de verweerster) of van de vraag of deze nog in verband kan worden gebracht met het voortduren van de feitelijke scheiding". (arrest van 3 mei 2005 van de derde kamer van het Hof van Beroep te Brussel, blz. 11). Het tussenarrest van 3 mei 2005 werd gewezen door de raadsheren de P., S. en C., terwijl het eindarrest werd gewezen door de raadsheren S., D. en D.. Grieven Overeenkomstig de artikelen 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, moeten rechters alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond op straffe van nietigheid. Dit voorschrift is eveneens van toepassing wanneer er, na een beslissing tot heropening van het debat over een bepaald onderwerp, over het voortgezette debat uitspraak moet worden gedaan. Wanneer het rechtscollege dat de eindbeslissing wijst, niet is samengesteld uit de rechters die al de vroegere zittingen hebben bijgewoond, is die eindbeslissing van het anders samengestelde rechtscollege slechts regelmatig gewezen, indien het debat in zijn geheel voor dat rechtscollege is hervat of partijen hiervan hebben afgezien. Terzake blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat partijen reeds voor de heropening van de debatten concludeerden over de vraag of en in welke mate de overspelige relaties van partijen een invloed hadden op het ontstaan en/of het voortduren van de feitelijke scheiding. Dit debat over de vraag of en in welke mate de overspelige relaties van partijen een invloed hadden op het ontstaan en/of het voortduren van de feitelijke scheiding werd na de heropening van de debatten en na het houden van een getuigenverhoor voortgezet. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het debat voor de anders samengestelde zetel na de heropening van het debat is hervat, noch dat partijen daarvan hebben afgezien. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat mede is gewezen door de (raadsheren) D. en D., die niet al de zittingen over de zaak hebben bijgewoond, nietig is (schending van de artikelen 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 8, 11, 19, 915, 918, 941, 945 en 947 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat de eiser er niet in slaagt het schuldvermoeden vervat in artikel 306 (oud) van het Burgerlijk Wetboek te weerleggen zodat de echtscheiding geacht wordt uitgesproken te zijn in het uitsluitende nadeel van de eiser en veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1.000,00 euro per maand, met ingang van 9 juni 2003, met aanpassing aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen. "2. Aangaande de ontvankelijkheid van het tweede getuigenverhoor (...) Dat (de verweerster) zich ten onrechte beroept op artikel 945 van het Gerechtelijk Wetboek om tot de nietigheid van het tweede getuigenverhoor te besluiten; Dat voormeld wetsartikel geen nietigheidsgrond vermeldt. Dat de getuigenverhoren van 9 en 30 mei van 15 juni 2006 werden gehouden krachtens de beschikking van 14 maart 2006 houdende de aanstelling van de rechter belast met het houden van het verhoor op de daartoe aangeduide tijdstippen en plaats; II. Dat deze beschikking werd gewezen overeenkomstig de artikelen 920 en volgens het Gerechtelijk Wetboek. Dat (de verweerster) geen ander middel van onontvankelijkheid opwerpt. Dat dit middel faalt. 3. Aangaande de omkering van het schuldvermoeden (...) Dat in het tussenarrest van 3 mei 2005 werd overwogen dat het ogenblik waarop de overspelige relatie van ieder van beide partijen ontstaan is, gebeurlijk een invloed kan hebben op de appreciatie van het beledigende karakter van de overspelige relatie van (de verweerster) of van de vraag of deze nog in verband kan gebracht worden met het voortduren van de feitelijke scheiding; (...) Dat het (hof van beroep) partijen machtigde om elk twee feiten met getuigen te bewijzen; Dat enkel een rechtstreeks getuigenverhoor ten verzoeke van (de verweerster) werd gehouden; (...) Dat (de verweerster) oordeelt dat zij aan de hand hiervan het bewijs levert dat (de eiser) alleen het initiatief nam tot de feitelijke scheiding die veroorzaakt werd door zijn relatie met mevrouw D. met wie hij onmiddellijk na zijn vertrek ging samenwonen, zodat haar eigen overspelige relatie die een aanvang nam vier jaar na het vertrek van (de eiser) de feitelijke scheiding noch heeft doen ontstaan noch heeft doen voortduren; (...) Dat de twee feiten hierna onderzocht worden: A. Aangaande feit 1 (...) Dat (de verweerster) in het tussenarrest van 3 mei 2005 gemachtigd werd om volgend feit te bewijzen: ‘(De eiser) is begin juli 1998 uit de echtelijke woonst vertrokken om te gaan samenwonen met zijn huidige partner, J.D., in de flat van deze dame te K.; deze was toen zijn directiesecretaresse'. (...) Dat K.D., dochter van (de verweerster), daarover het volgende verklaart: ‘(...) Eind juni 1998, het was in mijn blokperiode, is op een bepaald ogenblik (de eiser) na een telefoontje, ik vermoed van mevrouw D., vertrokken en heeft (het) diezelfde avond na zijn thuiskomt in mijn aanwezigheid aan mijn moeder verteld dat hij bij J. was geweest en met haar een relatie had. Ingevolge de aldus ontstane ruzie heeft (de eiser) op een voor mij niet nader meer gekende dag de woning verlaten en is een tijdje in zijn mobilhome gaan slapen. Nadien zou hij vertrokken zijn naar K., maar (
  1. ik)weet dit enkel van horen zeggen, heb er zelf niets van gezien'. Dat de tweede dochter van (de verweerster), over dit feit verklaart het volgende van derden te hebben vernomen zonder dit zelf te hebben vastgesteld: ‘(...) (De eiser) is inderdaad rond begin juli 1998 vertrokken van bij mijn moeder om te gaan samenwonen met zijn directiesecretaresse mevrouw J.D.. Ik heb dit vernomen van zowel collega's van mijn moeder als van vrienden, als van mijn moeder zelf deze vrienden woonden in de buurt van de H.laan. Hij heeft sedertdien met gezegde dame samengewoond'; Dat mevrouw V., buurvrouw van (de eiser) en mevrouw D. te Leuven, verklaart: ‘Ik woon in de H.straat en ken (de eiser) en mevrouw D. als buren. Van mevrouw S., eveneens buurvrouw, heb ik vernomen dat mevrouw D. van K. komt'; Dat de laatste getuige desbetreffende geen nuttige informatie heeft verschaft; (...) Dat aan de hand van de verklaringen van de eerste twee getuigen voldoende is aangetoond dat (de eiser), na zijn echtgenote te hebben ingelicht over zijn relatie met mevrouw D., de echtelijke woning einde juni/begin juli heeft verlaten om na een verblijf in zijn mobilhome bij mevrouw D. te gaan wonen; Dat het feit dat zij zelf niet rechtstreeks hebben vastgesteld dat (de eiser) na zijn niet betwiste verblijf in de mobilhome, waarvan het tijdelijk karakter gelet op de precaire aard van deze woonvorm redelijk aannemend is, bij mevrouw D. (die oorspronkelijk in K. gehuisvest was) is gaan wonen de geloofwaardigheid van hun getuigenis niet aantast; B. Aangaande feit 2 (...) Dat (de verweerster) in het tussenarrest van 5 mei 2005 gemachtigd werd volgend feit met getuigen te bewijzen: ‘Sedert 1 juli of 1 september 1999 woont (eiser) samen met deze dame in de H.straat te Leuven' Dat K.D. hierover verklaart: ‘In de maand augustus, het was mijn tweede zittijd 1999, heb ik persoonlijk op een avond nadat ik in de H.straat uit een frituur kwam, (de eiser) met mevrouw D. aan een open deur zien staan. Zijn beroepsplaat welke in T. hing en welke van rode kleur was hing aan deze deur en was zoals ik opmerkte herspoten in blauwe kleur. Op deze plaat stond zijn naam en zijn beroep. Nadien heb ik verschillende malen deze beide personen ontmoet ondermeer op de K. soms hand in hand'; Dat de tweede dochter van (de verweerster), M., met betrekking tot het samenwonen van (de eiser) met mevrouw D. in de H.straat te Leuven verklaart dit van derden te weten maar het precieze tijdstip van de aanvang van dit samenwonen aldaar niet te kunnen geven; Dat de derde getuige, mevrouw V.M., verklaart dat zij (de eiser) en mevrouw D. kent als buren en voorts verklaart: ‘Ik herinner mij dat in de loop van 1999, het schooljaar was nog bezig, ik voor het eerst (de eiser) en mevrouw D. hun intrek heb weten nemen in de H.straat. Ze zijn daar blijven wonen tot ik weet een 2 à 3 tal jaar geleden'. Dat S.K., eveneens een gewezen buurvrouw van (de eiser) en van mevrouw D. formeel verklaart dat deze laatsten vanaf de gezegde periode in haar buurt woonden; (...) Dat de formele bevestiging van getuige S. bewijskrachtig is; Dat het feit dat zij (de eiser) en mevrouw D. enkel ‘van ziens' als buren kent geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar getuigenis, net zomin als het gegeven dat zij nooit bij hen in huis is geweest; Conclusie (...) Dat op basis van de verklaringen van de getuigen voldoende vaststaat dat (de eiser) reeds voor bij de echtelijke woning einde juni / begin juli wetens en willens verlaten heeft om, na een kort verblijf in zijn mobilhome, bij mevrouw D. te gaan wonen, eerst in K. en vervolgens in Leuven met deze dame en relatie onderhield; Dat in de gegeven omstandigheden niet bewezen voorkomt dat het ontstaan of het voortduren van de feitelijke scheiding tussen partijen mede zou zijn veroorzaakt door (de verweerster); Dat het feit dat zij, jaren nadat (de eiser) een vaste affectieve relatie had aangeknoopt met een andere vrouw en met haar ging samenwonen waardoor hij ondubbelzinnig te kennen gaf dat hij geen verzoening meer wenste, zelf op overspel werd betrapt met een andere man, geenszins ertoe leidt dat zij de feitelijke scheiding mede heeft doen ontstaan of voortduren; (...) Dat het (hof van beroep) de overige argumenten van (de eiser), met name dat de agressieve, bemoeizuchtige en beledigende houding van (de verweerster) de feitelijke scheiding zou hebben doen ontstaan of voortduren, reeds heeft afgewezen bij arrest van 3 mei 2005; (...) Dat gelet op het bovenstaande vaststaat dat (de eiser) uitsluitend schuld treft voor zowel het ontstaan als het voortduren van de feitelijke scheiding van partijen en het schuldvermoeden derhalve niet wordt gerelativeerd ten nadele van (de verweerster)". (bestreden arrest, blz. 3-7). Grieven Overeenkomstig artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek kan, indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, de rechter die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is. Uit deze bepaling, alsook uit artikel 11, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vloeit voort dat enkel de rechter die ten gronde over de zaak oordeelt, een getuigenverhoor kan bevelen. Artikel 918 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden door de rechters die het hebben toegestaan of bevolen of door de rechter die in het vonnis is aangewezen. De rechter die is aangewezen om het getuigenverhoor te houden, beveelt de sluiting van het getuigenverhoor zodra de desbetreffende verrichtingen gedaan zijn. De verrichtingen worden als gedaan beschouwd wanneer hetzij de getuigen gehoord zijn, hetzij de wettelijke formaliteiten vervuld zijn (artikel 945 van het Gerechtelijk Wetboek). Weliswaar is de rechter die is aangewezen om de getuigenverhoren te houden bevoegd om uitspraak te doen over alle tussengeschillen tijdens die verhoren, doch deze bevoegdheid eindigt wanneer deze rechter de sluiting van het getuigenverhoor heeft bevolen (de artikelen 8, 11, 19, 915, 918, 941 en 945 van het Gerechtelijk Wetboek). Na de sluiting van het getuigenverhoor is enkel de rechter ten gronde bevoegd om een aanvullend getuigenverhoor of een heropening van het getuigenverhoor te bevelen (de artikelen 8, 11, 915, 918 en 947 van het Gerechtelijk Wetboek). Terzake blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat het getuigenverhoor werd gesloten bij proces-verbaal van 7 februari 2006. Bij beschikking van 14 maart 2006 van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven werd vervolgens rechter V. aangesteld teneinde over te gaan tot het houden van het getuigenverhoor. De getuigen werden verhoord op 9 mei en 15 juni 2006. Door te beslissen dat zij acht kunnen slaan op de getuigenverhoren die gehouden zijn na de sluiting van het getuigenverhoor en zonder dat dit tweede getuigenverhoor door de appelrechters was bevolen en door verder hun beslissing dat de eiser er niet in slaagt om het schuldvermoeden ex artikel 306 van het Burgerlijk Wetboek om te keren, te steunen op de aldus onwettig verkregen getuigenverklaringen, schenden de appelrechters alle in het middel genoemde bepalingen. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel). Aangevochten beslissingen De appelrechters veroordelen de eiser om aan de verweerster een provisionele onderhoudsuitkering na echtscheiding van 1.000,00 euro per maand te betalen, met ingang van 9 juni 2003, op grond van de volgende motieven: "(...) Dat gelet op de betekening van het tussenvonnis waarbij de echtscheiding werd uitgesproken dit vonnis in kracht van gewijsde is getreden op 9 juni 2003. Dat (de verweerster) in principe aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding vanaf deze datum" (bestreden arrest, blz. 8). Grieven Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding, zoals tevens vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, bepalen de partijen zelf de grenzen van het geschil. Hieruit vloeit voort dat de rechter het voorwerp van de vordering niet mag wijzigen en niet meer mag toekennen dan werd gevraagd. Op blz. 8 van het bestreden arrest stellen de appelrechters vast dat het tussenvonnis waarbij de echtscheiding werd uitgesproken in kracht van gewijsde is getreden op 9 juni 2003. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt verder dat de verweerster voor het eerst in haar "besluiten na tweede getuigenverhoor" van 30 juli 2007 eiste dat de eiser veroordeeld zou worden tot betaling van een uitkering na echtscheiding van 1.116,00 euro per maand. De verweerster eiste niet dat deze uitkering na echtscheiding retroactief zou worden toegekend vanaf de voltrekking van de echtscheiding. Door aan de verweerster een uitkering na echtscheiding retroactief toe te kennen vanaf de voltrekking van de echtscheiding, dit is vanaf 9 juni 2003, terwijl de verweerster deze onderhoudsuitkering slechts vroeg met ingang van 30 juli 2007, kennen de appelrechters meer toe dan door de verweerster was gevraagd en schenden zij de artikelen 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel gaat ervan uit dat het arrest van 3 mei 2005 het debat over een bepaald onderwerp heropent. 2. Dit arrest heropent het debat over een bepaald onderwerp niet en beveelt enkel een onderzoeksmaatregel. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 3. Wanneer de appelrechter beveelt dat over bepaalde feiten, op verzoek van de meest gerede partij, getuigenverhoor zal worden gehouden door de rechter die daartoe zal worden aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, dan vermag deze laatste, ingeval bepaalde getuigen niet werden gehoord en de aangestelde rechter het getuigenverhoor heeft gesloten en geweigerd heeft een aanvullend verhoor te houden, op verzoek van de meest gerede partij dezelfde rechter aan te stellen om over diezelfde feiten de overige getuigen te horen. 4. Geen enkel van de aangevoerde wetsbepalingen verzet zich daartegen. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde middel 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt niet dat de verweerster de uitkering na echtscheiding slechts vorderde met ingang van 30 juli 2007. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 730,75 euro jegens de eisende partij en op de som van 301,82 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 13 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem B. Deconinck E. Dirix E. Waûters PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.