← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090216.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090216.4 Rolnummer: S.08.0071.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-03 00:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 6, eerste lid van de wet van 3 april 1995, onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, § 1, van die wet bepaalde maatregel. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: Socialezekerheidsbijdragen werkgever - Vermindering - Vordering tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen - Doel van de maatregel Wettelijke bepalingen: Wet - 03-04-1995 - Art. 2, § 1, eerste lid en 6, eerste lid Fiche 2 Onder "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6, eerste lid van de wet van 3 april 1995 dient te worden verstaan, elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Verminderingen Vrije woorden: Socialezekerheidsbijdragen werkgever - Vermindering - Vordering tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen voordelen - Overdracht van personeel Wettelijke bepalingen: Wet - 03-04-1995 - Art. 6, eerste lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.08.0071.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen H. G., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 16 november 2006 en 23 februari 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, §1 en 6 van de Wet van 3 april 1995 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling, artikel 2, §1, vóór zijn wijziging bij wet van 13 februari 1998, artikel 6, zoals gewijzigd bij wet van 13 februari 1998; - de artikelen 1, §1, eerste lid, 14, §1 en 22 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet), artikel 22 vóór zijn wijziging bij wet van 27 december

  1. Aangevochten beslissingen Het bestreden eindarrest van 23 februari 2007 vernietigt het vonnis van de eerste rechter en verklaart de oorspronkelijke vordering van eiser, op grond van de beoordeling in het tussenarrest, ongegrond. Na te hebben vastgesteld dat de tewerkstelling van A.V. , C.D. en C.M. een netto-aangroei van het werknemersbestand betekende bij de verweerster, werd in het tussenarrest beslist dat deze netto-aangroei niet het gevolg was van een overdracht van personeel in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april 1995: "Er wordt geen geschrift bijgebracht waarin formeel de overdracht van de drie personeelsleden tussen E.S. en G.H. wordt geregeld. Ook is er geen bewijs dat er een wilsovereenstemming tussen hen beiden was om het personeel over te dragen. De vraag is of dergelijke wilsovereenstemming moet bewezen zijn. Het (arbeids)hof is van oordeel van wel. Overdracht is in de context van de wet van 3 april 1995 een overeenkomst tussen minstens twee partijen: de overdrager en de overnemer. De wet gebruikt naast de term ‘overdracht' ook de term ‘overdragende werkgever'. ‘Overdragen' is een bewuste daad. De overdrager moet de wil hebben om zijn personeel over te dragen. Deze wil tot overdracht moet echter ook beantwoord worden door een wil om over te nemen. Dus ook bij de overnemer moet de wil aanwezig zijn om het personeel over te nemen. Aldus is de ‘overdracht' een wederzijdse overeenkomst waarbij de wilsovereenstemming tussen overdrager en overnemer moet bewezen zijn. Indien de wetgever de overgang van personeel op het oog had gehad bij de overname van een handelzaak van de overlatende naar de overnemende werkgever dan had hij ook de term ‘overgang' gebruikt in plaats van ‘overdracht'. Een overgang is een feitelijkheid: ging het personeel bij de overname van de handelszaak mee over naar de nieuwe uitbater of niet? Een overdracht echter veronderstelt de wil zowel bij de overlater als bij de overnemer om het personeel over te nemen. Het is pas als een dergelijke wederzijds gewilde overdracht van personeel bewezen is dat artikel 6 van de wet van 3 april 1995 speelt. Immers enkel in dat scenario staat het vast dat de tewerkstellingsgraad in het algemeen niet is verhoogd. In de huidige zaak had G.H. ook kunnen opteren om haar delicatessenzaak te gaan uitbaten met ander, vreemd personeel, met werklozen bijvoorbeeld aan wie ze een job aanbood. Wat zou in dat scenario dan het lot zijn geweest van het personeel van E.S. ? Indien die ergens anders werk vonden, zou er geen twijfel zijn over de werkelijke netto aangroei van personeel bij G.H. en zou de sanctie van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 allicht niet op haar zijn toegepast. Moet deze sanctie dan wél op haar worden toegepast wanneer ze besluit om het personeel van E.S. opnieuw tewerk te stellen? Juridisch is er in het kader van de huidige beoordeling immers geen verschil tussen dit personeel en ‘vreemd' personeel. Pas als er een wilsovereenstemming is bewezen tussen E.S. en G.H. tot overdracht van het personeel tussen hen beiden, geldt voornoemd artikel
  2. Dergelijke wilsovereenstemming is door (de eiser) niet bewezen en kan ook niet uit de elementen van het dossier indirect maar zeker worden afgeleid. (De eiser) beschikte nochtans over ruime middelen om dit bewijs te leveren. Hij had via zijn inspectiediensten de beide betrokkenen kunnen ondervragen over de juiste toedracht van de overname van de handelszaak. Hij had op dezelfde wijze het personeel zelf kunnen ondervragen. Een ‘overdracht' van personeel in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 is dan ook niet bewezen zodat de sanctie ervan niet op G.H. in het kader van dit geschil kan worden toegepast" (tussenarrest, p.4, derde alinea t.e.m. p.5, vijfde alinea). Grieven
  3. Luidens artikel 2, §1, van Titel I van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling, hebben de werkgevers, die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, per trimester recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid.
  4. Indien wordt vastgesteld dat akkoorden gesloten met toepassing van deze Titel niet zijn nagekomen of indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van de opslorping of de fusie van één of meerdere werkgevers of van de overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat, zal de werkgever tot terugbetaling gehouden zijn van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen, aldus artikel 6 van voormelde wet van 3 april
  5. In de context van voormeld artikel slaat de term "overdracht" zowel op de overdracht van personeel die wederzijds is gewild door de overdrager en de overnemer, als op de overdracht die het gevolg is van een feitelijkheid, waarbij een werkgever eenzijdig het personeel van een andere werkgever heeft overgenomen, zonder dat dit in samenspraak met die werkgever of in onderling akkoord is gebeurd. Onder "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6 van deze wet moet dus niet uitsluitend de overdracht van personeel krachtens overeenkomst worden verstaan, maar ook de overdracht van personeel waaraan geen (schriftelijke of mondelinge) overeenkomst tussen overdrager en overnemer ten grondslag ligt. In zoverre de vereiste van een overdracht krachtens overeenkomst niet uitdrukkelijk in de wet staat ingeschreven, is elke feitelijke overgang, transfer of overheveling van personeel tussen werkgevers derhalve te beschouwen als een "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april
  6. Anders dan de appelrechters voorhouden, is er voor de toepassing van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 dan ook geen betekenisverschil tussen, enerzijds, een "overgang" van personeel, en anderzijds, een "overdracht" van personeel.
  7. Ook naar de geest van Titel I van de wet van 3 april 1995, die ertoe strekt de tewerkstelling te bevorderen, moet de sanctie van artikel 6 van deze wet toepassing vinden bij de overgang van personeel die het gevolg is van een feitelijkheid in zoverre de globale tewerkstellingsgraad door deze feitelijke overgang van personeel evenmin wordt verhoogd, zoals ook in casu het geval was. Waar er geen betwisting bestond over het feit dat verweerster het personeel in dienst heeft genomen dat voorheen was tewerkgesteld bij E.S. , was er derhalve sprake van een "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6 van voormelde wet.
  8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van artikel 6 van de van de wet van 3 april 1995, heeft kunnen oordelen dat een "overdracht van personeel" niet is bewezen bij gebreke aan bewijs van een overeenkomst of van een wilsovereenstemming tussen beide werkgevers om het personeel over te dragen (schending van de artikelen 1, 2, §1, en 6 van de wet van 3 april 1995 en 1, §1, eerste lid, 14, §1 en 22 van de RSZ-wet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  9. Krachtens artikel 2, §1, eerste lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, hebben de werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de CAO nr. 60, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume kunnen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van "37.500 frank" per trimester.
  10. Krachtens artikel 6, eerste lid, van de voormelde wet van 3 april 1995, zoals gewijzigd bij wet van 13 fe¬bruari 1998 met uitwerking vanaf 1 januari 1995, zal de werkgever tot terugbeta¬ling van het geheel of het gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen gehouden zijn, indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers het gevolg is van een overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling onder meer tot doel heeft te verhinderen dat een loutere wijziging van de werkgever zonder enige reële werkgelegenheidsschepping, recht geeft op het voordeel van de in artikel 2, §1, van de wet van 3 april 1995 bepaalde maatregel. Onder "overdracht van personeel" in de zin van die bepaling dient dan ook te worden verstaan, elke feitelijke overgang van personeel tussen werkgevers.
  11. De appelrechters stellen vast dat de verweerster de handelszaak van E.S. heeft overgenomen en dat zij drie werkneemsters die bij E.S. in dienst waren, verder heeft tewerkgesteld. Ze oordelen vervolgens dat een overdracht van personeel in de zin van artikel 6 van de wet van 3 april 1995 niet bewezen is, zodat de sanctie ervan niet op de verweerster kan worden toegepast, omdat er geen bewijs is van een wilsovereenstemming tussen de verweerster en E.S. om het personeel over te dragen. Aldus schenden de appelrechters het begrip "overdracht van personeel" in de zin van artikel 6, eerste lid, van de wet van 3 april
  12. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten, behalve in zoverre het arrest van 16 november 2006 het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 16 november 2006 en het vernietigde arrest van 23 februari
  13. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns E. Waûters R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090216.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.