← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.6 Rolnummer: P.09.0034.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 164 - laatst gezien 2026-07-03 00:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Internering Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0034.N G. P. L. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie te Turnhout. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Hoge Commissie tot be-scherming van de maatschappij van 18 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 15 en 18 Wet Bescherming Maatschappij: de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij oordeelt onterecht dat zij onbevoegd is om de overbrenging van de eiser naar een psychia-trische instelling te gelasten.
  3. Met de reden: "de Hoge Commissie kan geen onmiddellijke overbrenging van de geïnterneerde naar een psychiatrische instelling (gespecialiseerd in de be-handeling van sexueel deviant gedrag) bevelen zonder voorlegging van een attest waaruit blijkt dat hij erin kan opgenomen worden", oordeelt de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij niet dat zij daartoe geen rechtsmacht heeft, maar wel dat de voorwaarden om de overbrenging van de eiser naar een dergelijke instelling te gelasten, hier niet vervuld zijn. Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist aldus feitelijke grondslag.
  4. Krachtens artikel 2, 2°, van het samenwerkingsakkoord van 8 oktober 1998 tussen de Federale Staat en de Vlaamse Gemeenschap inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik, waarmee instemming is betuigd bij wet van 4 mei 1999, heeft dit samenwerkingsakkoord onder meer betrekking op de begeleiding en behandeling van personen die feiten als bedoeld in artikel 372 tot en met 386ter Strafwetboek hebben gepleegd of van het plegen van die feiten verdacht worden, en die onder de toepassing vallen van de wet van 9 april 1930, gewijzigd bij wet van 1 juli 1964, tot bescherming van de maatschappij te-gen abnormalen en gewoontemisdadigers. Krachtens artikel 9, 2°, van het voormelde samenwerkingsakkoord staan de in ar-tikel 1, 4°, bedoelde gespecialiseerde voorzieningen in voor de gepaste extrapeni-tentiaire begeleiding of behandeling van daders van seksueel misbruik, waarvoor voorafgaandelijk een prestatieverbintenis wordt ondertekend en waarbij de naam van de gespecialiseerde voorziening wordt vermeld in de beslissing van de be-voegde overheid die tevens de voorwaarden bepaalt. Krachtens artikel 1, 6°, van het voormelde samenwerkingsakkoord wordt voor de toepassing van dit akkoord onder prestatieverbintenis verstaan: een geschrift dat wordt ondertekend door de betrokken justitieassistent, de betrokken begeleider van de gespecialiseerde voorziening en de betrokken persoon, bedoeld in artikel 2, waarin de te ondernemen acties bij de begeleiding en behandeling van laatstge-noemde persoon worden vastgelegd, evenals de wijze van samenwerking tussen voornoemde partijen.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat voor de overbrenging van de geïnter-neerde naar een psychiatrische instelling gespecialiseerd in de behandeling van seksueel deviant gedrag, de toestemming van die instelling niet is vereist, faalt het naar recht. Tweede middel
  6. Het middel voert aan dat de Wet Bescherming Maatschappij de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 5 EVRM, schendt in zoverre de Hoge Commissie tot bescherming van de maatschappij niet de mogelijkheid heeft om zonder de instemming van een aan te wijzen andere inrichting, de on-middellijke uitvoering van haar beslissing tot overbrenging naar een dergelijke in-richting te bevelen. Het verzoekt het Hof het Grondwettelijk Hof daarover preju-diciële vragen te stellen.
  7. Het middel dat geheel gericht is tegen het in gebreke blijven van de wetge-ver en de bestuurlijke overheid om in voldoende opvangstructuur buiten het ge-vangeniswezen te voorzien, is niet ontvankelijk.
  8. Het middel is niet ontvankelijk om redenen die niet ontleend zijn aan de normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vragen. Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof is er geen grond tot het stellen van de prejudiciële vragen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 17 februari 2009 uitgesproken door afdelings-voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duin-slaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt J.-P. Frère E. Goethals E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090217.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.