← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.13 Rolnummer: C.07.0127.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-29 Raadplegingen: 934 - laatst gezien 2026-07-03 00:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat; hij die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel, heeft geen rechtmatig belang

(1).
(1)Cass., 2 maart 2006, AR C.05.0061.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5, A.C., 2006, nr 120. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Rechtsvordering - Rechtmatig belang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 Fiche 2 Het staat de rechter in kort geding te oordelen of de eiser, die op grond van spoed een voorlopige maatregel vraagt, een rechtmatig belang heeft om die maatregel te verkrijgen; hij geniet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het belang over een grote mate van vrijheid; die beoordeling blijft overeind indien hij hierbij geen normen betrekt die zijn beoordeling naar redelijkheid niet kunnen schragen
(1).
(1)Zie Cass., 12 jan. 2007, AR C.05.0569.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.2, A.C., 2007, nr
  1. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: Voorlopige maatregel - Rechtmatig belang - Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0127.N BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE OUD-HEVERLEE, met kantoor te 3054 Oud-Heverlee, Gemeentehuis, Gemeentestraat 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. DE VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN HET WEEKENDVERBLIJFPARK LA HETRAIE, met zetel te 3051 Sint-Joris-Weert, Kleinstraat 30, vertegenwoordigd door syndicus Hubertina Vandevelde, wonende te 1390 Grez-Doiceau, rue de Weert-Saint-Georges 168,
  3. D. E., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 17, 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State; - de artikelen 3, 4, 31, §1 en 39, §1, 1°, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; - de artikelen 5, 38, §3, 39, §3, 40, §3, en 65, §1, van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, en rubriek 53.5.2° van de indelingslijst gevoegd als bijlage 1 bij hetzelfde besluit. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het incidenteel beroep van de eiser ertoe strekkende de vordering van de verweerders onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan rechtmatig belang, ongegrond, en het hoger beroep van de verweerders gegrond, doet de bestreden beschikking a quo teniet, behoudens in zoverre de vordering ontvankelijk werd verklaard en de kosten werden vastgesteld, en opnieuw beslissend, legt aan de eiser het verbod op om over te gaan tot de uitvoering van zijn Besluit van 8 juli 2002 tot stopzetting van de inrichting voor grondwaterwinning van het park voor weekendverblijf La Hêtraie (het Beukenbos) en desgevallend tot verzegeling van de toestellen, en dit op straffe van de verbeurte van een dwangsom van 100.000,00 euro per overtreding, en zegt dat, ingeval de Raad van State het beroep tot nietigverklaring van het besluit van 16 mei 2002 zou afwijzen, de door het hof bevolen maatregel geen uitwerking meer zal hebben na het verstrijken van een periode van één maand vanaf de kennisgeving van het arrest, en dit op volgende gronden: "Overzicht van de relevante feiten
  4. La Hêtraie (het Beukenbos) was oorspronkelijk ingericht als een camping en beschikte over allerlei uitrustingen om het kamperen mogelijk te maken, waaronder een in het jaar 1969 aangelegde waterput voor drinkwater.
  5. In de zeventiger jaren werd een vergunning gevraagd om deze camping om te vormen tot een park voor weekendverblijf. Bij Besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Brabant van 17 juli 1975 werd dit statuut erkend. De gemachtigde ambtenaar stelde hiertegen een verhaal in en bij koninklijk besluit van 27 november 1975 werd voormeld Besluit vernietigd.
  6. Bij koninklijk besluit van 7 april 1977 werd het gewestplan van Leuven definitief vastgesteld. Daar waar het park La Hêtraie (het Beukenbos) volgens het ontwerp van gewestplan van 1974 was gelegen in een woonrecreatiegebied, werd deze oorspronkelijk gegeven bestemming gewijzigd in natuurgebied.
  7. Bij arrest nr. 22.071 van de Raad van State van 23 februari 1982 werd voormeld koninklijk besluit van 27 november 1975 vernietigd. Bij arrest nr. 22.072 van de Raad van State van dezelfde datum werd het koninklijk besluit van 7 april 1977, houdende de definitieve vaststelling van het gewestplan, vernietigd.
  8. Op 23 december 1982 werd de basisakte voor het park voor weekendverblijf La Hêtraie (het Beukenbos) verleden voor notaris Blanchart uit Drogenbos. In deze akte wordt uitdrukkelijk bepaald dat alle eigenaars en bewoners van de percelen de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Ordening, alsook het koninklijk besluit van 30 oktober 1973 betreffende de parken voor weekendverblijf moeten respecteren. In artikel 2 van dit koninklijk besluit worden de voorwaarden opgesomd waaraan de verkaveling van dergelijk park moet voldoen. Eén van deze voorwaarden is dat dit park moet uitgerust zijn met een installatie voor drinkwatervoorziening (artikel 2, 12°).
  9. Op 27 februari 1987 leverde de Vlaamse Waterzuiveringsmaatschappij een lozingsvergunning af voor het afvoeren van normaal huisafvalwater.
  10. Op 16 september 1992 besliste de Vlaamse Executieve het koninklijk besluit, houdende het gewestplan van Leuven, aan te vullen en het park voor weekendverblijf La Hêtraie (het Beukenbos) retroactief, met uitwerking vanaf 9 april 1977, te bestemmen als natuurgebied. Tegen dit Besluit werd op 8 maart 1993 een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State door de nv Beukenbos, eigenares van de betrokken percelen. (...)
  11. Op de gemeenteraad van Oud-Heverlee van 23 september 1997 werd de motie aangenomen dat het park voor weekendverblijf moest worden afgebouwd en bij voorkeur gesloten.
  12. In het jaar 2001 eiste het College van burgemeester en schepenen van Oud-Heverlee dat de bestaande inrichting van grondwaterwinning zou worden geregulariseerd. (De verweerder), Voorzitter van de Raad van Beheer van (de verweerster), en de syndicus dienden daartoe een aanvraag in voor een milieuvergunning klasse 2, voor het uitbaten van deze grondwaterwinning met een maximale capaciteit van ongeveer 30.000 m³ per jaar. Het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Water, Provincie Vlaams Brabant, verleende op 4 december 2001 een gunstig advies met het oog op deze exploitatie, terwijl een negatief advies werd uitgebracht door de Milieudienst van de intercommunale Interleuven en door de afdeling Ruimtelijke Ordening, ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Provincie Vlaams Brabant. Op 8 februari 2002 weigerde het College van burgemeester en schepenen van Oud-Heverlee de milieuvergunning af te leveren voor het uitbaten (regulariseren) van deze grond waterwinning. Het beroep van (de verweerder) tegen deze beslissing werd op 16 mei 2002 verworpen door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams Brabant. Tegen dit Besluit van de Bestendige Deputatie van 16 mei 2002 stelde (de verweerder) in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de Raad van Beheer van (de verweerster), een vordering tot nietigverklaring in bij de Raad van State.
  13. Op 8 juli 2002 nam (de eiser), Burgemeester van Oud-Heverlee, het Besluit om de inrichting van de grondwaterwinning van La Hêtraie (het Beukenbos) te sluiten vanaf 19 augustus 2002, desgevallend met verzegeling van de toestellen. Bespreking (...)
  14. (De eiser) werpt op dat de eerste rechter de vordering niet ontvankelijk had moeten verklaren bij gebrek aan rechtmatig belang in hoofde van (de verweerders). (De verweerders) hebben immers geen milieuvergunning om de betreffende grondwaterwinning te exploiteren en hebben evenmin een stedenbouwkundige vergunning voor de constructie die bovenop de grondwaterwinning is gebouwd. De vordering zou er dan ook enkel toe strekken om een illegale toestand te bevestigen. Dit middel kan echter niet worden beaamd om de volgende redenen. (De verweerders) roepen in dat het bestreden besluit van 8 juli 2002 voorbarig is omdat het geen rekening houdt met het feit dat er voor de Raad van State een procedure hangende is, waarbij de nietigverklaring wordt gevorderd van het Besluit van de Bestendige Deputatie tot afwijzing van de milieuvergunning van 16 mei
  15. Volgens hen is dit besluit van 8 juli 2002 ook strijdig met artikel 2, 12°, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1973 betreffende de parken voor weekendverblijf, met het ministerieel rondschrijven van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden en met de beginselen van universele dienstverlening, zoals uitgewerkt in de rechtsorde van de Europese Unie. De eis van (de verweerders) strekt er dan ook niet toe een illegale toestand te bestendigen, maar te bekomen dat de exploitatie van de grondwaterwinning voorlopig niet zou worden stopgezet, en dit in de hoop dat hun vordering tot nietigverklaring van het Besluit van 16 mei 2002 zou worden ingewilligd" (arrest pp. 2-7 en pp. 8-9). Grieven
  16. Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te stellen. De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat. Diegene die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel, heeft geen rechtmatig belang. De vereiste van een rechtmatig belang geldt eveneens wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in toepassing van de artikelen 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt verzocht bij voorraad uitspraak te doen in alle gevallen die hij spoedeisend acht.
  17. Overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna Milieuvergunningsdecreet) en artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna Vlarem I), mag niemand zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, exploiteren. Vlarem I voorziet slechts een beperkt aantal gevallen waar in afwachting van een definitieve beslissing over een vergunningsaanvraag, toch zonder vergunning mag geëxploiteerd worden, m.n. in artikel 38, §3, i.v.m. de vergunningsaanvraag van de exploitant van een inrichting die na haar inbedrijfstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, in artikel 39, §3, i.v.m. de hernieuwing van een vergunning, en in artikel 40, §3, i.v.m. de exploitatie van een inrichting die het voorwerp uitmaakt van een vergunning op proef. Krachtens artikel 39, §1, 1°, van het Milieuvergunningsdecreet, wordt hij die zonder vergunning een vergunningsplichtige inrichting exploiteert of verandert, gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van 100 frank tot 100.000 frank of met één van die straffen alleen. De exploitatie van een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning is dan ook strijdig met de openbare orde. Naar luid van artikel 3 van het Milieuvergunningsdecreet worden de inrichtingen die hinderlijk worden geacht voor de mens en het leefmilieu in drie klassen ingedeeld, afhankelijk van de aard en de belangrijkheid van de daaraan verbonden milieueffecten, en stelt de Vlaamse Executieve de lijst en de klassen van die inrichtingen vast. Overeenkomstig rubriek 53.5.2° van de indelingslijst gevoegd als bijlage 1 aan Vlarem I, behoort de winning van grondwater met een opgepompt debiet van 500 m³/jaar tot 30.000 m³/jaar, tot klasse
  18. Luidens artikel 31, §1, van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 65, §1, van Vlaram I, kan de burgemeester ambtshalve mondeling en ter plaatse de stopzetting bevelen van de activiteiten, de toestellen verzegelen en de onmiddellijke sluiting van de inrichting opleggen, wanneer hij vaststelt dat een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd, en worden deze maatregelen van rechtswege opgeheven door het verlenen van de vergunning.
  19. De exploitant van een vergunningsplichtige inrichting die niet beschikt over een milieuvergunning, en ten aanzien van wie, in toepassing van artikel 31, §1, van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 65, §1, van Vlarem I, een stopzettingsbevel wordt uitgevaardigd, heeft in de regel geen rechtmatig belang om op te komen tegen dit stopzettingsbevel, aangezien hij aldus enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft. De omstandigheid dat de exploitant een (regularisatie)vergunning heeft aangevraagd en tegen de weigering van deze vergunning een vernietigingsberoep in de zin van artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft ingesteld, doet hieraan geen afbreuk, nu dit vernietigingsberoep niet schorsend werkt, de inwilliging ervan geenszins betekent dat de exploitatie als vergund moet worden aanzien, en derhalve op generlei wijze afbreuk doet aan de onwettige situatie waarin de exploitant zich bevindt. Bovendien kan het uiteindelijk bekomen van een regularisatievergunning enkel de exploitatie van de inrichting voor de toekomst wettig maken. Tenslotte voorziet de wet niet dat een stopzettingsbevel zou geschorst zijn door de aanvraag van een regularisatievergunning of door het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State tegen de weigering van de regularisatievergunning.
  20. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de verweerders niet beschikken over een milieuvergunning (klasse 2) voor de exploitatie van een bestaande inrichting van grondwaterwinning, dat de aanvraag voor een regularisatievergunning klasse 2 voor het uitbaten van een grondwaterwinning met een maximale capaciteit van 30.000m³/jaar werd geweigerd bij beslissing van 8 februari 2002 van het College van burgemeester en schepenen van Oud-Heverlee, dat het beroep tegen deze weigering werd verworpen op 16 mei 2002 door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant, en dat de tweede verweerder tegen dit besluit een vernietigingsberoep indiende bij de Raad van State, waarover nog geen uitspraak werd gedaan. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt eveneens dat de eiser op 8 juli 2002 het besluit nam om de inrichting van de grondwaterwinning te sluiten vanaf 19 augustus 2002, desgevallend met verzegeling van de toestellen, en dat verweerders' vordering in kort geding, ingeleid op 26 juli 2002, ertoe strekt de eiser verbod te horen opleggen om de grondwaterwinning te sluiten en tot verzegeling van de toestellen over te gaan onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000,00 euro per overtreding.
  21. Zoals vastgesteld in het bestreden arrest, wierp de eiser op dat de verweerders geen rechtmatig belang hebben bij hun vordering, aangezien de verweerders niet over een milieuvergunning beschikken om de grondwaterwinning te exploiteren, en evenmin een stedenbouwkundige vergunning hebben voor de constructie die bovenop de grondwaterwinning is gebouwd, zodat de vordering enkel strekt tot bevestiging van een illegale toestand. Het bestreden arrest verwerpt de opgeworpen onontvankelijkheid oordelend dat de vordering van de verweerders er niet toe strekt "een illegale toestand te bestendigen", maar wel "te bekomen dat de exploitatie van de grondwaterwinning voorlopig niet zou worden stopgezet, en dit in de hoop dat hun vordering tot nietigverklaring van het Besluit van 16 mei 2002 zou worden ingewilligd". Het steunt deze beslissing op de overwegingen "(dat de verweerders) (in)roepen dat het bestreden Besluit van 8 juli 2002 voorbarig is omdat het geen rekening houdt met het feit dat er voor de Raad van State een procedure hangende is, waarbij de nietigverklaring wordt gevorderd van het Besluit van de Bestendige Deputatie tot afwijzing van de milieuvergunning van 16 mei 2002; (en dat) volgens (de verweerders) dit Besluit van 8 juli 2002 ook strijdig (is) met artikel 2, 12°, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1973 betreffende de parken voor weekendverblijf, met het ministerieel rondschrijven van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden en met de beginselen van universele dienstverlening, zoals uitgewerkt in de rechtsorde van de Europese Unie".
  22. Op grond van de vaststellingen en overwegingen die het bevat kon het bestreden arrest niet wettig besluiten dat de vordering van de verweerders er niet toe strekt een illegale toestand te bestendigen, en dat de verweerders over een rechtmatig belang beschikken. Uit de vaststellingen en overwegingen van het bestreden arrest blijkt immers niet dat de verweerders ook beschikken over een ander belang, onderscheiden van het onrechtmatig belang bij het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde. Aan de omstandigheid dat de verweerders zich in een onwettige toestand bevinden, en dan ook geen rechtmatig belang hebben om deze toestand te bestendigen, zelfs niet tijdelijk, wordt geen afbreuk gedaan door het vernietigingsberoep bij de Raad van State tegen de weigering van de (regularisatie)vergunning. Dit beroep werkt niet schorsend, en kan op zich dan ook geen wettig belang rechtvaardigen tot (tijdelijke) voortzetting van de onwettige exploitatie. Bovendien blijkt niet uit het bestreden arrest dat de middelen door de tweede verweerder ter staving van zijn vernietigingsberoep bij de Raad van State aangevoerd tot gevolg zouden hebben dat tot het bestaan van een vergunning tot het exploiteren zou moeten besloten worden, of van aard zouden zijn het bestuur uiteindelijk te verplichten de milieuvergunning te verlenen. Alleszins kan het bekomen van een regularisatievergunning enkel de toestand voor de toekomst wettig maken. Uit het bestreden arrest blijkt ook niet dat de vergunningsaanvraag van verweerders valt onder de uitzonderingen op het verbod in artikel 5 van Vlarem I tot exploitatie van een inrichting zonder vergunning, voorzien in de artikelen 38, §3, 39, §3, of 40, §
  23. De gevorderde maatregel heeft dan ook niet alleen tot gevolg dat de verweerders verder (onwettig) kunnen exploiteren tot de uitspraak over het vernietigingsberoep, maar bij inwilliging van dit beroep ook verder onwettig kunnen exploiteren tot een nieuwe beslissing over de vergunningsaanvraag, die op haar beurt, indien zij opnieuw weigert, opnieuw door een vernietigingsberoep van de tweede verweerder zou kunnen aangevochten worden, steeds met verderzetting van de onwettige exploitatie. De omstandigheid dat het bestreden arrest ook vaststelt door welke onwettigheden het stopzettingsbevel van 8 juli 2002, volgens de verweerders, zou aangetast zijn, laat evenmin toe te besluiten tot het bestaan van een wettig belang, nu deze beweerde onwettigheden, die het arrest geenszins toetst, geen afbreuk doen aan het feit dat de verweerders een inrichting exploiteren zonder milieuvergunning.
  24. Het bestreden arrest kon derhalve, op grond van de vaststellingen die het bevat nopens het vernietigingsberoep tegen de weigering van de regularisatievergunning en de beweerde onwettigheid van het stopzettingsbevel van 8 juli 2002, niet wettig het door eiser in conclusie aangevoerde onrechtmatig belang van de vordering van de verweerders verwerpen, en besluiten tot het bestaan van een wettig belang van de verweerders bij een voorlopige voortzetting van de onwettige exploitatie van de grondwaterwinning (schending van de artikelen 17, 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, de artikelen 3, 4, 31, §1 en 39, §1, 1°, van het Milieuvergunningsdecreet, de artikelen 5, 38, §3, 39, §3, 40, §3, en 65, §1, Vlarem I, en rubriek 53.5.2° van de indelingslijst gevoegd als bijlage 1 aan Vlarem I). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  25. Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, is vreemd aan de grief dat de appelrechters die in kort geding uitspraak deden het belang van de eiser niet naar behoren beoordeelden. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  26. Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. De krenking van een belang kan enkel tot een rechtsvordering leiden als het om een rechtmatig belang gaat. Diegene die enkel het behoud nastreeft van een toestand in strijd met de openbare orde of van een onrechtmatig voordeel, heeft geen rechtmatig belang. Die regel geldt ook wanneer de vordering in kort geding wordt ingesteld.
  27. Het staat aan de rechter in kort geding te oordelen of de eiser in kort geding die op grond van spoed een voorlopige maatregel vraagt, een rechtmatig belang heeft om die maatregel te verkrijgen. Hij geniet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het belang over een grote mate van vrijheid. Die beoordeling blijft overeind indien de rechter in kort geding, hierbij geen normen betrekt die zijn beoordeling naar redelijkheid niet kunnen schragen.
  28. Het middel verwijt in wezen aan het arrest dat het op een onjuiste wijze de rechtmatigheid van het belang heeft getoetst maar laat niet gelden dat de voorlopige beoordeling onredelijk was.
  29. Het komt voor het overige op tegen de feitelijke beoordeling door de kortgedingrechter van de rechtmatigheid van het belang. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 867,87 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20130219.7 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140123.3 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140616.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180308.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191002.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070112.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131010.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.