id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.18 Rolnummer: C.07.0305.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-29 Raadplegingen: 777 - laatst gezien 2026-07-03 03:48 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.18 Fiche 1 Diegene die door zijn fout aan een ander schade berokkent, is verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat inhoudt dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zou zijn gebleven indien de fout waarover hij zich beklaagt, niet was begaan
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Integrale vergoeding Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 2 Het feit dat het slachtoffer van een ongeval genoodzaakt is beroep te doen op de hulp van een derde, levert op zich een materiële schade op, die integraal moet worden vergoed door diegene die door zijn fout deze schade heeft veroorzaakt
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Begrip - Hulp van een derde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiche 3 In het geval het slachtoffer gerechtigd is beroep te doen op professionele betalende hulp, kan die materiële schade door de rechter geraamd worden op het bedrag voor die hulp verschuldigd, ook indien het slachtoffer op deze professionele betalende hulp geen beroep heeft gedaan of zal doen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Raming - Materiële schade - Professionnele betalende hulp Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Integrale vergoeding Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Begrip - Hulp van een derde Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling Vrije woorden: Raming - Materiële schade - Professionnele betalende hulp Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0305.N V. O.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- V. I., vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest,
- WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN, naamloze vennoot-schap, met zetel te 1000 Brussel, Kunstlaan 56, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van 1 december 2006, in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoordineerde Grondwet; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis van 1 december 2006 veroordeelt de eiser V.O. om voor de schadepost "hulp van derden" een vergoeding te betalen enerzijds van 1.035.081,60 euro en 150.161,74 euro en 3.113.648,00 euro met interesten aan de verweerster I.V., en anderzijds - bij bevestiging van het eerste vonnis - van 677.404,34 euro met interesten aan verweerster de NV Winterthur-Europe Verzekeringen. Het vonnis komt tot deze veroordelingen op grond van onder andere volgende overwegingen: - (p. 7, bovenaan) "
- Voorwerp van het hoger beroep van P.V.O. P. V.O. vraagt thans, in graad van beroep, dat het vonnis van 12 januari 2005 gedeeltelijk zou worden hervormd en dat: - een bedrag van 652.116, 80 euro (i.p.v. het door de eerste rechter toegekende bedrag van 677.404,34 euro) aan nv Winterthur-Europe Verzekeringen zou worden toegekend voor de post ‘hulp aan derden' - de door de eerste rechter aan I.V. toegekende ‘hulp van derden' (ten bedrage van 2.185.270,70 euro) zou worden afgewezen (subsidiair te herleiden tot 687.403, 67 euro); - (p. 8, onderaan, t.e.m. p. 14, bovenaan)
- Ten gronde Ten gronde ontmoet de Rechtbank de door P. V.O. , I.V. en nv Winterthur-Europe Verzekeringen ontwikkelde beroepsgrieven en argumenten als volgt: a. Vordering van I.V. - schadepost ‘hulp van derden' (door de eerste rechter toegekend bedrag = 2.185.270,70 euro in hoofdsom) De eerste rechter baseert zich op een globale kostprijs van 2.250,00 euro per maand per hulpverlener. Rekening houdend met de volgens hem noodzakelijke voltijdse inzet van 3 personen, geeft dit een kostprijs van 6.750,00 euro per maand. De eerste rechter weerhoudt verder 1 januari 2005 als zogenaamde ‘scharnierdatum' tussen de reeds geleden schade en de toekomstige schade. Derhalve wordt toegekend: - voor het verleden: 6.750, 00 euro x 122 maanden = 823.500, 00 euro; - voor de toekomst (d.w.z. tot het einde van de vermoedelijke fysiologische levensduur van I.V. en volgens de kapitalisatie formule ‘levenslange lijfrente - maandelijkse betalingen - 3 pct.' (Schryvers, De Betere Tafels 2002): 6.750,00 euro x 12 maanden x (25,395 - 11/12 van (25,395 - 25,155)) = 2.039.175,00 euro; - waarvan het door N.V. Winterthur-Europe Verzekeringen reeds ‘in wet' aan I.V. uitgekeerde bedrag van 677.404,34 euro in mindering te brengen; - hetzij in totaal nog 2.185.270,70 euro. P. V.O.verwijst naar het deskundig verslag dat een noodzakelijke hulp van derden weerhoudt gedurende 18,7 uur per dag, waarvan 30 minuten per dag 2 personen en voor een totaal van 18 uur per week gespecialiseerd personeel. Bij een evolutie naar een meer zelfstandige woonvorm moet volgens P. V.O. rekening worden gehouden met ongeveer 22 uur hulp van derden per dag. P. V.O .vestigt de aandacht op het feit dat I.V. in 2002 blijkbaar haar intrek heeft genomen in een eigen woning die zich naast de ouderlijke woning bevindt en voorzien is van alle nodige aanpassingen aan haar handicap. De te weerhouden hulp van derden bestaat volgens P. V.O. niet enkel uit persoonsgebonden hulp, maar ook uit hulp bij het huishouden. De hulp die de ouders van I.V. hebben verstrekt, komt volgens P. V.O.voor vergoeding in aanmerking, doch niet tegen dezelfde kostprijs als professionele hulp: er moet naar billijkheid worden geoordeeld. Volgens P. V.O.kan I.V. geen recht putten uit artikel 83 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten, aangezien de ‘ratio legis' van deze bepaling erin bestond de zogenaamde dubbele schatting aan banden te leggen en zodoende aan de benadeelde toe te laten zijn vermogen terug op te bouwen zoals het bestond vóór het schadegeval. Overigens bekomt I.V. volgens P. V.O. een pecuniair voordeel indien de hulp van haar ouders ex aequo et bono wordt vergoed, aangezien deze hulp in werkelijkheid kosteloos wordt verleend. Volgens P. V.O. is het niet bewezen dat de hulp die de ouders van I.V. hebben verstrekt, ten koste zou zijn gegaan van hun eigen carrière en gezondheid. Zelfs indien dit zo zou zijn, dan nog gaat het hier om een eigen schade in hoofde van de ouders van I.V.. P. V.O. vestigt verder de aandacht op het feit dat I.V. tot op heden nog geen enkel bedrag heeft uitbesteed aan hulp vanwege derden. De argumentatie dat I.V. geen beroep heeft gedaan op betalende hulp van derden omdat zij zich dit niet kon veroorloven, overtuigt P. V.O. niet. Indien het zo is dat I.V. hierdoor haar eigen schade heeft beperkt, dan bewijst dit volgens P. V.O. alleen maar dat de werkelijk door I.V. geleden schade inderdaad lager is dan hetgeen zij vordert en hetgeen de eerste rechter heeft toegekend. Volgens P. V.O. moet ervan uitgegaan worden dat de ouders van I.V., die tot op heden altijd hebben ingestaan voor haar verzorging, dit ook in de toekomst verder zullen blijven doen zolang dit voor hen haalbaar blijft. P. V.O. benadrukt tevens dat het aan I.V. toe te kennen bedrag een volledige vergoeding beoogt van de in haren hoofde toekomstige schade, zodat moet worden uitgesloten dat I.V. zich nog tot haar ziekenfonds zou wenden voor bijkomende tussenkomsten. Vandaar dat P. V.O. vordert dat in het vonnis zou worden bepaald dat I.V. tot vrijwaring van hemzelf en van zijn WAM-verzekeraar (nv Mercator Verzekeringen) gehouden is voor mogelijke aanspraken van haar ziekenfonds of andere sociaalrechtelijke instellingen (zoals bijvoorbeeld het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap). Volgens P. V.O. is er slechts gedurende 18 uur per week hulp door gespecialiseerd personeel vereist. De overige taken kunnen volgens hem uitbesteed worden via dienstencheques en via de PWA-dienstverlening. Er zijn ook nog periodes van ‘passieve hulp' die enkel bestaat uit toezicht. Voor deze periodes zijn er volgens P. V.O. diverse alarmsystemen op de markt. Minstens moet de vergoeding voor deze periodes verminderd worden. Er moet ook rekening gehouden worden met de schadebeperkingsplicht. P. V.O. argumenteert verder: - dat de hulp van derden, wat de periode van opname in het ziekenhuis en in het revalidatiecentrum betreft, reeds begrepen is in de voorgelegde facturen; - dat de hulp van derden voor de periode van 29 oktober 1994 tot heden, zijnde de periode waarin het de ouders van I.V. zijn geweest die haar hebben geholpen, naar billijkheid dient te worden vergoed op basis van 750,00 euro per maand; - dat voor de toekomst (tot en met 31 december 2015) een bedrag van 1.250,00 euro per maand kan worden toegekend, rekening houdend met de leeftijd van de ouders van I.V. en met andere onzekere factoren die de hulp van derden zouden kunnen beïnvloeden; - dat de hulp van de ouders vanaf 1 januari 2016 beperkt zal zijn en dat vanaf dan beroep zal moeten worden gedaan op niet-gespecialiseerde professionele hulp, waarvoor een bedrag van 2.000,00 euro per maand kan worden toegekend dat aan 3 pct. moet worden gekapitaliseerd gedurende 38 jaar (zijnde de vermoedelijke nog resterende levensduur van I.V. op 1 januari 2006) en mits actualisering van het bedrag op datum van het vonnis, aangezien dit dateert van 10 jaar vóór de datum waarop de vergoeding betaalbaar zal zijn. De aldus door P. V.O. berekende schadevergoeding uit hoofde van hulp van derden bedraagt 652.116, 80 euro. Hiervan dient nog het door nv Winterthur-Europe Verzekeringen uitgekeerde bedrag ‘in wet' van 677.404,34 euro te worden afgetrokken, zodat de vordering van I.V. op dit punt volgens P. V.O.als ongegrond dient te worden afgewezen. Subsidiair argumenteert P. V.O. dat de schadevergoeding moet worden begroot: - voor de periode van eind oktober 1994 tot eind november 2006 op basis van 2,7 uur per dag gespecialiseerde hulp aan 250,00 euro/week en op basis van 16 uur niet-gespecialiseerde hulp per dag aan 50,00 euro per dag en mits hiervan 20 pct. in mindering te brengen omdat de hulp niet door externen werd verleend; - voor de periode vanaf eind november 2006 tot het einde van de levensduur op basis van 2,5 uur gespecialiseerde hulp per dag aan 308,39 euro/week, op basis van 12,5 uur niet-gespecialiseerde actieve hulp per dag aan 4,69 euro/uur en op basis van 7 uur toezicht per dag aan 2,50 euro/uur; - hetzij na kapitalisatie aan 3 pct. van de toekomstige schade een totaal bedrag van 1.364.808,01 euro; - waarvan het door nv Winterthur-Europe Verzekeringen uitgekeerde bedrag ‘in wet' van 677.404,34 euro in mindering dient te worden gebracht, zodat het saldo van de vordering van I.V. op dit punt volgens P. V.O. nog 687.403,67 euro bedraagt. Uiterst subsidiair argumenteert P. V.O. dat, indien de Rechtbank de toekomstige schade zou opsplitsen in een periode tot de pensioenleeftijd en een periode vanaf de pensioenleeftijd, er toepassing moet worden gemaakt van het principe van de vervroegde betaling. I.V. vestigt vooreerst de aandacht op het feit dat zij alleen is gaan wonen en dat zij aldus een quasi constante behoefte aan bijstand van een derde heeft, waarvan minstens 30 minuten per dag zelfs van 2 personen en levenslang minstens 2,57 uur per dag van een verpleegkundige (zon- en feestdagen inbegrepen). Wat de hulp betreft die zij van haar familieleden ontvangt, argumenteert I.V. dat deze in ruime mate de normale hulp tussen familieleden overschrijdt. Zij verwijst naar arresten die op 30 november 1977 en 6 november 2001 werden uitgesproken door de Hof van Cassatie en naar andere zogenaamd ‘lagere' rechtspraak. Zij beroept zich ook op artikel 83 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst om te stellen dat het bedrag van de schadevergoeding niet mag verschillen naar gelang van het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken. Volgens I.V. bevestigt deze bepaling een algemeen beginsel van het gemene recht inzake aansprakelijkheid. Hulp van familieleden moet bijgevolg op dezelfde wijze worden vergoed als externe hulp. Volgens I.V. kan P. V.O. geen voordeel halen uit het feit dat zij beroep zou doen op familieleden om haar te helpen. Het was voor haar trouwens onmogelijk om beroep te doen op externe hulp, aangezien zij daarvoor niet voldoende fondsen beschikbaar had. I.V. vestigt de nadruk op het feit dat haar ouders thans reeds halverwege de zestig zijn en dat hun hulp voor de toekomst geenszins gegarandeerd is. Volgens I.V. zou P. V.O. haar trouwens hebben verweten haar schade niet te hebben beperkt indien zij van in den beginne exclusief beroep had gedaan op externe hulp. I.V. argumenteert verder dat haar mutualiteit rekening houdt met het feit dat er reeds tussenkomst is van de arbeidsongevallenverzekeraar en dat er bovendien geen zekerheid is dat haar mutualiteit nog verder zal willen tussenkomen. Er mag volgens haar geen rekening worden gehouden met onzekere elementen. De eerste rechter heeft volgens I.V. wel degelijk rekening gehouden met het feit dat zij tot 28 oktober 1994 ononderbroken in ziekenhuizen en revalidatiecentra heeft verbleven: er wordt immers maar gerekend vanaf 1 november
- Volgens I.V. heeft de eerste rechter op correcte wijze beslist dat er 3 personen nodig zijn om haar de voltijdse hulp (ongeveer 22 uur per dag) te geven die zij nodig heeft. Evenwel heeft de eerste rechter een volgens haar ontoereikende maandvergoeding in aanmerking genomen. Zij verwijst naar haar stuk nr. 9 dat een kostprijs van 850 frank/uur (= 21,07 euro/uur) vooropstelt. Aangezien de wetsverzekeraar maar tot op de datum van de pensioenleeftijd tussenkomt, moet de toekomstige schade volgens haar opgesplitst worden in een periode tot en met 31 januari 2036 en een periode vanaf 31 januari 2036 tot op de vermoedelijke datum van haar overlijden. Wat deze laatste periode betreft, meent I.V. dat het basisbedrag naar billijkheid moet worden opgetrokken tot 950 frank/uur (= 23,55 euro/uur). Als ‘scharnierdatum' weerhoudt I.V. in haar laatste conclusie finaal 27 januari
- Zodoende komt zij tot een totaal nog verschuldigd bedrag van 2.261.996,10 euro + 3.371.012,30 euro + 1.324.813,05 euro - 677.404,34 euro = 6.280.417,11 euro in hoofdsom (zie hoger). Uiterst ondergeschikt vraagt I.V. dat, naast de post ‘hulp van derden', hoe dan ook vergoeding zou worden toegekend om minstens bij herleiding de schade te ondervangen voor het verlies ingevolge het verlies van de economische waarde als huishoudster. De Rechtbank sluit zich aan bij de bevindingen van Dr. Luk Desmet op p. 14 van zijn eindverslag (bundel Mr. Vandeputte, stuk 3), waarin wordt gesteld: ‘De nood aan hulp van derden wordt in zeer belangrijke mate bepaald door het feit dat het hier om een vrouw gaat met een spastische tetraplegie met blaas- en sphincterproblemen. Zij heeft volgens de evaluatie een nood aan hulp van derden, die tussen 90 pct. en 100 pct. van alle mogelijke functies varieert. Volgens het huidige regime, waarin deze vrouw functioneert, is er een nood aan 18,7 uur hulp van derden, waarvan er minstens 30 minuten per dag 2 personen noodzakelijk zijn en waarvan er voor een totaal van 18 uur per week gespecialiseerd personeel noodzakelijk is. Het betreft hier een minimum. Er werd bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de mogelijkheid om vaker uit te gaan, op reis te gaan, ... Wanneer deze vrouw naar een meer zelfstandige woonvorm zou evolueren, dan moet gerekend worden met ongeveer 22 uur nood aan hulp van derden per dag. Deze vrouw woont thans nog thuis bij haar ouders, die vrijwel alle taken op zich nemen. Zij is echter nog erg jong en kan zeker de verwachting blijven koesteren om meer zelfstandig te gaan wonen. Het is ook waarschijnlijk dat een meer zelfstandige woonvorm zich op een zekere dag opdringt.' Naar het oordeel van de rechtbank moet aan I.V. dan ook een schadevergoeding worden toegekend die haar in staat stelt de diensten tegen betaling te bekomen: - van een huishoudster: (*) gedurende (18,7 uur/dag + 0,50 uur/dag) x 365 dagen / 12 maanden - (18 uur/week x 52 weken / 12 maanden) = 506 uur per maand in de periode van 29 oktober 1994 (einddatum verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentra) tot en met 31 augustus 2004 (door de Rechtbank bij gebrek aan concrete gegevens weerhouden datum voorafgaand aan begin zelfstandig wonen + cfr. conclusie neergelegd voor de politierechtbank op 6 september 2004 waarin voor het eerst sprake is van het feit dat I.V. alleen is gaan wonen); (*) gedurende (22 uur/dag) x 365 dagen / 12 maanden - (18 uur/week x 52 weken / 12 maanden) = 591,17 uur per maand vanaf 1 september 2004 tot haar vermoedelijke sterfdatum; - en daarenboven van gespecialiseerd personeel gedurende 18 uur/week x 52 weken / 12 maanden = 78 uur per maand vanaf 29 oktober 1994 tot haar vermoedelijke sterfdatum. Deze schade staat naar het oordeel van de rechtbank in oorzakelijk verband met de door P. V.O.begane fout. Een eenvoudige blik op de loonafspraken in de sector van het huispersoneel (CAO van 1 december 2005 afgesloten in het paritair comité nr. 323 - zie o. m. http://www.groups.be/1 24062.htm) toont aan dat het gemiddelde bruto-uurloon zich thans situeert rond 8,50 euro/uur (werkgeversbijdragen uitgezonderd). Inclusief werkgeversbijdragen, vakantiegeld en eindejaarspremie geeft dit een indicatief bedrag van ongeveer 13,75 euro per uur als vermoedelijke reële loonkost voor een huishoudster Hiermee rekening houdend, alsook met de in de toekomst nog te verwachten loonstijgingen voor huispersoneel in reële termen, begroot de Rechtbank de gemiddelde kost voor één uur huishoudelijke hulp naar billijkheid op 15,00 euro. Wat de diensten van het gespecialiseerde personeel betreft, is de Rechtbank van oordeel dat I.V. niet aantoont welke de meerprijs hiervan is of zal zijn in vergelijking met de kost voor ‘gewoon' huispersoneel, des te meer aangezien het hier naar alle waarschijnlijkheid over verzorging gaat waarvoor het ziekenfonds van I.V. gedeeltelijk tussenkomt of zal tussenkomen. Ook voor deze prestaties weerhoudt de rechtbank bijgevolg naar billijkheid een reële kostprijs van 15,00 euro per uur. Het is niet omdat I.V. beroep kan doen op zogenaamd ‘gratis' hulp van familieleden, vrienden, kennissen of vrijwilligers dat zij niet zou gerechtigd zijn op een gelijke vergoeding als in het geval waarin zij exclusief beroep zou doen op betalende hulp. Het beroep doen op ‘gratis' hulp is geen verplichting die op I.V. rust in het kader van het beginsel van het schadebeperkend handelen. Aangezien I.V. schade heeft geleden, heeft zij het recht op volledige vergoeding ervan en de wijze waarop zij deze schadevergoeding feitelijk aanwendt, is zonder belang voor de begroting ervan. De rechtbank weerhoudt drie periodes: - de periode van 29 oktober 1994 tot en met 31 augustus 2004; - de periode van 1 september 2004 tot en met de dag voorafgaand aan huidig vonnis; -de derde vanaf heden tot het vermoedelijke einde van de fysiologische levensduur van I.V., zijnde nog gedurende 49 jaar voor een vrouw die thans 35 à 36 jaar oud is (basis = Belgische sterfte- en kapitalisatietafels Schryvers 2004, http://users. pandora. be/J. Schryvers/tables/pdf/tables/Average Lifeti me.pdf, waarbij de Rechtbank de zogenaamde ‘mediaanlevensduur' in plaats van de ‘gemiddelde levensduur' in aanmerking neemt). Dit doet de rechtbank ertoe besluiten dat aan I.V. de hiernavolgende bedragen uit hoofde van ‘hulp van derden' toekomen voor het verleden en voor de toekomst: (*) Periode van 29 oktober 1994 tot en met 31 augustus 2004: - aantal dagen = 3594 - aantal maanden = 3594 /365 x 12 = 118,16 - vergoeding op basis van 506 uur + 78 uur = 584 uur/maand x 15,00 euro = 8.760,00 euro/maand x 118,16 maanden = 1.035.081,60 euro in hoofdsom + vergoedende rente vanaf 30 september 1999 (gemiddelde datum) tot en met 30 november 2006 + moratoire rente vanaf heden tot de dag der effectieve betaling (*) periode van 1 september 2004 tot en met 30 november 2006: - aantal dagen = 455 - aantal maanden = 455/365x12 = 14,96 - vergoeding op basis van 591,17 uur + 78 uur = 669,17 uur/maand x 15,00 euro = 10.037, 55 euro/maand x 14,96 maanden = 150.161, 74 euro in hoofdsom + vergoedende rente vanaf 16 oktober 2005 (gemiddelde datum) tot en met 30 november 2006 + moratoire rente vanaf heden tot de dag der effectieve betaling (*) periode van heden (1 december 2006) tot en met 30 november 2053 (vermoedelijk einde van de fysiologische levensduur): - maandelijks bedrag verschuldigd: 591,17 uur + 78 uur = 669,17 uur/maand x 15,00 euro = 10.037, 55 euro/maand - jaarlijks bedrag verschuldigd = 10.037,55 euro x 12 = 120.450,60 euro - Kapitalisatie aan 3 pct. gedurende 49 jaar (maandelijkse betalingen) = 120.450, 60 x 25,85 = 3.113.648,00 euro in hoofdsom (bron = Belgische sterfte- en kapitalisatietafels Schryvers 2004, http://users.pandora.be/J.Schryvers/tables/pdf/tables/Annuity certain.pdf). + moratoire rente vanaf heden tot de dag der effectieve betaling b. Vordering van nv Winterthur-Europe Verzekerinqen - schadepost ‘hulp van derden' (door de eerste rechter toeqekend bedrag = 677.404, 34 euro in hoofdsom) * De eerste rechter is de berekeningen van nv Winterthur-Europe Verzekeringen bijgetreden en weerhoudt de volgende bedragen: - uitbetaalde vergoedingen tot 31 december 2004: 113.448,97 euro - reserverings-kapitaal: 563.955,37 euro * P. V.O.vraagt dat een bedrag van slechts 652.116,80 euro aan nv Winterthur-Europe Verzekeringen zou worden toegekend voor de post ‘hulp aan derden'. * De rechtbank bevestigt op dit punt het bestreden vonnis, mede rekening houdend met hetgeen hierboven sub ‘a' werd beslist. P. V.O.weerlegt geenszins de uiteenzetting van nv Winterthur-Europe Verzekeringen in haar conclusie neergelegd voor de Politierechtbank op 6 oktober 2004 en de door nv Winterthur-Europe Verzekeringen neergelegde stukken, (...)" Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
- De eiser had in zijn "Beroepsconclusie" (p. 10, al. 3) en in zijn "Tweede beroepsconclusie" (p. 5) aangevoerd dat de schade van de verweerster I.V. ingevolge de hulp van derden beperkt was door de kosteloze hulp van haar ouders, wat zij impliciet doch zeker toegegeven had.
- Het vonnis dat erkent (p. 11, onderaan, en 12, bovenaan) dat de verweerster nood had aan hulp van derden, bevestigt noch ontkent dat de schade waarvoor de verweerster vergoeding vorderde, beperkt was door de hulp van haar ouders. Het vonnis antwoordt aldus niet op het aangeduid middel van de eiser betreffende de omvang van de schade (niet schadevergoeding) waarvoor de verweerster vergoeding vorderde. Het vonnis is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd en schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
- Het aangevochten vonnis slaat acht (p. 9) op de stelling van de eiser dat de hulp van derden in het verleden altijd door de ouders verstrekt werd en de ouders de hulp in de toekomst verder zullen blijven verlenen zolang dit voor hen haalbaar blijft. Het vonnis slaat tevens acht (p. 10, laatste al., en p. 11, al. 2) op de stelling van de verweerster Vermeulen dat zij de hulp van familieleden ontving, maar hun hulp voor de toekomst geenszins gegarandeerd is.
- Het vonnis duidt aan (p. 11, onderaan) hoeveel uren per dag gewone hulp en hoeveel uren per week gespecialiseerde hulp vereist is volgens het deskundigenonderzoek.
- Uit het vonnis kan echter niet opgemaakt worden of - naar het oordeel van de appelrechters - enerzijds, in het verleden alle hulp door de ouders verstrekt werd en, anderzijds, of in de toekomst de hulp niet meer, of nog wel of nog slechts gedeeltelijk door de ouders zal verstrekt worden.
- Het vonnis antwoordt aldus niet op de appelconclusies van de eiser waarin aangevoerd was dat bij de bepaling van de schadevergoeding overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek diende rekening gehouden te worden met de correcte feitelijke gegevens eigen aan de zaak en dat derhalve in onderhavige zaak diende rekening gehouden te worden met de concrete feiten, enerzijds, dat in het verleden de ouders alle hulp gratis verstrekt hadden en, anderzijds, dat zij dit in de toekomst ook nog zouden doen, weze het enkel nog gedeeltelijk (o.a. verzoekschrift tot hoger beroep p. 6 en 7 ; "Beroepsconclusie" p. 6, bovenaan, p. 8 voorlaatste al., p. 10 en p. 11 ; "Tweede beroepsconclusie" p. 4, p. 5 voorlaatste al.).
- Het vonnis overweegt wel (p. 12, onderaan) dat "I.V. beroep kan doen op zogenaamd ‘gratis' hulp van familieleden, vrienden, kennissen of vrijwilligers", maar preciseert niet of de verweerster - volgens de rechtbank - in het verleden steeds daadwerkelijk een beroep deed op de gratis hulp van familie en in de toekomst nog gratis hulp van familie zal krijgen. Het vonnis is derhalve wegens gebrek aan antwoord op het aangeduid middel van de eiser niet regelmatig gemotiveerd en schendt bijgevolg artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Derde onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het aangevochten vonnis is met een tegenstrijdigheid in de redengeving behept aangezien het, enerzijds, met de gerechtsdeskundige Dr. Luk Desmet van oordeel is dat de nood aan hulp van derden 18,7 uur (inwoning bij ouders) of ongeveer 22 uur (zelfstandiger wonen) per dag bedroeg "waarvan er voor een totaal van 18 uur per week gespecialiseerd personeel noodzakelijk is" (p. 11, onderaan, en p. 12, al. 1) en het derhalve van oordeel is dat de gespecialiseerde hulp inbegrepen was in de 18,7 of 22 uur per dag, en aangezien het, anderzijds, door de berekeningen op p. 12 en p. 13 [optelling], van oordeel is dat de nood aan gespecialiseerde hulp van derden (18 uur per week, zijnde 78 uur per maand) bestond bovenop de gewone hulp van derden (18,7 uur per dag of 506 uur per maand en 22 uur per dag of 591,17 uur per maand). Door te overwegen dat de gespecialiseerde hulp van 18 uur per week (78 uur per maand), enerzijds, inbegrepen was in de gewone hulp en, anderzijds, er bovenop kwam, is het vonnis met een tegenstrijdigheid in de motivering behept, is het bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Vierde onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
- Het aangevochten vonnis bepaalt voor de ganse periode van 29 oktober 1994 t.e.m. 30 november 2053 de gemiddelde kost voor één uur huishoudelijke hulp naar billijkheid op euro 15,00 en houdt hierbij rekening "met de in de toekomst nog te verwachten loonstijgingen voor huispersoneel in reële termen". Voor de toekomstige periode vanaf 1 december 2006 bepaalt het vonnis de vergoeding vervolgens aan de hand van de kapitalisatiemethode.
- Het vonnis dat aldus voor de ganse periode van 29 oktober 1994 t.e.m. 30 november 2053 een gemiddelde van 15,00 euro neemt omwille van de te verwachten loonstijgingen en dat de kapitalisatiemethode toepast, antwoordt niet op de "Beroepsconclusie" waarin de eiser aangevoerd had (p. 28, al. 4) dat de toegepaste kapitalisatiemethode reeds rekening hield met inflatie en indexwijzigingen, zodat impliciet ook de prijsaanpassingen daarin begrepen waren. Het vonnis antwoordt evenmin op de "Tweede beroepsconclusie" waarin de eiser op p. 13, midden, had aangevoerd: "Daarenboven is er geen noodzaak om vanaf 2036 het uurloon nog eens met 100 frank te verhogen gezien de kapitalisatiemethode reeds rekening houdt met inflatie". Het vonnis dat en loonstijgingen aanrekent én de kapitalisatiemethode toepast, is wegens gebrek aan antwoord op deze middelen niet regelmatig gemotiveerd en schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Vijfde onderdeel Schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
- De ingevolge een onrechtmatige daad getroffene heeft overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek recht op integrale vergoeding van zijn concrete schade, doch op niets meer.
- De vergoeding voor "hulp van derden" waarop de getroffene recht heeft, dient conform genoemde artikelen 1382 en 1383 bepaald te worden aan de hand van de concrete feitelijke gegevens inzake de hulp van derden.
- Indien de getroffene in het verleden alle hulp van derden die hij nodig had, gratis kreeg van familie, vrienden, kennissen of vrijwilligers, dan dient met dit concrete feit rekening gehouden te worden bij de bepaling van de vergoeding voor hulp van derden in de voorbije periode. Deze vergoeding kan aldus niet bepaald worden in functie van professionele hulp tegen betaling, op de enkele grond dat de getroffene in staat had moeten zijn de reeds verstrekte hulp tegen betaling te verkrijgen, precies omdat er in concreto gratis hulp verstrekt werd en geen professionele hulp waarvoor betaald diende te worden. Precies omdat de getroffene alle noodzakelijke hulp van derden in het verleden al gratis kreeg, moet hij niet meer in staat gesteld worden om diezelfde hulp nog eens tegen betaling te kunnen verkrijgen. Door de getroffene die alle noodzakelijke hulp van derden in het verleden al gratis kreeg, voor de voorbije periode een vergoeding voor hulp van derden toe te kennen berekend in functie van de kost van professionele hulp, op grond dat het irrelevant is hoe de getroffene de schadevergoeding feitelijk aanwendt, schendt het vonnis de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
- In zoverre het aangevochten vonnis vaststelt dat de verweerster Vermeulen in het verleden alle vereiste hulp van derden kosteloos kreeg van familie, kon het de vergoeding voor hulp van derden in het verleden niet wettig bepalen op basis van de kostprijs voor professionele hulp, enkel op grond dat de vergoeding de verweerster in staat moest stellen de hulp tegen betaling te verkrijgen en het irrelevant was hoe zij de schadevergoeding feitelijk aanwendde. Het vonnis is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Zesde onderdeel Schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek
- De ingevolge een onrechtmatige daad getroffene heeft overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek recht op integrale vergoeding van zijn concrete schade, doch op niets meer.
- De vergoeding voor "hulp van derden" waarop de getroffene recht heeft, dient conform genoemde artikelen 1382 en 1383 bepaald te worden aan de hand van de concrete feitelijke gegevens inzake de hulp van derden.
- Indien de getroffene de hulp van derden die hij ingevolge de onrechtmatige daad nodig heeft, in de toekomst geheel of gedeeltelijk krijgt van familie, vrienden, kennissen of vrijwilligers en dat gratis, dan dient met dit concrete feit rekening gehouden te worden bij de bepaling van de vergoeding voor hulp van derden in de toekomst. Deze vergoeding kan aldus in de regel niet bepaald worden in functie van professionele hulp tegen betaling op de enkele grond dat de getroffene in staat moet zijn de hulp van professionelen tegen betaling te verkrijgen, precies omdat er in concreto gratis hulp verstrekt zal worden en geen professionele hulp waarvoor betaald zal dienen te worden. Precies omdat de getroffene de noodzakelijke hulp van derden in de toekomst geheel of gedeeltelijk gratis zal krijgen, moet hij niet meer in staat gesteld worden om diezelfde hulp die hij in natura en gratis zal krijgen, nog eens tegen betaling te kunnen bekomen.
- Het aangevochten vonnis kon bijgevolg niet wettig oordelen (p. 12) dat de vergoeding voor "hulp van derden" de verweerster I.V. in staat moest stellen de diensten tegen betaling te verkrijgen en het irrelevant was dat zij de hulp gratis kreeg van familie, vrienden, kennissen of vrijwilligers. Door de vergoeding te bepalen in functie van professionele hulp tegen betaling, zonder te ontkennen dat verweerster Vermeulen de hulp van derden in de toekomst minstens nog gedeeltelijk in natura en gratis van haar familie zal ontvangen, kent het vonnis een vergoeding toe voor schade die in hoofde van verweerster Vermeulen niet geleden of niet vergoedbaar is. Het aangevochten vonnis is bijgevolg niet wettelijk verantwoord en schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Zevende onderdeel Schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
- Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek heeft de ingevolge een onrechtmatige daad getroffene recht op integrale vergoeding van de vastgestelde schade, doch op niets meer.
- Het aangevochten vonnis treedt de bevindingen bij (p. 11, onderaan, en 12, bovenaan) van deskundige Dr. Luk Desmet volgens wie verweerster Vermeulen per dag nood had aan 18,7 uur hulp van derden waarvan er minstens 30 minuten per dag 2 personen noodzakelijk zijn en waarvan er voor een totaal van 18 uur per week gespecialiseerd personeel noodzakelijk is. Volgens genoemde deskundige die het vonnis bijtrad, moest gerekend worden met ongeveer 22 uur nood aan hulp van derden per dag wanneer de verweerster Vermeulen naar een meer zelfstandige woonvorm overging.
- Het vonnis is aldus met de deskundige van oordeel dat de hulp van derden per dag nodig was tijdens ofwel 18,7 uur (inwoning bij ouders) ofwel ongeveer 22 uur (zelfstandiger wonen) en dat hierin begrepen was de nood aan gespecialiseerd personeel gedurende 18 uur per week.
- Het vonnis berekent daarna (p. 12) hoeveel uur per maand hulp van derden nodig was: met name, enerzijds, 506 uur per maand voor de periode waarin 18,7 uur per dag hulp van derden nodig was en, anderzijds, 591,17 uur per maand voor de periode waarin 22 uur per dag hulp van derden nodig was.
- Vervolgens (p. 12, midden) berekent het vonnis hoeveel uur per maand gespecialiseerde hulp van derden nodig was, met name 78 uur per maand.
- Het vonnis telt ten slotte (p. 13) de 78 uur per maand gespecialiseerde hulp op bij het aantal uren hulp per maand (resp. 506 uur en 591,17 uur) en komt zo tot enerzijds 584 uur per maand en 669,17 uur per maand.
- Aangezien het vonnis de 78 uur per maand gespecialiseerde hulp optelt bij de uren hulp per maand, kent het vonnis aan de verweerster een grotere vergoeding toe, met name voor 584 en 669,17 uur per maand, dan de vastgestelde schade, nl. ten belope van 506 en 591,17 uur per maand. Het vonnis is bijgevolg niet wettelijk verantwoord en schendt de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in genoemd artikel 1138; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het aangevochten vonnis van 1 december 2006 veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster I.V. als vergoeding voor "hulp van derden" van de bedragen van 1.035.081,60 euro en 150.161,74 euro en 3.113.648,00 euro met interesten zonder hiervan het bedrag van 677.404,34 euro in vermindering te brengen dat zij van de arbeidsongevallenverzekeraar, de verweerster de nv Winterthur-Europe Verzekeringen, voor "hulp van derden" kreeg of waarvoor deze verzekeraar een kapitaal vestigde. Het vonnis overweegt evenwel - (p. 7, midden) dat verweerster I.V. die incidenteel beroep instelde, vroeg om van de vergoeding voor hulp van derden "de tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar ten bedrage van 677.404,34 euro in mindering" te brengen; - (p. 9, regels 3 en 4) dat de eerste rechter van de vergoeding voor I.V. voor hulp van derden het door de nv Winterthur-Europe Verzekeringen reeds in wet aan I.V. uitgekeerde bedrag van 677.404,34 euro in mindering bracht; - (p. 10, midden) dat volgens de eiser de vordering van I.V. m.b.t. hulp van derden in hoofdorde ongegrond was omdat van de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden ten belope van 652.116,80 euro het door de nv Winterthur-Europe Verzekeringen uitgekeerde bedrag in wet van 677.404,34 euro diende te worden afgetrokken; - (p. 10, vierde laatste al.) dat volgens de stelling in subsidiaire orde van de eiser van de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden ten belope van 1.364.808,01 euro het door de nv Winterthur-Europe Verzekeringen uitgekeerde bedrag in wet van 677.404,34 euro diende in mindering gebracht te worden, zodat enkel nog een saldo van 687.403,67 euro verschuldigd was; - (p. 11, midden) dat I.V. komt "tot een totaal nog verschuldigd bedrag van 2.261.996,10 euro + 3.371.012,30 euro + 1.324.813,05 euro - 677.404,34 euro = 6.280.417,11 euro in hoofdsom". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
- De eiser P. V.O.had in zijn "Beroepsconclusie" aangevoerd (p. 14, nr. 11) dat om de schadevergoeding voor de post "hulp van derden" te bepalen waarop de verweerster I.V. jegens hem recht had, vooreerst de totale vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden diende bepaald te worden en vervolgens "op dit bedrag de door de arbeidsongevallenverzekeraar uitgekeerde bedragen en gevestigd kapitaal in mindering (dienden) te worden gebracht". De eiser had gepreciseerd (p. 17, midden) dat voor de tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar aldus een bedrag van 677.404,34 euro in mindering diende gebracht te worden.
- Het aangevochten vonnis van 1 december 2006 dat vaststelt dat partijen in hun conclusies het bedrag van 677.404,34 euro als tussenkomst van de arbeidsongevallen-verzekeraar aftrokken van de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden waarop de verweerster Vermeulen jegens de eiser recht had, slaat geen acht op deze gevorderde aftrek en legt niet uit waarom dit bedrag dat verweerster in wet kreeg, niet diende in mindering gebracht te worden. Het vonnis is aldus wegens gebrek aan antwoord op de "Beroepsconclusie" van de eiser niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
- Overeenkomstig artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter niet nalaten uitspraak te doen over één van de punten van de vordering.
- De eiser had in zijn "Beroepsconclusie" gevorderd dat het bedrag van 677.404,34 euro dat de arbeidsongevallenverzekeraar uitgekeerd en in kapitaal gevestigd had, afgetrokken werd van de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden die hij aan de verweerster Vermeulen verschuldigd was.
- Het vonnis laat na uitspraak te doen over deze gevorderde aftrek van het bedrag van 677.404,34 euro van de tussenkomst in wet van de arbeidsongevallenverzekeraar en schendt derhalve artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Derde onderdeel Schending van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.
- Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter een punt van de vordering dat niet van openbare orde of dwingend recht is en waarover partijen geen betwisting hadden, niet ambtshalve wijzigen. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging moet de rechter partijen minstens de gelegenheid bieden zich te verdedigen indien hij dergelijk punt van de vordering toch ambtshalve zou wijzigen.
- De eiser V.O.en de verweerster Vermeulen waren het erover eens dat van de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden waarop de verweerster jegens de eiser recht had, het bedrag van 677.404,34 euro van de tussenkomst van de arbeidsongevallen-verzekeraar diende afgetrokken te worden, zoals blijkt uit hun appelconclusies en uit het aangevochten vonnis (p. 7, midden ; p. 10, midden, en p. 11, midden).
- Het aangevochten vonnis bepaalt de vergoeding in gemeen recht voor hulp van derden op 1.035.081,60 euro + 150.161,74 euro + 3.113.648,00 euro en past de aftrek van 677.404,34 euro wegens tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar niet toe. Het vonnis beslist aldus ambtshalve om deze aftrek die niet van openbare orde of dwingend recht is en waarover partijen geen betwisting hadden, niet toe te passen. Het vonnis schendt derhalve het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek.
- De eiser werd niet de gelegenheid geboden zich te verdedigen tegen deze ambtshalve geweigerde aftrek van het bedrag van 677.404,34 euro waarover partijen geen betwisting hadden. Het vonnis schendt derhalve het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - de omstandigheid dat de eerste verweerster beroep kan doen op kosteloze hulp van familieleden, vrienden, kennissen of vrijwilligers, niet belet dat zij gerechtigd is aanspraak te maken op dezelfde vergoeding als in het geval waarin zij exclusief beroep zou doen op betalende hulp; - het beroep doen op kosteloze hulp geen verplichting is die op de eerste verweerster rust in het kader van het beginsel van het schadebeperkend handelen; - de eerste verweerster gerechtigd is op volledige schadeloosstelling; - de wijze waarop de eerste verweerster deze schadevergoeding feitelijk aanwendt zonder belang is voor de begroting ervan.
- Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen zoals weergegeven in randnummer
- De appelrechters, die aldus te kennen geven dat het voor de begroting van de schade geleden door de eerste verweerster onverschillig is of zij beroep doet op kosteloze dan wel op betalende hulp van derden, verwerpen en beantwoorden het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- De appelrechters brengen, voor de becijfering van het aantal uren per maand waarop de eerste verweerster gerechtigd is aanspraak te maken op hulp door niet gespecialiseerd personeel, het door de gerechtsdeskundige voorziene aantal uren gespecialiseerde hulp, namelijk 18 uren per week, in mindering, zodat de in het onderdeel aangevoerde tegenstrijdigheid berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - de vermoedelijke reële loonkost voor een huishoudster op datum van hun uitspraak 13,75 euro per uur bedraagt; - rekening houdende met de in de toekomst nog te verwachten loonstijgingen voor huispersoneel in reële termen, de gemiddelde kost voor één uur huishoudelijke hulp naar billijkheid wordt begroot op 15,00 euro per uur. De appelrechters geven aldus te kennen dat het uurloon voor huispersoneel, afgezien van de aanpassingen ervan ingevolge de inflatie en de evolutie van het indexcijfer, in de toekomst zal stijgen.
- Door aldus te oordelen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
- Diegene die door zijn fout aan een ander schade berokkent, is overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat inhoudt dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zou zijn gebleven indien de fout waarover hij zich beklaagt, niet was begaan. Het feit dat het slachtoffer van een ongeval genoodzaakt is beroep te doen op de hulp van een derde, levert op zich een materiële schade op, die overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, integraal moet worden vergoed door diegene die door zijn fout deze schade heeft veroorzaakt. In het geval het slachtoffer gerechtigd is beroep te doen op professionele betalende hulp, kan die materiële schade door de rechter geraamd worden op het bedrag voor die hulp verschuldigd, ook indien het slachtoffer op deze professionele betalende hulp geen beroep heeft gedaan.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de vergoeding voor hulp aan derden toegekend aan het slachtoffer van een ongeval niet kan worden bepaald op basis van de kostprijs voor professionele hulp, om de enkele reden dat het slachtoffer voor deze hulp kosteloos beroep deed op familieleden, kan niet worden aangenomen. Zesde onderdeel
- Het onderdeel dat eveneens ervan uit gaat dat de vergoeding voor hulp aan derden toegekend aan het slachtoffer van een ongeval niet kan worden bepaald op basis van de kostprijs voor betalende professionele hulp, om de enkele reden dat het slachtoffer voor deze hulp kosteloos beroep zal doen op familieleden, kan, zoals volgt uit het antwoord op het vijfde onderdeel, niet worden aangenomen. Zevende onderdeel
- Het middel is volledig afgeleid uit de in het derde onderdeel vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- De eiser heeft in zijn appelconclusie het verweer gevoerd dat in het onderdeel is weergegeven.
- Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het oordeelt over het verweer van de eiser ertoe strekkende de door de eerste verweerster van de arbeidsongevallen-verzekeraar ontvangen vergoeding van 677.404,34 euro in mindering te doen brengen op de aan de eerste verweerster toekomende vergoeding voor hulp van derden en het uitspraak doet nopens de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg zetelende te Ieper, zitting houdend in hoger beroep. De kosten zijn begroot op de som van 644,58 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij sub
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 20 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns E. Waûters R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.18 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090220.18 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20140325.11 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div