id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090224.10 Rolnummer: P.08.1617.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 439 - laatst gezien 2026-07-03 06:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling dient bij de regeling van de rechtspleging te oordelen over het in conclusie aangevoerde verweer van het verval van de strafvordering door verjaring; in zoverre de beoordeling van het bedoelde verval echter voorafgaandelijk een andere misdrijfomschrijving van de feiten door de appelrechters vereist dan deze waarvoor de raadkamer het bestaan van voldoende bezwaren onaantastbaar heeft vastgesteld, is dat verweer niet ontvankelijk
(1).
(1)Zie: Cass., 31 mei 2005, AR P.05.0536.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3, A.C., 2005, nr
- Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Regeling van de rechtspleging - Conclusie - Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd - Beoordeling die voorafgaandelijk een andere misdrijfomschrijving vereist Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 135, § 2 en 235bis, §§ 3, 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Kamer van inbeschuldigingstelling - Regeling van de rechtspleging - Conclusie - Middel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd - Beoordeling die voorafgaandelijk een andere misdrijfomschrijving vereist Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 135, § 2 en 235bis, §§ 3, 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1617.N A. R. W. E., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest oordeelt dat het hoger beroep niet ontvankelijk is in zoverre het is ingesteld tegen de beslissingen van de beroepen beschikking over het bestaan van voldoende bezwaren en de verwijzing van de eiser naar de correctionele recht-bank. Die beslissingen zijn geen eindbeslissingen en doen geen uitspraak in een der ge-vallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het tegen die beslissingen is gericht is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest onterecht zegt dat "uit de processtuk-ken blijkt dat [de eiser] voor de raadkamer [het] middel van verval van de straf-vordering door verjaring niet bij schriftelijke conclusie heeft opgeworpen. [De ei-ser] vorderde enkel dat na heromschrijving van de ten laste gelegde feiten, de zaak zou verwezen worden naar de politierechtbank".
- In zoverre de feiten door de strafrechter anders omschreven worden heeft dat niet noodzakelijkerwijze de verjaring van de strafvordering tot gevolg.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, impliceert aldus een louter ver-zoek tot herkwalificatie van de feiten door de raadkamer met verwijzing naar de politierechtbank niet zonder meer dat de verzoeker ook verweer voert betreffende het verval van de strafvordering door verjaring. Het onderdeel dat aanvoert dat de eiser met zijn verweer voor de eerste rechter "reeds impliciet een middel van verjaring in(riep)", mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de inverdenkinggestelde bij de regeling van de rechtspleging het verval van de strafvordering door verjaring "alsnog in hoger be-roep kan bepleiten, indien zulks ontstaan is na de debatten voor de raadkamer. Het feit dat de verjaring gebeurlijk volgt uit en dus afhankelijk is van een herkwa-lificatie der feiten (...) doet hieraan niets af".
- De kamer van inbeschuldigingstelling dient bij de regeling van de rechts-pleging te oordelen over het in een conclusie aangevoerde verweer van het verval van de strafvordering door verjaring. In zoverre de beoordeling van het bedoelde verval echter voorafgaandelijk een andere misdrijfomschrijving van de feiten door de appelrechters vereist dan deze waarvoor de raadkamer het bestaan van voldoende bezwaren onaantastbaar heeft vastgesteld, is dat verweer niet ontvankelijk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
- Voor het overige oordelen de appelrechters dat, in zoverre het verval van de strafvordering door verjaring voor hen wordt opgeworpen, "het middel (...) voor-afgaand een beoordeling vergt naar de eventuele heromschrijving van de ten laste gelegde feiten. Dit belangt de voldoende bezwaren aan waartoe de kamer van in-beschuldigingstelling te dezen niet is gehouden. Ten gevolge van de [beroepen] beschikking is [de eiser] definitief verwezen naar de correctionele rechtbank we-gens de hem ten laste gelegde feiten omschreven als wanbedrijven". Die beslissing is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 66,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 24 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090224.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div