id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090224.11 Rolnummer: P.08.1755.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 536 - laatst gezien 2026-07-03 00:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De onderzoeksrechter mag zijn gerechtelijk onderzoek niet uitbreiden naar andere feiten dan deze die zijn aangegeven in de akte van aanhangigmaking: hij moet de aanhangig gemaakte feiten volledig onderzoeken, daarvoor de nodige en aangewezen opsporingen doen en inlichtingen inwinnen en bij zijn verschillende onderzoeksverrichtingen rekening houden met alle feitelijke gegevens en gedragingen die van aard kunnen zijn het bewijs te leveren van de constitutieve elementen van het misdrijf dat het voorwerp van het onderzoek is; de omstandigheid dat aldus in de loop van een gerechtelijk onderzoek aan het licht kan komen dat de feiten, voorwerp van dat onderzoek, gepleegd zijn door middel van feitelijke gedragingen of handelingen die, op zichzelf beschouwd, ook een misdrijf kunnen opleveren, houdt als dusdanig niet in dat het onderzoek ambtshalve zou zijn uitgebreid tot andere feiten dan deze waarvoor de saisine bestaat
(1).
(1)Zie: A, DE NAUW, 'Het adiëren van de onderzoeksrechter', in Actuele problemen van strafrecht, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen, 1988, blz. 1 tot
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Gerechtelijk onderzoek - Omvang - Grens - Opdracht van de onderzoeksrechter - Feiten voorwerp van het onderzoek - Feiten gepleegd door middel van gedragingen of handelingen die op zich een misdrijf kunnen opleveren Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoek - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Saisine - Omvang - Opdracht van de onderzoeksrechter - Feiten voorwerp van het onderzoek - Feiten gepleegd door middel van gedragingen of handelingen die op zich een misdrijf kunnen opleveren Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 61, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1755.N
- J. P., beklaagde, met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout, met kan-toor te 2270 Herenthout, Markt 16, alwaar de eiser woonplaats kiest,
- E. E. K., beklaagde, eisers. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 6 oktober
- De eerste eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De tweede eiser voert geen middel aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 47, 55, 56, 61 en 64 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de beginselen inzake de saisine van de onderzoeksrechter: de appelrechters oordelen onterecht dat, met betrekking tot de telastlegging IV.D (valsheid in geschriften) waaraan zij de eiser schuldig ver-klaren, de onderzoeksrechter geen feiten heeft onderzocht waarvoor hij niet ge-vorderd was en dat de door de onderzoeksrechter bevolen rogatoire opdrachten naar Oostenrijk en Duitsland, volledig binnen de saisine van de onderzoeksrechter zijn gesteld. Eerste onderdeel
- De onderzoeksrechter mag zijn gerechtelijk onderzoek niet uitbreiden naar andere feiten dan deze die zijn aangegeven in de akte van aanhangigmaking. Hij moet de aanhangig gemaakte feiten volledig onderzoeken, daarvoor de nodige en aangewezen opsporingen doen en inlichtingen inwinnen en bij zijn verschillende onderzoeksverrichtingen rekening houden met alle feitelijke gegevens en gedra-gingen die van aard kunnen zijn het bewijs te leveren van de constitutieve elemen-ten van het misdrijf dat het voorwerp van het onderzoek is.
- De omstandigheid dat aldus in de loop van een gerechtelijk onderzoek aan het licht kan komen dat de feiten, voorwerp van dat onderzoek, gepleegd zijn door middel van feitelijke gedragingen of handelingen die, op zichzelf beschouwd, ook een misdrijf kunnen opleveren, houdt als dusdanig niet in dat het onderzoek ambtshalve zou zijn uitgebreid tot andere feiten dan deze waarvoor de saisine be-staat.
- Het louter aan het licht komen van die feitelijke gedragingen of handelingen belet het openbaar ministerie niet vrij te oordelen welk verder gevolg daaraan te geven is, desgevallend door middel van een uitbreidende vordering tot onderzoek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Een gerechtelijk onderzoek inzake witwassen met betrekking tot zaken die uit een misdrijf voortkomen zoals bedoeld in artikel 505 Strafwetboek, impliceert onder meer de opsporing van de herkomst, de aard, oorsprong, vindplaats, ver-vreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek be-doelde zaken. Dergelijk onderzoek over het bestaan van het misdrijf houdt als dusdanig niet in dat specifiek onderzoek wordt verricht naar de oorspronkelijke basismisdrijven waaruit de vermogensvoordelen van artikel 42, 3°, Strafwetboek voortkomen of enig ander misdrijf. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige verantwoorden de appelrechters met de redenen die het middel weergeeft, naar recht de beslissing dat "de onderzoeksrechter geen feiten heeft onderzocht waarvoor hij niet gevorderd was" en dat "rogatoire opdrachten volledig binnen de saisine van de onderzoeksrechter (gelast met een onderzoek naar witwas) zijn gesteld". In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Met de loutere vermelding van de algemene rechtsregel dat "de vordering van de procureur des Konings tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek ge-lezen in context met de erbij gevoegde stukken, bepaalt van welke feiten de onder-zoeksrechter is gevat", geven de appelrechters geen uitlegging, noch van de vor-dering van het openbaar ministerie van 23 september 2003, noch van de daarbij gevoegde processen-verbaal. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het arrest oordeelt dat bij het bekend worden van de resultaten van de roga-toire commissies het openbaar ministerie ervoor geopteerd heeft op 11 oktober 2004 alsnog een uitbreidende vordering te nemen wegens valsheid van facturen en dat zulks geen afbreuk doet aan de regelmatigheid van de saisine van de onder-zoeksrechter. Aldus beantwoorden de appelrechters eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 149 Grondwet, 6.2 EVRM, 42, 1°, en 505 Strafwetboek, zoals van toepassing voor de wijziging ervan door de wet van 10 mei 2007, evenals miskenning van het vermoeden van onschuld: de appelrechters verklaren de eiser ten onrechte schuldig aan het witwasmisdrijf en verklaren het aangekochte onroerend goed onterecht verbeurd. Eerste onderdeel
- Het gebruik van een gewijzigde vorm van dezelfde werkwoorden in de op-eenvolgende versies van de Nederlandse tekst van het toepasselijke artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek (oorspronkelijke tekst "omgezet of overgedragen te hebben", gewijzigd in "omzetten of overdragen", is een loutere aanpassing van de redactie, uitsluitend van de Nederlandse tekst, en heeft geen wijziging van de con-stitutieve bestanddelen van het misdrijf tot gevolg. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige verantwoorden de appelrechters die oordelen dat de be-doelde wijziging "de aard van de strafbare feiten niet [verandert]", hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Op grond van de redenen die het arrest vermeldt, oordelen de appelrechters dat "de facturen die zouden moeten aantonen dat de gelden op de Luxemburgse rekening een legale herkomst hebben, volkomen vals zijn" en dat dit "voldoende bewijs is dat alle gelden op de betreffende Luxemburgse rekening van illegale oorsprong zijn".
- Dat oordeel sluit uit dat de appelrechters nog verder antwoord dienden te geven op het bijkomend argument van de eiser gestoeld op onder meer het "tijds-argument" volgend uit de "concrete data van de vijf tijdens het strafonderzoek onderzochte facturen", vermits deze als volkomen vals werden beoordeeld. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- De strafrechter oordeelt in feite of een vermogensvoordeel waarop de bij-zondere verbeurdverklaring betrekking heeft, rechtstreeks uit een misdrijf is ver-kregen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel van de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige voert het onderdeel aan dat de waarde van het verbeurd-verklaarde onroerend goed gelegen aan de Meerseweg 18 te Hoogstraten, het be-drag van de witgewassen geldsommen waarvoor de eiser wordt veroordeeld, over-treft, zodat de verbeurdverklaring, die een straf is, minstens beperkt moest blijven tot beloop van de witgewassen geldsommen. In zoverre het onderdeel het Hof aldus verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre, voor het overige, de verbeurdverklaring van een onroerend goed waarvan de aankoopprijs betaald wordt met geldsommen die zo worden witge-wassen, beperkt dient te blijven tot beloop van de waarde van die witgewassen be-taling, blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de ap-pelrechters zeggen dat de waarde van het verbeurdverklaarde onroerend goed ho-ger zou liggen dan de voor de aankoop ervan aangewende gelden waarvan de cri-minele herkomst werd verdoezeld. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters beantwoorden eisers conclusie niet en miskennen de bewijskracht van vijf facturen. Eerste onderdeel
- Uit het antwoord op het in het tweede onderdeel van het tweede middel ver-geefs door de eiser aangevoerde verweer, volgt dat de appelrechters geen verder antwoord dienden te geven op het bijkomend verweer van de eiser gestoeld onder meer op "de concrete data van 4 van de 5 facturen", vermits die vijf tijdens het strafonderzoek onderzochte facturen als volkomen vals werden beoordeeld. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Door de feitenrechter als vals beoordeelde stukken hebben geen bewijs-waarde, wat inhoudt dat de rechter er geen gevolgen uit trekt en ze niet betrekt bij zijn besluitvorming. Het onderdeel dat miskenning van de bewijskracht aanvoert van de door de appel-rechters als volkomen vals beoordeelde vijf facturen kan niet tot cassatie leiden. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering tegen de beide ei-sers
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 104,15 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 24 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090224.11 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div