id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090227.4 Rolnummer: C.06.0161.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 438 - laatst gezien 2026-07-03 00:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht Tekst van de beslissing Nr. C.06.0161.N GROUP SCHREURS, naamloze vennootschap, met zetel te 3500 Hasselt, Gouverneur Verwilghensingel 38, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. MULTIMEDIA MAATSCHAPPIJ VAN DE AUTEURS VAN DE VISUELE KUNSTEN, (SOFAM), burgerlijke vennootschap in de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1030 Schaarbeek, Frans Courtenslaan 131, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. NAULAERTS Geert, advocaat, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de cvba Agribo, met kantoor te 2440 Geel, Diestseweg 155, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, hierna tevens "Auteurswet" genoemd. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 29 november 2005 verklaart de hoger beroepen en het incidenteel beroep deels gegrond, en veroordeelt de eiseres tot betaling, onder andere op volgende redenen: "17. Er wordt niet betwist dat Agribo, voor wiens product Cellu-min de doos werd ontworpen en het scenario werd geschreven, de opdrachtgeefster is van de reclamespots. Dit blijkt overigens uit de stukken. Zij is derhalve aansprakelijk voor het wederrechtelijk gebruik van het werk van de vennoten van Sofam. 18. Group Schreurs was sedert 1 mei 1996 de alleenverkoper voor België van het product Cellu-min, zodat zij het voordeel van deze publiciteit heeft genoten. In twee van de drie reclamespots werd zij bovendien als adverteerder genoemd, terwijl ook haar telefoonnummer werd vermeld. In haar conclusie erkent zij trouwens als adverteerder te zijn opgetreden. Tenslotte moet worden aangenomen dat zij van dit alles op de hoogte was en er niet op heeft gereageerd. Zij voert immers aan dat zij ervan kon uitgaan dat de spots probleemloos konden worden verdeeld of uitgezonden en niet vooraf moest nagaan of de auteursrechten werden gerespecteerd (zie verder randnummer 18 in fine). Dit impliceert dat ook zij verantwoordelijk is voor dit wederrechtelijk gebruik van het werk van de vennoten van Sofam. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de overeenkomst die Agribo op 25 juni 1996 met Group Schreurs heeft gesloten, en waarbij zij aan deze laatste de alleenverkoop voor haar product heeft toevertrouwd. Artikel 9 van dit contract houdt immers niet in dat alleen Agribo verantwoordelijk zou zijn voor de publiciteit. In ieder geval kan de inhoud van deze overeenkomst niet aan Sofam worden tegengeworpen. Dat de opdrachten van Agribo aan de heren Nuyens en Van Hoof en de betwistingen tussen hen aan de ondertekening van het contract van alleenverkoop voorafgaan, staat hier evenmin aan in de weg, aangezien Group Schreurs de adverteerder was van de aangevochten publiciteit en zij hiervan de voordelen heeft genoten. Dat zij niet de rechtstreekse opdrachtgever was en geen enkele contractuele relatie heeft met Sofam, RN.- ‘T Caroke en/of DVH. is evenmin relevant. Of zij de inbreuk al dan niet wetens en willens heeft gemaakt en al dan niet te goeder trouw was, is tenslotte niet terzake dienend om te beslissen of zij vergoedingsplichtig is. Zij roept dan ook ten onrechte in dat zij op grond van de met Agribo aangegane overeenkomst er redelijkerwijze van kon uitgaan dat de spots vrij van bijkomende betalingen konden worden verdeeld of uitgezonden en dat zij niet vooraf moest nagaan of Agribo de auteursrechten respecteerde. 19. Ingevolge deze onrechtmatige handelwijze van Agribo en Group Schreurs hebben RN.en zijn vennootschap ‘T Caroke en DVH. schade geleden. (...) Gelet op de samenloop van de inbreuken begaan door Agribo en Group Schreurs kunnen zij in solidum worden aangesproken door Sofam. 20. Aangezien uit de elementen van het dossier blijkt dat Agribo de opdrachtgeefster was van de reclamespots, moet de eis in vrijwaring van Group Schreurs worden ingewilligd tot beloop van drie vierden van de sommen, intresten en kosten die laatstgenoemde krachtens huidig arrest verschuldigd is aan Sofam". Grieven Eerste onderdeel In het bestreden arrest wordt door de appelrechters geoordeeld dat de eiseres (mede) aansprakelijk zou zijn voor de beweerde inbreuk op de auteursrechten van de vennoten van de eerste verweerster, en dit om de volgende redenen: - de eiseres zou, als alleenverkoper van het betreffende product, het voordeel van de gevoerde publiciteit hebben genoten; - zij werd in twee van de drie spots als adverteerder genoemd en zou bij conclusie erkend hebben als adverteerder te zijn opgetreden. Het hof van beroep oordeelt bovendien dat het niet relevant zou zijn voor de beoordeling van het geschil of de eiseres al dan niet wetens en willens een inbreuk zou hebben begaan, en evenmin of zij al dan niet te goeder trouw zou zijn geweest, aldus ingaand tegen de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie o.a. Cass. 2 november 1994, Thuin / Roba, Arr. Cass. 1994, 916; A.J.T. 1994-95, 274, noot I. Vernimme). Het argument van de eiseres, als zou zij bij het sluiten van haar overeenkomst met Agribo niet de verplichting hebben gehad om na te gaan of Agribo de auteursrechten had gerespecteerd, wordt van de hand gewezen. Dit geldt eveneens voor de argumentatie van de eiseres dat de opdrachten en het ontstaan van de betwistingen met de beweerde auteurs voorafgingen aan haar overeenkomst met Agribo, en dat de eiseres zelf geen enkel contact, laat staan contractuele band, met de beweerde auteurs heeft gehad. In het bestreden arrest wordt aldus geoordeeld dat de eiseres aansprakelijk zou zijn voor inbreuken op beweerde auteursrechten, louter en alleen omdat zij in de bewuste advertenties werd genoemd en/of er voordeel van zou hebben genoten. Het hof van beroep stelt daarbij niet vast dat aan de eiseres een eventuele eigen fout of nalatigheid zou kunnen worden verweten. Dit is in strijd met het aansprakelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk minstens een fout, onvoorzichtigheid of nalatigheid dient te worden weerhouden in hoofde van die partij(
- en)waarvan de rechter de aansprakelijkheid vaststelt. In casu hebben de appelrechters, door niet in hoofde van de eiseres zelf een inbreuk vast te stellen op artikel 1 van de Auteurswet, en door te stellen dat de eiseres aansprakelijk zou zijn voor de (beweerde) inbreuken op het auteursrecht, enkel omdat zij uit de beweerde inbreuken een voordeel zou halen en/of omdat zij in de kwestieuze publiciteit genoemd wordt, dan ook de bepalingen van de voormelde artikelen geschonden (schending van de artikelen 1382,1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek; schending van artikel 1 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten). Tweede onderdeel In haar samenvattende beroepsconclusie (p. 7-8) had de eiseres aangevoerd dat, zelfs in het kader van het foutbewijs van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, eerst diende te worden aangetoond dat er in haar hoofde een schending zou zijn geweest van artikel 1 van de Auteurswet. Zoals ook reeds blijkt uit het eerste onderdeel van dit middel, antwoordt het bestreden arrest hoegenaamd niet - noch met de hoger geciteerde overwegingen, noch met andere overwegingen - op het bovenstaande uitdrukkelijke middel dat de eiseres had laten gelden. De eiseres had hiermee nochtans een duidelijk en objectief gegeven aangevoerd waaruit een afzonderlijk middel werd afgeleid dat ook niet beantwoord of weerlegd werd door de andere, specifieke of algemene overwegingen van het bestreden arrest. Het hof heeft op dit punt zijn beslissing bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet; zie: Cass. 7 maart 1979, Arr. Cass. 1978-79, 796-799). Derde onderdeel De motivering van het bestreden arrest is aangetast door een feitelijke tegenstrijdigheid, nu het hof van beroep enerzijds letterlijk stelt dat de cvba Agribo "de opdrachtgeefster is van de reclamespots" (randnummer 17), en anderzijds op pagina 15 van het bestreden arrest (randnummer 18) dat de eiseres zou hebben erkend als adverteerder - en dus opdrachtgever - te zijn opgetreden, op grond waarvan dan tevens haar aansprakelijkheid wordt weerhouden (zie eerste onderdeel). Door deze tegenstrijdigheid is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Vierde onderdeel De eiseres had op pagina 6 van haar samenvattende appelconclusie expliciet aangevoerd dat, onder andere uit de orderbevestigingen betreffende de kwestieuze advertenties waarop enkel Agribo vermeld wordt, blijkt dat de reclamecampagne - en dus het gebruik van het materiaal dat door eerste verweerster als inbreuk wordt gezien - louter en alleen door de cvba Agribo gebeurde. Ook op dit uitdrukkelijke middel werd door de appelrechters geen antwoord gegeven, noch in de hoger geciteerde overwegingen, noch in de andere, specifieke of algemene overwegingen van het bestreden arrest. Bijgevolg is de bestreden beslissing ook op dit punt niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 74 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 29 november 2005 verklaart de hoger beroepen en het incidenteel beroep deels gegrond, en veroordeelt de eiseres tot betaling, onder andere om de volgende redenen: "12. Sofam is een vennootschap voor het beheer van auteursrechten, die overeenkomstig artikel 67 van de Auteurswet van 30 juni 1994 bij ministerieel besluit van 1 september 1995 werd erkend om haar activiteiten op het Belgische grondgebied uit te oefenen. De bvba ‘T Caroke, vennootschap gecontroleerd door R.N., en DVH.zijn als vennoten aangesloten bij Sofam. Bij hun toetreding hebben zij krachtens artikel 10 van de statuten van deze laatste al hun vermogensrechten en naburige rechten, waarvan zij, ten welke titel ook, rechthebbende waren voor hun vroegere, huidige en toekomstige werken, overgedragen aan Sofam. Krachtens hetzelfde artikel hebben deze vennoten haar tevens mandaat gegeven om hun auteursrechten, met inbegrip van hun morele rechten, op deze werken te beheren. Sofam beschikt derhalve over de vereiste hoedanigheid om in hun naam in rechte op te treden en betaling te vorderen van reproductierechten, alsook van schadevergoeding wegens de schending van hun materiële en morele rechten. 13. Het voorschrift van artikel 74 van de Auteurswet staat er niet aan in de weg dat, zowel het auteurschap van een creatie, als de inbreuk op auteursrechten kunnen worden bewezen door alle middelen van recht". Grieven Luidens artikel 74 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (B.S. 27 juli 1994, err. B.S. 5 november 1994, err. B.S. 22 november 1994) kan het bewijs van een opvoering, uitvoering, reproductie of enige andere exploitatie, alsook het bewijs van een onjuiste verklaring over de opgevoerde, uitgevoerde of gereproduceerde werken of over de ontvangsten "niet alleen door de processen-verbaal van de officieren of de agenten van de gerechtelijke politie worden geleverd, maar ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of tot het tegendeel bewezen is van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die erkend is door de minister bevoegd voor het auteursrecht en beëdigd is overeenkomstig artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek". De eiseres had in haar samenvattende beroepsconclusie (p. 7) in ondergeschikte orde - voor zover het hof van beroep zou oordelen dat eiseres als opdrachtgeefster van de kwestieuze publiciteit zou moeten worden aangemerkt, quod non - aangevoerd dat de eerste verweerster hiervan geen bewijzen voorbracht die te catalogeren zijn onder de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 74 van Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten ("Auteurswet"). In het bestreden arrest wordt terecht beslist dat de eerste verweerster de vereiste hoedanigheid en belang heeft om in rechte op te treden met betrekking tot de beweerde auteursrechten van haar vennoten (de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek; zie ook Cass. 26 april 2001, A.R. C.99.0116.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010426.4, Arr. Cass. 2001, afl. 4, 726, R.W. 2002-2003, afl. 2, 61). In de bestreden beslissing houden de appelrechters echter géén rekening met het feit dat de bepalingen van het voormelde artikel 74 van de Auteurswet een limitatieve opsomming inhouden van de bewijsmiddelen die kunnen worden aangewend om een inbreuk op de auteursrechten aan te tonen. Integendeel gaat het hof van beroep er, ten onrechte, van uit dat alle bewijsmiddelen zouden toegelaten zijn om een dergelijke inbreuk aan te tonen, en stelt het niet vast dat de eerste verweerster haar vordering staaft met één van de, limitatief bepaalde, wettelijke bewijsmiddelen. Dit vormt een duidelijke schending van voormelde wetsbepaling. Door te stellen dat de beweerde inbreuken op de auteursrechten van de vennoten van de eerste verweerster "kunnen worden bewezen door alle middelen van recht", en door niet vast te stellen dat de aan de eiseres verweten inbreuk op de auteursrechten bewezen moet worden geacht op basis van bewijsmiddelen behorend tot één of meer van de in de wet limitatief bepaalde categorieën, schendt het bestreden arrest de bepalingen van artikel 74 van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, en is het niet naar recht verantwoord. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. De appelrechters oordelen dat de eiseres ook verantwoordelijk is voor het wederrechtellijk gebruik van het werk van de vennoten van de verweerster op grond van de redenen uiteengezet in de randnummers 16 en 18 van het arrest. 2. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de appelrechters in hoofde van de eiseres geen inbreuk op de Auteurswet hebben vastgesteld die een fout uitmaakt in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 3. Het arrest verwerpt en beantwoordt het in het onderdeel bedoelde verweer met de redenen vermeld in de randnummers 16 en 18 van het arrest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 4. Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat een firma opdrachtgeefster is van reclamespots terwijl een andere als adverteerder in deze reclamespots wordt genoemd en dus die reclamespots in zijn voordeel gebruikt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 5. Het bestreden arrest verwerpt en beantwoordt het bedoelde verweer door te oordelen dat de eiseres "ook verantwoordelijk is voor dit wederrechtelijk gebruik" daar zij als adverteerder is opgetreden en zodoende de werken in haar voordeel heeft gebruikt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel 6. Artikel 74 van de Auteurswet bepaalt dat het bewijs van een opvoering, uitvoering, reproductie of enige andere exploitatie, alsook het bewijs van een onjuiste verklaring over de opgevoerde, uitgevoerde of gereproduceerde werken of over de ontvangsten niet alleen door de processen-verbaal van de officieren of de agenten van de gerechtelijke politie kan worden geleverd, maar ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of, tot het tegendeel bewezen is, van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die erkend is door de minister, bevoegd voor het auteursrecht, en beëdigd is overeenkomstig artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze wetsbepaling verleent enkel bijzondere bewijswaarde aan de vaststellingen gedaan door de personen die het uitdrukkelijk vermeldt, maar sluit niet uit dat de andere in het gemeen recht bepaalde bewijsmiddelen eveneens kunnen aangewend worden. 7. Het middel dat ervan uitgaat dat dit artikel een limitatieve opsomming geeft van de bewijsmiddelen van een inbreuk op de Auteurswet, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 856,36 euro jegens de eisende partij en op de som van 182,12 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 27 februari 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090227.4 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010426.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090227.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div