← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090302.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090302.6 Rolnummer: C.08.0469.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 558 - laatst gezien 2026-07-03 00:28 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Buiten het geval van de tussenvordering tot vrijwaring, is de tussenvordering, die een veroordeling beoogt, die niet afhangt van de veroordeling waartoe de hoofdvordering strekt, hoewel zij daarmee samenhangt, geen ondergeschikte vordering, zodat zulke tussenvordering als hoofdvordering kan blijven bestaan, als de gedinginleidende hoofdvordering niet ontvankelijk of niet gegrond wordt verklaard

(1).
(1)Zie Cass., 11 maart 1991, AR 9001, A.C., 1990-1991, nr 361. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Algemeen Vrije woorden: Tussenvordering - Tussenvordering die een veroordeling beoogt - Verband met de hoofdvordering - Onontvankelijkheid van de hoofdvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15 en 16, tweede lid Thesaurus CAS: TUSSENKOMST UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Algemeen Vrije woorden: Vordering tussen reeds in het geding betrokken partijen - Tussenvordering - Tussenvordering die een veroordeling beoogt - Verband met de hoofdvordering - Onontvankelijkheid van de hoofdvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 15 en 16, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0469.N H.G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen Q.J., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 juni 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 februari 2009 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 12, 13, 15, 16, tweede lid, 17, 18 en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De appelrechters verklaren de door de verweerder tegen de eiser ingestelde vordering gegrond, en derhalve impliciet doch zeker ontvankelijk, zonder evenwel de redenen aan te geven op grond waarvan zij tot de ontvankelijkheid van de vordering besluiten. Grieven Eerste onderdeel De eiser voerde in zijn verzoekschrift strekkende tot hoger beroep en in zijn beroepsbesluiten van 7 december 2007 aan dat de vordering die de verweerder tegen de eiser instelde niet ontvankelijk was. De eiser voerde aan dat de gedinginleidende dagvaarding van de verweerder uitsluitend gericht was tegen Interpolis Luxembourg en dat in deze dagvaarding Interpolis Luxembourg werd aangesproken als werkgever van de eiser. De eiser voerde verder aan dat de vordering van Interpolis Luxembourg tegen de eiser enkel strekte tot vrijwaring voor elke veroordeling die Interpolis Luxembourg zou kunnen oplopen. De eiser voerde aan dat ingevolge de dading afgesloten tussen de verweerder en Interpolis Luxembourg de vordering tot vrijwaring zonder voorwerp was geworden, zodat ook de tussenvordering die de verweerder tegen de eiser instelde niet ontvankelijk was, en wel in volgende bewoordingen: "I. De gedinginleidende dagvaarding van (de verweerder) was uitsluitend gericht tegen Interpolis Luxembourg waarbij meerdere eigen tekortkomingen aan deze laatste werden verweten en waarbij Interpolis Luxembourg werd aangesproken als werkgever van (de eiser). Hierop gaat Interpolis Luxembourg over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van (de eiser). De chronologie van de gedinginleidende dagvaarding, de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en conclusie inhoudende tussenvordering opzichtens (de eiser) (17, 18 en 19 oktober 2005) toont ontegensprekelijk aan dat dit in samenspraak tussen (de verweerder) en Interpolis Luxembourg geschiedde. De vordering van Interpolis Luxembourg opzichtens (de eiser), in zijn hoedanigheid van bestuurder, werd ontoelaatbaar verklaard daar er geen machtiging werd verleend door de algemene vergadering der aandeelhouders tot het instellen van de actio mandati. De vordering van Interpolis Luxembourg opzichtens (de eiser), in zijn hoedanigheid van werknemer, werd ontoelaatbaar verklaard wegens de ingetreden verjaring. Daar Interpolis Luxembourg dit voorzag werd gedurende de procedure een dading afgesloten met (de verweerder), waarna werd gesteld dat beide partijen voortaan een zelfstandige vordering instelden opzichtens (de eiser). Evenwel is (
  1. de)opzichtens (de eiser) ingestelde vordering een vordering tot gedwongen tussenkomst, dewelke ertoe strekte hem te horen veroordelen tot vrijwaring van Interpolis Luxembourg voor elke veroordeling uitgesproken tegen Interpolis Luxembourg op vordering van (de verweerder). Derhalve is de vordering tot tussenkomst door de tussengekomen dading zonder voorwerp geworden. Teneinde de juiste draagwijdte van de dading en de rechtsgevolgen te kunnen beoordelen verzocht (de eiser) herhaaldelijk om mededeling van deze dading. Ondanks deze verzoeken werd zij nooit medegedeeld zodanig dat dit verzoek in graad van beroep, en nu opzichtens (de verweerder) wordt gericht met verzoek aan het (hof van beroep), om de overlegging hiervan te bevelen. Immers, (de eiser) kan zich beroepen op het bestaan van deze dading als zijnde een feit (bijvoorbeeld Antwerpen, 1 juni 1994, N.F.M., 1995, afl. 3, 11, met noot Vanhalewyn C.)". (blz. 3 en 4 van het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep van de eiser met datum 14 mei 2007) "A. Het principaal hoger beroep De eerste rechter verklaarde de vordering van (de verweerder) toelaatbaar en gegrond waarbij (de eiser) werd veroordeeld tot betaling van EUR 3.000.000, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 15 december 2003 tot 19 oktober 2005, waarna de gerechtelijke intresten. De vorderingen van Interpolis Luxembourg werden ontoelaatbaar verklaard. (De eiser) stelde beperkt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis inzoverre dit de vordering van (de verweerder) ontvankelijk en gegrond verklaarde. 1. In beroepsbesluiten gaat (de verweerder) niet meer in op een argument van (de eiser), ontwikkeld in graad van eerste aanleg, meer bepaald dat eerstgenoemde niet de hoedanigheid (heeft) om deze vordering in te stellen daar de betreffende gelden afkomstig zijn van Quellhorst Minderhout SA. Evenwel wordt dit middel van (de eiser) in graad van beroep bevestigd. Eerst nu wordt door Interpolis Luxembourg een document (stuk 12.7) bijgebracht waarin wordt verwezen naar de dadingsovereenkomst (het is nog altijd niet de dadingsovereenkomst). In dit document wordt verwezen naar de dading waarbij Interpolis Luxembourg het bedrag van 1.850.000,00 euro betaalt en wordt als begunstigde van deze betaling vermeld: Quellhorst Minderhout SA. Dit strookt volledig met de stelling van (de eiser) waar deze de vraag stelde of (de verweerder) wel de vereiste hoedanigheid heeft om deze vordering in te stellen, daar de gelden in de betreffende polissen werden ter beschikking gesteld door de SA Quellhorst Minderhout, welke Luxemburgse vennootschap tot stand kwam met behulp van een initiële kapitaalstorting van 4.500.000 euro van Interpolis NV, de moedermaatschappij van Interpolis Luxembourg. Het blijkt dan ook, in graad van beroep, dat de betreffende vordering enkel kan worden gesteld door SA Quellhorst Minderhout zodat de vordering van (de verweerder) ontoelaatbaar dient verklaard. Minstens dient (de verweerder) - dan wel Interpolis Luxembourg - te worden bevolen de dadingsovereenkomst voor te leggen. Het schrijven dat wordt geproduceerd als stuk 12.7 met datum 1 maart 2006 is namelijk niet de overeenkomst zelve, dewelke als datum 7 maart 2006 draagt. Teneinde onder meer de toelaatbaarheid van de vordering van (de verweerder) te kunnen beoordelen is het onontbeerlijk te beschikken over deze overeenkomst. 2. Hieraan onlosmakelijk verbonden is de vaststelling dat (de eiser) optrad als bestuurder van Quellhorst Minderhout SA. In de gedinginleidende dagvaarding wordt (de eiser) enkel vermeld in zijn hoedanigheid van werknemer van Interpolis Luxembourg daar waar (de eiser) tegelijkertijd bestuurder is van de uiteindelijke eigenaar van de betreffende gelden (zie supra: de begunstigde van de dading). De - zakelijke relatie - tussen (de verweerder) en (de eiser) is derhalve tweeërlei: enerzijds trad (de eiser) op als werknemer van Interpolis Luxembourg, anderzijds als bestuurder van Quellhorst Minderhout. (De verweerder) kan derhalve (de eiser) niet aanspreken op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Bijgevolg is deze vordering onontvankelijk en minstens ongegrond. 3. (De verweerder) stelde een voorwaardelijke vordering in opzichtens (de eiser): indien zou blijken dat (de eiser) (mede)aansprakelijk is dient deze solidair met Interpolis te worden veroordeeld. In graad van eerste aanleg betoogde (de eiser) dat door de dading en de afstand van wederzijdse vorderingen Interpolis Luxembourg nooit aansprakelijk zal worden gesteld zodat (de eiser) bijgevolg niet solidair kan worden veroordeeld. Evenwel stelde (de verweerder) een tussenvordering in opzichtens (de verweerder) (lees: de eiser), beperkt tot de schade berokkend door één welbepaald feit, met name de niet terugbetaling van 3 miljoen euro. Hieraan werd door (de eiser) in graad van eerste aanleg het middel verbonden dat de vordering van (de verweerder) als ongegrond voorkomt daar in de gedinginleidende akte, punt II.2, (de verweerder) verduidelijkt dat zijn vordering wordt gericht tegen de werkgever, dewelke aansprakelijk wordt gehouden voor fouten van de ondergeschikte, toegebracht aan derden. (De eiser), als werknemer, geniet hierbij de immuniteit van art. 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet. In beroepsbesluiten repliceert (de verweerder) dat zijn vordering een zelfstandige, autonome vordering is ter vergoeding van de schade geleden door een onrechtmatige daad. Nochtans argumenteert (de verweerder) eerder dat (de eiser) het gevorderde bedrag dient te betalen op grond van een overeenkomst tot terugbetaling dewelke wordt afgeleid uit het document van 26 maart 2002. Evenwel kan de vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in casu niet worden ingesteld gelet op het verbod van samenloop van contractuele en buitencontractuele vorderingen. (De verweerder) houdt immers voor dat er tussen partijen hetzij een leningsovereenkomst werd gesloten, hetzij een lastgevingsovereenkomst (beleggingsopdracht), hieraan toevoegend dat het onderscheid zonder belang is. Beide rechtsverhoudingen zijn evenwel van contractuele aard. Ook op basis van dit argument is de vordering van (de verweerder) onontvankelijk, minstens ongegrond". (blz. 2-4 van de beroepsbesluiten ingediend door de eiser ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 7 december 2007) De appelrechters laten na dit verweermiddel te beantwoorden en schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 12 van het Gerechtelijk Wetboek is elke vordering een inleidende vordering of een tussenvordering. Een tussenvordering is iedere vordering die in de loop van het rechtsgeding wordt ingesteld en ertoe strekt, hetzij de oorspronkelijke vordering te wijzigen of nieuwe vorderingen tussen de partijen in te stellen, hetzij personen die nog niet in het geding zijn geroepen, erin te betrekken (artikel 13 van het Gerechtelijk Wetboek). Tussenkomst is een rechtspleging waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe, hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen, hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen (artikel 15 van het Gerechtelijk Wetboek). Deze tussenkomst is gedwongen wanneer de derde in de loop van de rechtspleging gedagvaard wordt door één of meer partijen (artikel 16, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Overeenkomstig artikel 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt gedwongen tussenkomst bij dagvaarding. Tussen de partijen in het geding kan zij worden aangebracht bij gewone conclusies. Uit artikel 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de wetgever met ‘vordering tot tussenkomst' niet enkel bedoelde de vordering waarbij een derde in het geding wordt betrokken, maar eveneens de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd. Uit de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, die bepalen dat de rechts-vordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen reeds verkregen en dadelijk belang heeft om ze in te dienen, gelezen in samenhang met bovenvermelde artikelen 15 en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd slechts kan worden toegelaten indien er een zekere samenhang bestaat tussen de hoofdvordering en de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd. Uit het vereiste dat er een zekere samenhang moet bestaan tussen de hoofdvordering en de tussenvordering waarbij tussen reeds in het geding zijnde partijen een procesverhouding wordt gecreëerd, vloeit verder voort dat voormelde tussenvordering niet ontvankelijk is, indien de hoofdvordering die het formuleren van de tussenvordering heeft mogelijk gemaakt, niet ontvankelijk is. Terzake blijkt uit het bestreden arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de verweerder bij exploot van 17 oktober 2005 Interpolis Luxembourg S.A. liet dagvaarden tot betaling van 7.570.000 euro. Bij exploot van 18 oktober 2005 liet Interpolis Luxemburg S.A. de eiser dagvaarden in tussenkomst en vrijwaring. Bij conclusie van 19 oktober 2005 stelde de verweerder vervolgens een tussenvordering in tegen de eiser tot terugbetaling van het aan hem gestorte bedrag van 3.000.000 euro. Het bestreden arrest verklaart de vordering van Interpolis Luxemburg S.A. tegen de eiser niet ontvankelijk. De niet-ontvankelijkheid van de vordering waarbij de eiser door Interpolis in het geding werd betrokken heeft tot gevolg dat de tussenvordering die de verweerder tegen de eiser instelde eveneens niet ontvankelijk is. Door niettemin de vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond te verklaren, hoewel de vordering waarbij de eiser in het geding betrokken werd niet ontvankelijk was, schenden de appelrechters de artikelen 12, 13, 15, 16, tweede lid, 17, 18 en 813, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het arrest beantwoordt het in het onderdeel bedoelde verweer met de redenen dat: - de bankrekening waarvan dit bedrag (3.000.000 euro) werd afgeboekt wel degelijk op naam staat van de verweerder zelf en niet op naam van een vennootschap; aldus bewijst de verweerder dat de gelden afkomstig zijn van hem zelf en is het verweer van de eiser ter zake ongegrond; - uit de voormelde bankverrichtingen evenzeer blijkt dat de gelden aan de eiser persoonlijk werden bezorgd en niet aan Interpolis; uit niets blijkt dat Interpolis iets te maken zou hebben gehad met deze transactie zodat de eiser zich niet kan beroepen op de tussen de verweerder en Interpolis afgesloten dading; - het beroepen vonnis vaststelt dat het geschil tussen de verweerder en Interpolis beëindigd werd door het afsluiten van een dading; - de verweerder tegen de eiser een autonome tussenvordering heeft ingesteld tot betaling van 3.000.000 euro met interest en het ter zake om een lastgeving gaat waarbij de eiser in gebreke blijft verantwoording af te leggen, op grond waarvan de ook op contractuele basis gestoelde vordering van de verweerder wordt toegekend. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 2. Buiten het geval van de tussenvordering tot vrijwaring, is de tussenvordering, die een veroordeling beoogt, die niet afhangt van de veroordeling waartoe de hoofdvordering strekt, hoewel zij daarmee samenhangt, geen ondergeschikte vordering. Zulke tussenvordering kan als hoofdvordering blijven bestaan, als de gedinginleidende hoofdvordering niet ontvankelijk of niet gegrond wordt verklaard. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 872,12 euro jegens de eisende partij en op de som van 172,00 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 2 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns E. Stassijns E. Waûters R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090302.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120308.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.