id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.9 Rolnummer: P.08.1451.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 668 - laatst gezien 2026-07-03 00:27 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090303.9 Fiche 1 Het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of een wanbedrijf zodat het wordt uitgevoerd, ook al wordt het uiteindelijk niet zo uitgevoerd, kan een daad van strafbare deelneming zijn zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Beoordeling van administratieve sanctie - Beoordeling van misdrijf - Beoordelingsbevoegdheid Fiches 4 - 6 Conclusie van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Materieel mogelijk maken van voorgenomen misdrijf Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Sluikinvoer - Niet onder schorsingregeling geplaatste goederen - Verschuldigdheid van de accijns Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Accijnzen - Algemeen Vrije woorden: Beoordeling van administratieve sanctie - Beoordeling van misdrijf - Beoordelingsbevoegdheid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1451.N I EDJA INVEST bvba, met zetel te 2060 Antwerpen, Klamperstraat 5, civielrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie. II M B V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ine Talpe, advocaat bij de balie te Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, Kattendijkdokstraat-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 4 september 2008. De beide eisers voeren elk in memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee mid-delen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiseres I 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek en van de artikelen 220, § 1, 221, § 2, 265 (in zijn huidige versie) en 266, § 1, AWDA: het bestreden arrest stelt enkel vast dat de beklaagde E.V., in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eiseres, een opslagruimte voor de sigaretten zonder fiscale bandjes heeft verhuurd waarin die sigaretten evenwel nooit werden opgeslagen; bij gebrek aan vaststelling dat de genoemde beklaagde, in zijn hoeda-nigheid van zaakvoerder van de eiseres, wetens en willens een deelnemingshande-ling aan sluikinvoer heeft gesteld, kon deze laatste niet wettig als civielrechtelijk en hoofdelijk aansprakelijke voor de vermelde beklaagde worden veroordeeld. 2. Uit de overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de beklaagde E. V. de sluikinvoer mogelijk heeft gemaakt door bewust in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eiseres een opslagruimte te verhuren, afgezien ervan dat die sigaretten nooit in die opslagruimte werden opge-slagen. Anders dan het middel aanvoert, kan het materieel mogelijk maken van een voor-genomen misdaad of een wanbedrijf zodat het wordt uitgevoerd, ook al wordt het uiteindelijk niet zo uitgevoerd, een daad van strafbare deelneming zijn zoals om-schreven in artikel 66 Strafwetboek. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres I 3. Het middel voert schending aan van artikel 2 Burgerlijk Wetboek, artikel 266, § 1, AWDA en de artikelen 6 en 42 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het ver-keer daarvan en de controles daarop (verder: Wet Accijnsproducten), zoals van kracht vóór en na de wijziging bij de programmawet van 22 december 2003, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de niet-terugwerkende kracht van een wet. Eerste onderdeel 4. Het onderdeel stelt dat bij sluikinvoer, als onregelmatige invoer van accijns-producten, krachtens artikel 6 Wet Accijnsproducten, de accijnsschuld niet defini-tief verschuldigd en, meer nog, niet opeisbaar is zolang het misdrijf niet is bewe-zen, zodat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat de accijnsschuld is ont-staan op het ogenblik dat de sigaretten op onregelmatige wijze werden binnenge-bracht, namelijk op 12 november 1999, dus vóór de inwerkingtreding van de wij-zigende programmawet van 22 december 2003. 5. Artikel 6 Wet Accijnsproducten bepaalt: "De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van tekorten die aan accijns moeten worden onderworpen overeenkomstig artikel 14, § 3. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief zijn deze van kracht op de datum van de inverbruikstelling of van de vaststelling van tekorten. Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd: - iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, van deze producten aan een schorsingsregeling; - iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze,van deze producten buiten een schorsingsregeling; - elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer ze niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst." 6. Aldus is bij sluikinvoer van goederen die niet onder een schorsingregeling werden geplaatst, accijns verschuldigd op het ogenblik zelf van die sluikinvoer. De omstandigheid dat de sluikinvoer slechts achteraf wordt vastgesteld, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel stelt dat wanneer goederen "niet in het economisch circuit te-rechtkomen", onder meer omdat ze in beslag genomen zijn en naderhand verbeurd verklaard worden, er geen sprake meer kan zijn van het bestaan van accijnsschuld. Voor zover evenwel de verbeurdverklaring onder de gelding van het oude artikel 42 Wet Accijnsproducten er toch niet aan in de weg stond dat, bovenop de straf-fen, een veroordeling tot betaling van de accijns werd uitgesproken, verzoekt het onderdeel de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leg-gen: "Schenden de artikelen 6 en 42 van de Wet van 10 juni 1997, zoals van kracht vóór de wijziging bij de Programmawet van 22 december 2003 en gelezen in samenhang met artikel 266, § 1 van de AWDA, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate zij verplichten om de veroordeelde wegens sluikinvoer van sigaretten en de voor hem burgerrechtelijk aanspra-kelijke partij, bovenop de strafrechtelijke sancties, te veroordelen tot beta-ling van de op de sigaretten verschuldigde accijns, ook wanneer die sigaret-ten in beslag werden genomen en verbeurdverklaard, terwijl de douane-schulden die overeenkomstig artikel 202.1 van het CDW wegens diezelfde sluikinvoer van sigaretten ontstaan, krachtens artikel 233, lid 1,
- d)van het CDW geacht worden teniet te gaan door de inbeslagneming en verbeurd-verklaring van de betrokken sigaretten en overeenkomstig lid 2 van hetzelf-de artikel 233 enkel nog als basis kunnen dienen voor de betaling van de strafrechtelijke sancties, maar niet voor een bijkomende veroordeling tot betaling van de douaneschulden?" 8. Overeenkomstig artikel 6 Wet Accijnsproducten worden de sluiks ingevoer-de goederen, die zoals hier niet onder een schorsingregeling werden geplaatst, in verbruik gesteld en ontstaat de accijnsschuld op het ogenblik van de invoer zelf. Het al of niet "in het economisch circuit terechtkomen" doet daarbij niet ter zake. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. 9. Voor het overige legt het onderdeel niet uit waarom hier douaneschulden waarop de geciteerde bepalingen van het CDW toepasselijk zijn, juridisch verge-lijkbaar moeten zijn met accijnsschulden waarop die bepalingen niet toepasselijk zijn. Het onderdeel is in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk zodat er ook geen grond is tot het stellen van een prejudiciële vraag. Eerste middel van de eiser II 10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden ar-rest hervormt het beroepen vonnis op grond van de motivering dat het uitstel van de uitvoering tot betaling van de verschuldigde accijnzen, specifieke accijnzen en specifieke bijzondere accijnzen, ten onrechte was, terwijl de rechter verplicht is de juiste en afdoende motivering te geven in zijn beslissing. 11. Het bestreden arrest zet de redenen uiteen waarom wettelijk geen uitstel kan worden verleend voor de veroordeling tot het betalen van de verschuldigde accijn-zen, specifieke accijnzen en specifieke bijzondere accijnzen. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II 12. Het middel voert schending aan van het recht van verdediging, conform ar-tikel 6 EVRM, van de Probatiewet en van de wetgeving op de douane en accijn-zen: de rechter heeft volle rechtsmacht over de omvang van de op te leggen boete "zodat het arrest derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed en de rechten van verdediging, zowel als motiveringsverplichting in het algemeen en in het bij-zonder in artikel 149 van de Grondwet schendt". 13. De rechter die de oplegging van een administratieve sanctie beoordeelt, heeft volle rechtsmacht om deze in feite en in rechte te toetsen. Bovendien heeft hij dezelfde bevoegdheid als deze die de administratieve overheid ten aanzien van die sanctie heeft, om deze kwijt te schelden of te verminderen. De rechter die een misdrijf beoordeelt moet in beginsel de bij de wet bepaalde straffen opleggen, zulks binnen de grenzen die de wet bepaalt. In zoverre het middel deze rechtsregelen door elkaar haalt, faalt het naar recht. 14. De appelrechters vermelden dat ze geen verzachtende omstandigheden ten gunste van de eiser bemerken maar wel rekening houden met het overschrijden van de redelijke termijn. Wegens het feit dat de eiser nog niet werd veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maan-den, veroordelen de appelrechters hem dan tot een gevangenisstraf van een maand met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van twee jaar en tot een geldboete gelijk aan vijfmaal de ontdoken invoerrechten, accijnzen, specifieke ac-cijnzen en specifieke bijzondere accijnzen, en tot een vervangende gevangenis-straf van drie maanden, eveneens met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van twee jaar. Hiermede leggen de appelrechters de eiser overeenkomstig artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts de helft van het minimum van de in artikel 39 Wet Accijnsproducten bepaalde gevangenisstraf en de helft van de in die bepaling gestelde geldboete op, waarvoor ze hem dan nog uitstel verlenen. 15. Uit geen van de overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat de appel-rechters zich bij de beoordeling van de aan de eiser op te leggen strafrechtelijke sancties enige rechtsmacht ontzeggen die zij rechtens hebben. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 115,34 euro, waarvan op het cassatieberoep I 26,17 euro verschuldigd is en 30 euro betaald en op het cassatieberoep II 59,17 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 3 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090303.9 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090303.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div