← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090306.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090306.3 Rolnummer: C.07.0451.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-07-03 00:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De door de echtgenoten, die besloten zijn tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, overeengekomen regeling met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis B.W. voor het geval een van hen zou komen te overlijden voor het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken, die is vastgesteld in de voorafgaande regelingsakte, kan geen uitwerking hebben indien de procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming op het ogenblik van het overlijden van een van de echtgenoten niet is ingeleid door de neerlegging van een verzoekschrift. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming Vrije woorden: Echtscheiding door onderlinge toestemming - Rechten van de langstlevende echtgenoot - Regelingsakte - Overlijden voor de neerlegging van het verzoekschrift Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 745bis, 915bis en 1130 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1287, derde lid, en 1288bis Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Echtscheiding door onderlinge toestemming Vrije woorden: Echtscheiding door onderlinge toestemming - Rechten van de langstlevende echtgenoot - Regelingsakte - Overlijden voor de neerlegging van het verzoekschrift Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 745bis, 915bis en 1130 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1287, derde lid, en 1288bis Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0451.N

  1. V. T. C.,
  2. V. T. A.,
  3. V. T. G.,
  4. V. T. D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen D. B. V., vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 mei 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De eiser C.V.T. heeft een persoonlijk ondertekend stuk gestuurd aan de Pro¬cureur-generaal bij het Hof, dat door deze werd ontvangen op 1 oktober 2008 en dat hij bij het gerechtsdossier heeft laten voegen. De eiser C.V.T. stelt in een aangetekende brief van 5 februari 2009 een "verzoek tot instellen van een valsheidsvordering wegens het misleiden van het gerecht" en een "verzoek op te treden van ambtswege". Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1287, derde lid en 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 915bis, §3, 1134, 1156, 1317, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eisers hadden voor het hof van beroep aangevoerd dat de ondertekening van de regelingsakte voorafgaand aan het neerleggen van het verzoekschrift echtscheiding door onderlinge toestemming het aanvangspunt van de regeling inzake overlevingsrechten vormt, op grond van de wet en op grond van de wil van de partijen (cf. p. 3-10 van de "syntheseconclusie in graad van beroep" van de eisers). Het hof van beroep beoordeelde deze grief als volgt: "Samen met de eerste rechter is het hof echter van oordeel dat hetgeen de partijen in de regelingsakte voorafgaand aan de procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming, zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot (artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek) en diens reserve (artikel 915bis van het Burgerlijk Wetboek) voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden vóór de overschrijving van het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken, geen onmiddellijke uitwerking krijgt op het ogenblik van de ondertekening ervan". Het hof overwoog daartoe dat: "a. De regelingsakte en de familiaalrechtelijke overeenkomst welke de partijen, die door onderlinge toestemming uit de echt willen scheiden, voorafgaandelijk sluiten, bestaan niet op zichzelf, maar vinden hun bestaansreden louter in de rechtspleging tot echtscheiding door onderlinge toestemming alsmede in de daaropvolgende door onderlinge toestemming tot stand gekomen echtscheiding. Daarenboven wordt de rechtspleging inzake echtscheiding met onderlinge toestemming slechts aangevat op de datum van de neerlegging ter griffie van het in artikel 1288bis, van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld verzoekschrift (...). Uit de omstandigheid dat aan de grondvereisten inzake echtscheiding door onderlinge toestemming vervat in de artikelen 275 en 276 van het Burgerlijk Wetboek, slechts moet voldaan zijn op de datum van het neerleggen ter griffie van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, (zie immers artikel 1297 en 1298 van het Gerechtelijk Wetboek) volgt trouwens dat de voorafgaande overeenkomsten die in het kader van de echtscheidingsprocedure geoorloofd dan wel verplicht zijn, ook slechts vanaf dat tijdstip uitwerking krijgen. b. Daarenboven bepaalt het in arikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, uitdrukkelijk dat de bindende kracht van de voorafgaande overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming vervalt van zodra van de procedure afstand wordt gedaan. A fortiori kan dan ook enkel worden besloten dat de in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bedoelde overeenkomsten betreffende het erfrecht en de reserve van de langstlevende echtgenoot naar de wil van de wetgever steeds onder de opschortende voorwaarden van het opstarten van de procedure worden aangegaan en derhalve slechts uitwerking krijgen op het ogenblik van de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, bedoelde verzoekschrift. De (eisers) kunnen dan ook geenszins worden bijgetreden waar zij beweren dat de desbetreffende regeling inzake overlevingsrechten overeenkomstig de ‘letter van de wet' onmiddellijk uitwerking zou moeten krijgen. c. De (eisers) roepen herhaaldelijk de duidelijke wil van de partijen in om hun overeenkomsten in de regelingsakte onmiddellijke uitwerking te doen hebben. De eisers wijzen er immers op dat de (verweerster) door de ondertekening van de regelingsakte, waarvan ook de clausule met betrekking tot de overlevingsrechten onderdeel uitmaakte, zelf aanvaard heeft dat haar rechten als langstlevende echtgenote onmiddellijke uitwerking hebben, behoudens in het geval van een andersluidende conventionele of wettelijke bepaling. Vooreerst negeert een dergelijke zienswijze volledig de betekenis en de draagwijdte van het hiervoor aangehaald artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Daarenboven wordt hierbij door de (eisers) uit het oog verloren dat het uitdrukken van de wilsautonomie van de echtgenoten inzake erfrecht zoniet wordt uitgesloten, dan toch strikt wordt gereglementeerd, aangezien een persoon de devolutie van zijn toekomstige nalatenschap in beginsel slechts zal kunnen wijzigen door het uitdrukken van zijn wil in vormelijke akten, behoudens bij de door de wet voorziene uitzonderingen. De omstandigheid dat artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een uitzondering uitmaakt op het verbod op erfrechtovereenkomsten te treffen in de zin van artikel 1130, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, belet niet dat een dergelijke uitzondering op de basisbeginselen van het erfrecht - die toch de openbare orde raken - steeds restrictief moet worden geïnterpreteerd, op gevaar af om een zekere manipulatie van het erfrecht en van de reserve mogelijk te maken. De anders luidende argumentatie van de (eisers), gesteund door een deel van de rechtsleer, kan derhalve niet worden bijgetreden. ln die omstandigheden is alleszins uitgesloten dat de partijen in een regelingsakte, voorafgaand aan een procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming, zonder de door de wet strikt bepaalde vormelijkheid in acht te moeten nemen, de devolutie van hun nalatenschap reeds ingrijpend zouden kunnen wijzigen voor een tijdsspanne die voorafgaat aan de neerlegging ter griffie van het in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld verzoekschrift. De zinsnede in artikel 915bis, §3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: ‘...indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, tot stand hebben gebracht' doelt, gelet op de beperkte wilsautonomie van de partijen terzake en in overeenstemming met het artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, noodzakelijkerwijze niet alleen op de materiële verwezenlijking van de overeenkomst, maar ook als noodzakelijke geldigheidsvereiste op de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld verzoekschrift. Het door de (eisers) ingeroepen ‘hiaat' in de ontervingsmogelijkheden van de langstlevende echtgenoot is dan trouwens onbestaande. d. Ten onrechte blijven de (eisers) betwisten dat de regelingsakte van 26 november 1998 enkel kan worden beschouwd als een louter buitengerechtelijke pleegvorm die geen deel uitmaakt van de gerechtelijke procedure inzake echtscheiding door onderlinge toestemming, en welke derhalve als dusdanig geen enkel juridische effect sorteert. De louter feitelijke omstandigheid dat de (verweerster), al dan niet in overeenstemming met de afspraken omtrent de goederen gemaakt in de regelingsakte van 26 november 1998, zich volgens de (eisers) reeds bepaalde gelden en goederen van de huwgemeenschap had toegeëigend, betekent geenszins dat hetgeen de (verweerster) en wijlen B. F. V. T. toen zijn overeengekomen, om te voldoen aan de vereisten van artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, directe uitwerking verkreeg. Het hof (van beroep) wijst er dienaangaande immers opnieuw op dat ingevolge artikel 1287, derde lid, juncto artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de tussen de (verweerster) en wijlen B.V.T. in de akte van 26 november 1998 tot stand gekomen regeling met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, geen uitwerking kon krijgen aangezien er zich tussen hen geen door onderlinge toestemming tot stand gekomen echtscheiding heeft gerealiseerd". Grieven
  5. Eerste onderdeel Schending van de artikelen 1287, lid 3 en lid 4, van het Gerechtelijk Wetboek juncto artikel 915bis, §3, van het Burgerlijk Wetboek. 1.
  6. In onderhavig geval hadden eisers voor het hof van beroep aangevoerd dat de overeenkomst opgenomen in de regelingsakte tussen partijen ex artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek, wel degelijk onmiddellijk rechtsgeldig uitvoerbaar was op grond van de wettelijke bepalingen ter zake vanaf het ogenblik van de geldige totstandkoming ervan, om volgende samengevatte redenen: - het is onmogelijk dat de wetgever als aanvangstermijn van de regeling inzake overlevingsrechten (artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek,) slechts de eerste verschijning van de partijen voor de rechtbank bedoeld had, nu deze stelling ertoe zou leiden dat een partij, die met toepassing van artikel 915bis, §3, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, ervoor zou gekozen hebben de echtgenoot elk erfrecht te ontnemen, in een juridisch vacuüm zou terechtkomen wanneer de echtgenoten, na opmaak van dergelijk testament na verloop van zes maanden feitelijke scheiding, vervolgens besluiten om over te gaan tot een echtscheiding door onderlinge toestemming doordat, zodra zij de in dat kader verplichte voorafgaande regelingsakte zouden hebben totstandgebracht, een ontervend testament niet meer mogelijk is omdat vanaf het ogenblik van de ondertekening de regelingsakte geldt krachtens artikel 915bis, §3, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek; - de motivering voor deze bepaling in hoofde van de wetgever kan enkel geweest zijn dat in voorkomend geval partijen terugvallen op de overeenkomst die hen vanaf het ogenblik van de totstandkoming ervan rechtens bindt; - onder "totstandkoming van de overeenkomst" kan niet worden begrepen de eerste verschijning voor de rechter; - de wetgever vermeldt in artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek, nergens het aanvangstijdstip van de regeling, noch dat de regeling beperkt zou blijven tot de situatie gedurende de eigenlijke echtscheidingsprocedure. 1.
  7. Luidens artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek, moeten partijen voorafgaand aan de procedure echtscheiding door onderlinge toestemming in een regelingsakte onder meer beslissen over het lot van de wederzijdse erfrechten in elkaars vermogen voor het geval één van hen komt te overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken. Lid 4 van voormeld artikel bepaalt dat indien afstand wordt gedaan van de procedure echtscheiding door onderlinge toestemming deze overeenkomst geen gevolg meer heeft. Deze overeenkomst is onmiddellijk geldig toepasselijk, aangezien in andersluidend geval dergelijke overeenkomst de wettelijke uitzondering op het verbod van erfovereenkomsten zou verruimen en derhalve grond zou opleveren voor de ambtshalve weigering door de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken. Dit is niet het geval. Artikel 915bis, §3, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat echtgenoten elkaar de wederzijdse aanspraken inzake wettelijk erfrecht en reserve kunnen ontnemen bij testament. Hiertoe dient de erflater op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden feitelijk gescheiden te leven van diens echtgenoot en bij een gerechtelijke akte afzonderlijke woonst hebben gevorderd. Lid 2 van voormeld artikel bepaalt dat deze bepaling niet meer van toepassing is indien de echtgenoten de in artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek, bedoelde overeenkomst hebben tot stand gebracht. Vanaf het ogenblik dat de overeenkomst ex artikel 1287, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek, is tot stand gebracht is deze overeenkomst dus geldend tussen partijen en primeert zij boven alle voorgaande regelingen. De wetgever heeft uitdrukkelijk de situatie geregeld waarbij echtgenoten elkaar de erfrechten in elkaars vermogen reeds willen ontzeggen vooraleer de echtscheiding door onderlinge toestemming definitief is geworden. De wetgever heeft deze regeling niet beperkt tot de situatie waarbij een van de echtgenoten overlijdt nadat de gerechtelijke procedure van echtscheiding door onderlinge toestemming reeds is gestart (hiertoe zou de wetgever bepaald dienen te hebben: "tijdens de procedure"). De wetgever heeft, tenzij impliciet in artikel 915bis, §3, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, niet het ogenblik bepaald vanaf wanneer de regelingsakte uitwerking krijgt. Wel heeft de wetgever het ogenblik bepaald waarop de overeenkomst omtrent het wettelijk erfrecht en de reserve ophoudt te bestaan. Met name is dat het geval op het ogenblik waarop partijen afstand doen van de procedure tot echtscheiding door onderlinge toestemming. Uit dit eindpunt volgt evenwel niet dat de procedure reeds moet zijn gestart. Het gaat dus niet om een opschortende voorwaarde. In voorkomend geval heeft de afstand van procedure slechts een ontbindende werking op de overeenkomst, waarbij de ontbinding van rechtswege plaatsvindt zodra de geviseerde afstand van procedure zich heeft voorgedaan. 1.
  8. Het bestreden arrest dat oordeelt "dat hetgeen de partijen in de regelingsakte voorafgaand aan de procedure tot echtscheiding met onderlinge toestemming zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot (artikel 745bis van het Burgerlijk Wetboek) en diens reserve (artikel 915bis, van het Burgerlijk Wetboek) voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden vóór de overschrijving van het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken, geen onmiddellijke uitwerking krijgt op het ogenblik van de ondertekening ervan" (p. 4 arrest) schendt aldus artikel 1287, lid 3 en 4, van het Gerechtelijk Wetboek. Inzoverre het bestreden arrest oordeelt dat "totstandkoming" in de zin van artikel 915bis, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek, doelt: "gelet op de beperkte wilsautonomie van de partijen ter zake en in overeenstemming met het artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, noodzakelijkerwijze niet alleen op de materiële verwezenlijking van de overeenkomst, maar ook als noodzakelijke geldigheidsvereiste op de neerlegging ter griffie van de rechtbank van het in artikel 1288bis, van het Gerechtelijk Wetboek, bedoeld verzoekschrift" (arrest, p. 6), schendt het eveneens artikel 915bis, §3, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek.
  9. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1134 en 1156 van het Burgerlijk Wetboek. 2.1 De eisers hadden in hun beroepsconclusie voorgehouden dat de overeenkomst neergelegd in de regelingsakte onmiddellijk uitvoerbaar is op grond van de wil van de partijen, op grond van volgende overwegingen, samengevat: "- nu de wet kennelijk zwijgt over het aanvangspunt van de regeling inzake overlevingsrechten, had de eerste rechter de overeenkomst conform artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek, dienen te interpreteren overeenkomstig de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen en diende de regeling dienaangaande, neergelegd in de regelingsakte vermelde bepalingen (‘draagwijdte en uitwerking'), 7 (‘overlevingsrechten') en ‘slot' van de E.O.T-akte onmiddellijk uitwerking dienen te krijgen; - alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan strekken degenen die deze hebben aangegaan tot wet voor zover geen wilsgebreken kunnen worden aangetoond (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek); - partijen voorzagen in hun overeenkomst, in afwijking van artikel 1304 van het Gerechtelijk Wetboek, zelf in de onmiddellijke toepassing van de regeling inzake overlevingsrechten; - uit o.a. de gedragingen van de tegenpartij met name de toeëigening van een pleziervaartuig dat in eigendom toebehoorde aan de huwelijksgemeenschap volgt dat, de partij die de geldige uitvoering van de overeenkomst betwist, zélf erkend heeft dat de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de verdeling van de bestaande huwelijksgemeenschap zoals neergelegd in de regelingsakte voor de notaris, onmiddellijk geldig uitvoerbaar is. De spontane uitvoering van een overeenkomst door een partij kan aangevoerd worden als buitengerechtelijk bewijs (pleegvorm) van diens erkenning van het bestaan ervan". 2.2 Overeenkomsten die wettig zijn aangegaan strekken partijen tot wet. Op de enkele grond dat de rechtsopvolgers van een echtgenoot die is overleden, de uitvoering van de overeenkomst neergelegd in de regelingsakte voorafgaand aan een procedure echtscheiding onderlinge toestemming vorderen, kan de rechter niet wettig oordelen dat het niet aanhangig maken van de gerechtelijke procedure door de echtgenoten, wegens het overlijden van een van hen, op zichzelf een reden vormt om de wederpartij te ontslaan van de verplichting haar verbintenis uit te voeren op grond van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - Bij de uitlegging van de overeenkomst kan de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen afgeleid worden uit de wijze van uitvoering van de overeenkomst (Cass. 1 maart 1984, A.C. 1983-84, 831). De enkele grond dat de rechtsopvolgers van een echtgenoot de uitvoering van de overeenkomst, neergelegd in de regelingsakte voorafgaand aan een procedure echtscheiding onderlinge toestemming, vorderen na diens overlijden, laat de rechter niet toe de draagwijdte van een geldig tot stand gekomen overeenkomst te veranderen. - Zoals in de eisers' "Syntheseconclusie in graad van beroep" was aangevoerd, blijkt inderdaad dat de bepalingen en verplichtingen uit deze overeenkomst uitsluitend de onmiddellijke uitvoering van de overeenkomst viseren. De overeenkomst ondertekend door de echtgenoten op 26 november 1998, laat geen andere interpretatie toe. De relevante bepalingen luiden als volgt: - Onder punt 7 ("Overlevingsrechten") bepaalt deze regelingsakte: "Voor het geval één van de echtgenoten zou overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken, komen partijen overeen dat de langstlevende in de nalatenschap van de eerststervende geen enkel recht zal kunnen laten gelden en zullen ze de rechten bepaald in artikelen 745bis en 915bis van de wet tot wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot van veertien mei negentienhonderd eenentachtig, niet mogen opeisen. Bovendien verzaken de comparanten aan de voordelen vervat in vorenberoepen akte wijziging huwelijksvermogensstelsel verleden door notaris Camiel Vanhyfte voornoemd op zeven december negentienhonderd negenentachtig.". - Onder punt 6 ("Draagwijdte en uitwerking') bepaalt deze regelingsakte: - "(...) ln afwijking van artikel 1304 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt tussen partijen overeengekomen dat huidige regeling zal terugwerken tot de datum waarop de echtgenoten feitelijk afzonderlijk zijn gaan wonen, dit is één oktober negentienhonderd achtennegentig". - Onder "slot" bepaalt deze regelingsakte (p. 8): - "(...) De bedingen van de akte die betrekking hebben op de proeftijd hebben evenwel onmiddellijke uitvoering. Dit zijn de overeenkomsten tussen partijen gesloten en wederzijds aanvaard". 2.3 In zoverre het hof van beroep, zoals aangeduid, niet wettig oordeelt dat de overeenkomst neergelegd in de regelingsakte tussen partijen ex artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, geen uitwerking kon krijgen nu wettig aangegane overeenkomsten partijen tot wet strekken, doordat het verzoekschrift ex artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek, niet was neergelegd ter griffie en er derhalve geen procedure echtscheiding door onderlinge toestemming aanhangig was gemaakt, en er a fortiori geen echtscheiding door onderlinge toestemming was gerealiseerd, schendt het bestreden arrest artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. Door bij het beoordelen van de uitlegging van de overeenkomst neergelegd in de regelingsakte, de bepalingen van deze akte terzijde te schuiven op grond van de overweging dat partijen op grond van hun wilsautonomie niet wettig de devolutie van hun nalatenschap ingrijpend konden wijzigen vóór de neerlegging ter griffie van het verzoekschrift tot echtscheiding door onderlinge toestemming, heeft het arrest tevens artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek geschonden, door de draagwijdte en de bewoordingen van voormelde overeenkomst op ongeoorloofde wijze te miskennen.
  10. Derde onderdeel Schending van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. 3.
  11. In zoverre het hof van beroep oordeelt dat bij het beoordelen van de uitlegging van de overeenkomst neergelegd in de authentieke regelingsakte, de bepalingen van deze akte terzijde konden geschoven worden op grond van de overweging dat partijen niet wettig de devolutie van hun nalatenschap ingrijpend konden wijzigen vóór de neerlegging ter griffie van het verzoekschrift tot echtscheiding door onderlinge toestemming, geeft het bestreden arrest van de regelingsakte tussen de echtgenoten wijlen B.V.T. en Veronique De Baere minstens een uitlegging die onverenigbaar is met de in het vorig onderdeel aangehaalde bewoordingen ervan en schendt het hof aldus de bewijskracht van deze akte (schending van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Valsheidsvordering
  12. Het Hof is niet bevoegd ambtshalve een valsheidsvordering in te stellen.
  13. Artikel 908 van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 1101 van dit wetboek verwijst, vereist dat de valsheidsvordering wordt ingesteld bij verzoekschrift dat is ondertekend door de partij en door een advocaat bij het Hof van Cassatie die voor haar optreedt in het geding.
  14. Het verzoekschrift tot het instellen van de valsheidsvordering is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof. Het verzoek van de eiser sub 1 is niet ontvankelijk. Middel Stuk van de eiser sub 1
  15. Artikel 908 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een valsheidsvordering voor het Hof van Cassatie moet worden ingesteld bij verzoekschrift, ondertekend door de partij en door de advocaat bij het Hof die voor haar optreedt in het geding. In zoverre het stuk van de eiser sub 1 van 1 oktober 2008 een verzoek tot een valsheidsvorde¬ring inhoudt, is het niet ondertekend door een advocaat bij het Hof en is het verzoek in zoverre niet ontvankelijk.
  16. Artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het cassatieberoep moet worden ingesteld met een verzoekschrift dat zowel op het afschrift als op het origineel moet zijn on¬dertekend door een advocaat bij het Hof. In zoverre het stuk van 1 oktober 2008 een aanvullend cassatieberoep inhoudt, is het bij ge¬brek aan ondertekening door een advocaat bij het Hof eveneens niet ontvankelijk.
  17. Artikel 1094 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, indien de verweerder tegen de voorziening een middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, de eiser hierop kan antwoorden. Dit artikel noch enig ander laat de eiser toe te antwoorden op een memorie van antwoord in zoverre die geen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep opwerpt. In zoverre het stuk van 1 oktober 2008, dat geen antwoord is op een door de verweerder opgeworpen niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, een wederantwoord is op de memorie van antwoord, is het evenmin ontvankelijk. Eerste onderdeel
  18. Op grond van artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moeten de echtge¬noten die besloten zijn tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, in de voorafgaande regelingsakte vaststellen wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval een van hen zou komen te overlijden voor het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken. Die voorafgaande regelingsakte is derhalve voorgeschreven met het oog op de echtscheiding door onderlinge toestemming zelf.
  19. Krachtens artikel 1287, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals dit van toepassing was voor de opheffing bij artikel 31 van de Wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, hebben deze overeenkomsten geen gevolg, indien afstand wordt ge¬daan van de procedure. Niettegenstaande dit vierde lid van artikel 1287 al was opgeheven op de datum van het verzoekschrift en op die van de neerlegging ervan en derhalve in het onderdeel niet-ontvankelijk als geschonden is aangewezen, kan dit vierde lid, dat nog in werking was op het ogenblik van het opstellen van de aan de echtscheiding door onderlinge toestemming voorafgaande rege¬lingsakte, dienen tot interpretatie van het derde lid van dit artikel. Dit vierde lid wijst er op dat de in het voormelde artikel 1287, derde lid, bepaalde overeen te komen regeling slechts uitwerking heeft nadat de procedure tot echtscheiding bij onderlinge toestemming is ingeleid.
  20. Artikel 1130 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men omtrent een nog niet opengevallen nalatenschap geen beding kan maken, zelfs niet met de toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft. Toelaten dat de regeling die is bepaald in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, al voor het inleiden van de echtscheiding uitwerking heeft, is in strijd met artikel 1130 van het Burgerlijk Wetboek, onverminderd de mogelijkheden tot dan die in artikel 915bis van het Burgerlijk Wetboek, zijn bepaald.
  21. Uit het voorgaande volgt dat de in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regeling derhalve geen uitwerking kan hebben indien de procedure op het ogenblik van het overlijden van een van de echtgenoten niet is ingeleid door de neerlegging van een verzoekschrift overeenkomstig artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  22. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het beding in de voorafgaande rege¬lingsakte met betrekking tot de uitoefening van rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, slechts uitwerking kan hebben vanaf de inleiding van de echtscheiding door onderlinge toestemming door neerlegging van het daartoe strekkende verzoekschrift.
  23. Door te beslissen dat het bedoelde beding geen uitwerking kan hebben omdat, bij het overlijden van de echtgenoot van de verweerster, de proce¬dure van echtscheiding door onderlinge toestemming nog niet was ingeleid, geven de appelrechters geen uitlegging van de regelingsakte en schenden zij artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  24. De beslissing van de appelrechters dat voormeld beding geen uitwerking kan hebben bij gebrek aan ingestelde echtscheidingsprocedure, steunt niet op de uitlegging van de bewoor¬dingen van het bedoelde beding, maar op de toepassingsvereiste van artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 464,41 euro jegens de eisende partijen en op de som van 102,84 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem B. Deconinck A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix E. Waûters PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090306.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.