id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090306.5 Rolnummer: C.07.0423.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-07-03 00:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer voor het Hof de vraag rijst of, indien de rechter in hoger beroep heeft te gelden als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, de dwangsom niet kan worden verbeurd in de periode tussen de betekening van de uitvoerbare beslissing van de rechter in eerste aanleg en de betekening van de beslissing in hoger beroep ook al heeft die dwangsom betrekking op een veroordeling die in hoger beroep wordt bevestigd, stelt het een prejudiciële vraag aan het Benelux-Gerechtshof. Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Verbeurte - Rechter in hoger beroep - Dwangsomrechter - Betekening - Beslissingen - In eerste aanleg - In hoger beroep - Tussenperiode - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1385bis en 1385quater Wet - 31-01-1980 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Dwangsom - Verbeurte - Rechter in hoger beroep - Dwangsomrechter - Betekening - Beslissingen - In eerste aanleg - In hoger beroep - Tussenperiode - Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1385bis en 1385quater Wet - 31-01-1980 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Benelux - Dwangsom - Verbeurte - Rechter in hoger beroep - Dwangsomrechter - Betekening - Beslissingen - In eerste aanleg - In hoger beroep - Tussenperiode - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1385bis en 1385quater Wet - 31-01-1980 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0423.N
- BOUSSE-GOVAERTS, naamloze vennootschap, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,
- GORO, naamloze vennootschap, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,
- TRUO PAINT, naamloze vennootschap, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,
- VERF MET ADVIES, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218,
- DECOPAINT MAASMECHELEN, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 3500 Hasselt, Kempische Steenweg 218, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen COLORA BOELAAR, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8791 Beveren, Nijverheidstraat 81, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 mei 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 774, tweede lid, 1385bis, derde lid, en 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het verzet van de verweerster tegen het bevel tot betalen van 7 juni 2005 grotendeels gegrond en verklaren de tenuitvoerlegging door de eiseressen aangevat met het bevel tot betalen van 7 juni 2005 onrechtmatig behoudens in zoverre het betrekking heeft op de gerechtskosten ten bedrage van 218,15 euro en één tiende van de kosten van voornoemd bevelexploot, op grond van volgende overwegingen: "De litigieuze tenuitvoerlegging gebeurt, luidens het bevel van 7 juni 2005, krachtens vonnissen van 23 februari 2001, 10 april 2001 en 4 december 2001 van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren en krachtens een arrest van 27 maart 2003 van dit hof (van beroep). Zoals terecht gesteld in de bestreden beschikking werd het vonnis van 23 februari 2001 hervormd bij arrest (2001/AR/803) van 4 oktober 2001 van dit (hof van beroep) en het vonnis van 10 april 2001 bij arrest (2001/AR/1260) eveneens van 4 oktober 2001 van dit (hof van beroep), derwijze dat (de verweerster) op grond van deze titels geen dwangsommen noch gerechtskosten aan (de eiseressen) verschuldigd is. Bij het derde vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren werd een stakingsbevel opgelegd aan (de verweerster). Dit vonnis werd in hoger beroep eveneens hervormd, m.n. bij arrest van 27 maart 2003 waarbij gesteld werd: ‘Wijzigt het bestreden vonnis; Zegt rechtens dat de eerste rechter en thans het hof niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering tot loutere vaststelling van een inbreuk op de eerlijke handelspraktijken, in hoofde van (de verweerster), bestaande in de niet inschrijving in het handelsregister; Bevestigt het bestreden vonnis in zover rechtens gezegd werd dat (de verweerster) zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 23 W.H.P.C. door verwarring te doen ontstaan door het onrechtmatig gebruik van de benaming/slogan ‘Verf + Advies' bij de uitbating van haar winkel te Genk. Legt aan (de verweerster) verbod op deze benaming ‘Verf + Advies' of enige variant hiervan te gebruiken in verband met de exploitatie van deze winkel te Genk en dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van 500,00 euro per dag na betekening van het bestreden vonnis met een maximum van 50.000,00 euro. Bevestigt het bestreden vonnis in zover de rest van de vordering van (de eiseressen), ongegrond werd verklaard; Zegt rechtens dat de eerste rechter en thans dit hof niet bevoegd zijn om derdemedeplichtigheid aan contractbreuk vast te stellen welke niet kan leiden tot een bevel tot staking'. In dit arrest werd (de verweerster) tevens verwezen in de kosten van eerste aanleg, in hoofde van (de eiseressen) samen begroot op 218,15 euro en werden de kosten van het hoger beroep gecompenseerd. Het vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren werd hervormd en werd slechts bevestigd ‘in zover rechtens gezegd werd dat (de verweerster) appellante zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 23 W.H.P.C. door verwarring te doen ontstaan door het onrechtmatig gebruik van de benaming/slogan ‘Verf + Advies' bij de uitbating van haar winkel te Genk' en ‘in zover de rest van de vordering van (de eiseressen), ongegrond werd verklaard'. Het bij dit vonnis opgelegde verbod, en de tot sanctionering daarvan uitgesproken veroordeling tot een dwangsom, werden niet bevestigd en er werd een anders omschreven verbod opgelegd op sanctie van verbeuring van dwangsommen met andere modaliteiten. Uit artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het moet worden begrepen overeenkomstig het arrest van 15 april 1992 van het Benelux-Gerechtshof volgt dat: - in geval de rechter in eerste aanleg een dwangsom heeft opgelegd en zijn vonnis op dit punt in hoger beroep wordt bevestigd, de rechter in eerste aanleg geldt als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd; - de rechter in hoger beroep evenwel als rechter die de dwangsom heeft opgelegd dient beschouwd, wanneer uit het dictum van de beslissing in hoger beroep onmiskenbaar blijkt dat de appelrechter de uitspraak van de rechter in eerste aanleg betreffende de hoofdveroordeling waaraan de veroordeling tot betaling van een dwangsom was verbonden, dan wel veroordeling tot de dwangsom, geheel of ten dele, heeft vernietigd en op één van deze punten een van de uitspraak in eerste aanleg afwijkende beslissing heeft genomen. (zie o.m. Cass. 7 november 2005; Wagner, K, Dwangsom, A.P.R., 2003, nr. 97, p. 94-96) In casu dient vastgesteld dat in het arrest van dit (hof van beroep), zowel de in het vonnis van 4 december 2001 uitgesproken hoofdveroordeling als de eraan gekoppelde dwangsom werden gewijzigd. Dienvolgens dient het arrest van 27 maart 2003 van dit (hof van beroep) en niet het vonnis van 4 december 2001 van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren beschouwd als de uitspraak waarbij de dwangsom is vastgesteld in de zin van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, zodat slechts dwangsommen konden vervallen na de betekening van dit arrest. De voorgehouden verbeuring van de dwangsommen dient dan ook uitsluitend getoetst aan het dispositief van dit arrest, en de dwangsommen konden ten vroegste verbeuren na de betekening van dit arrest op 23 april
- De voorgehouden overtredingen vermeld in het litigieuze bevel van 7 juni 2005 onder de letters A en B, die alle dateren van voor 23 april 2003 kunnen dan ook geen aanleiding geven tot verbeuring van dwangsommen. Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging, moet de rechter de heropening van de debatten bevelen indien hij zijn beslissing steunt op een verweermiddel dat door de partijen niet was aangevoerd. De appelrechters beslissen in randnummer 6 van het bestreden arrest dat niet het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001 doch wél het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek en dat, bijgevolg, geen dwangsommen kunnen worden verbeurd voor 23 april 2003, datum van betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart
- De appelrechters beslissen vervolgens in randnummer 7 van het bestreden arrest dat de beweerde overtredingen vermeld in het bevel tot betalen van 7 juni 2005 onder de letters A en B, die allen dateren van voor 23 april 2003, geen aanleiding kunnen geven tot de verbeurte van dwangsommen. De verweerster voerde in conclusie echter niet aan dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek, zodanig dat geen dwangsommen konden worden verbeurd voor 23 april 2003, datum van betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart
- De conclusie in hoger beroep van de verweerster van 12 januari 2007 maakt inderdaad geen gewag van deze argumentatie. De appelrechters schenden dan ook het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek door ambtshalve op grond van voormelde overwegingen te beslissen dat het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 dient te worden aangezien als de uitspraak waarbij de dwangsom werd vastgesteld in de zin van artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek zodanig dat geen dwangsommen kunnen worden verbeurd voor 23 april 2003, zonder de debatten te heropenen en zonder de eiseressen uit te nodigen om hieromtrent hun standpunt uiteen te zetten. Tweede onderdeel Artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Artikel 1385quater bepaalt dat de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en dat deze partij de dwangsom ten uitvoer kan leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. Bij bevel tot betalen van 7 juni 2005 vatten de eiseressen de tenuitvoerlegging aan voor de betaling van dwangsommen verbeurd op grond van, en na de betekening van, het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart
- De verbeurte van dwangsommen betrof - onder meer - feiten die plaatsvonden na de betekening van het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001 doch voor de uitspraak van het Hof van Beroep te Antwerpen. Ten onrechte oordelen de appelrechters dat de verbeurte van dwangsommen op grond van het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, niet kon plaatsvinden voor de betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, d.i. voor 23 april
- Voor de verbeurte van dwangsommen in de periode tussen de betekening van het vonnis gewezen in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep dienden de appelrechters geen rekening te houden met de datum van betekening van de uitspraak in hoger beroep (het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003), doch slechts met de betekening van de uitspraak in eerste aanleg (het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001). Wanneer een gedingvoerende partij met toepassing van artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek (overeenstemmende met artikel 3 Dwangsomwet) gerechtigd was een verbeurde dwangsom ten uitvoer te leggen en de uitspraak waarbij de dwangsom is opgelegd (de titel) gedeeltelijk teniet is gedaan in de loop van, maar voor de beëindiging van de tenuitvoerlegging, dient immers, wat de tenuitvoerlegging betreft, ten aanzien van de verbeurde dwangsom niet anders te worden geoordeeld dan ten aanzien van andere rechtsgevolgen van een tenietgedane rechterlijke uitspraak. In casu dienden de appelrechters, voor het beoordelen van de verbeurte van dwangsommen in de periode tussen de betekening van de uitspraak in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep, na te gaan of de verweerster in de periode tussen de betekening van de uitspraak in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep inbreuken heeft gepleegd op het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001 zoals hervormd door het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart
- Door te oordelen dat de verbeurte van dwangsommen op grond van het vonnis van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001, zoals hervormd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003, niet kon plaatsvinden voor de betekening van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 (d.i. voor 23 april 2003), schenden de appelrechters de artikelen 1385bis, derde lid, en artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt op dat de beslissing naar recht is verantwoord door de zelfstandige niet-bekritiseerde reden van het bestreden arrest dat geen dwangsommen of gerechtskosten verschuldigd zijn op grond van de vonnissen van 23 februari 2001 en 10 april 2001 die in hoger beroep werden hervormd, aangezien volgens de termen van het dwangbevel van 7 juni 2005 ook de dwangsommen verbeurd na de betekening van het vonnis van 4 december 2001 en voor de betekening van het arrest van 27 maart 2003, verbeurd zijn hetzij "ingevolge het vonnis dd. 23.02.01", hetzij "ingevolge het vonnis dd. 10.04.01".
- De vermeldingen van het dwangbevel kunnen geen afbreuk doen aan de draagwijdte van de titel op grond waarvan de tenuitvoerlegging geschiedt. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, voerden de verweerders in hun appelconclusie van 15 januari 2007 sub randnummer 23 aan dat geen dwangsommen verschuldigd zijn op grond dat het vonnis van 4 december 2001 gedeeltelijk in hoger beroep werd vernietigd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt: - de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren heeft in een, bij voorraad uitvoerbare beschikking van 4 december 2001, een stakingsbevel opgelegd ten laste van de verweerster onder verbeurte van een dwangsom; - op hoger beroep van de verweerster wordt de beschikking "hervormd" door het Hof van Beroep te Antwerpen in een arrest van 27 maart 2003; - de beschikking van de eerste rechter wordt enkel bevestigd in zoverre het stakingsbevel betrekking heeft op het doen ontstaan van verwarring in de uitbating van de verweerster te Genk; - het arrest van 27 maart 2003 wordt aan de verweerster betekend op 23 april 2003; - op 7 juni 2005 laten de eiseressen een bevel tot betalen betekenen aan de verweerster voor de invordering van verbeurde dwangsommen krachtens o.m. de beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Tongeren van 4 december 2001 en het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 27 maart 2003 voor beweerde inbreuken vanaf de betekening van de genoemde beschikking; - het verzet van de verweerster wordt afgewezen door de Beslagrechter te Antwerpen op 28 juni 2006; - tegen deze beschikking wordt door de verweerster hoger beroep aangetekend.
- De appelrechters oordelen dat aangezien het arrest van 27 maart 2003 zowel de hoofdveroordeling als de eraan verbonden dwangsom heeft gewijzigd, het Hof van Beroep te Antwerpen geldt als rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zodat de dwangsom enkel kon worden verbeurd vanaf de betekening van dit arrest, hetzij op 23 april
- Op grond hiervan beslissen zij dat de in het bevel van 7 juni 2005 vermelde inbreuken die dateren van voor 23 april 2003 geen aanleiding kunnen geven tot het verbeuren van dwangsommen.
- Hiertegen voeren de eiseressen aan dat de appelrechters niet mochten beslissen dat geen dwangsommen konden worden verbeurd in de periode tussen de betekening van de beschikking van de eerste rechter en de betekening van het arrest van het hof van beroep, zonder vast te stellen of de in het bevel vermelde inbreuken geen inbreuken zijn op de hoofdveroordeling van de eerste rechter zoals die in hoger beroep werd bekrachtigd.
- Artikel 1385bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de dwangsom niet kan worden verbeurd voor de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.
- Artikel 1385quater van hetzelfde wetboek bepaalt dat de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.
- Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest van 15 april 1992 geoordeeld dat de rechter in hoger beroep geldt als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd wanneer blijkt dat de appelrechter de uitspraak van de rechter in eerste aanleg op het stuk van de hoofdveroordeling of betreffende de dwangsom geheel of ten dele heeft vernietigd en op een van deze punten een afwijkende beslissing heeft gegeven.
- De appelrechters nemen aan dat, aangezien de rechter in hoger beroep als dwangsomrechter heeft te gelden, de dwangsom eerst kan worden verbeurd vanaf de betekening van uitspraak in hoger beroep en dit ook het geval is voor de inbreuken op een uitvoerbare hoofdveroordeling van de rechter in eerste aanleg die in hoger beroep werd bevestigd.
- De beoordeling van de wettigheid van die beslissing noopt tot uitlegging van de genoemde artikelen 1385bis en 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek. De voornoemde artikelen stemmen overeen met de artikelen 1 en 3 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom. Die wetsbepalingen zijn in België op 1 maart 1980 in werking getreden, samen met de Benelux-overeenkomst houdende Eenvormige wet betreffende de dwangsom en de genoemde Eenvormige wet, vervat in de bijlage van deze overeenkomst, ondertekend te ‘s-Gravenshage op 26 november 1973 en goedgekeurd bij de wet van 31 januari
- De rechtsregel die zowel in het genoemde artikel 1385bis als in artikel 1 van de Eenvormige wet is besloten, is een rechtsregel die gemeen is aan België, Luxemburg en Nederland in de zin van artikel 1 van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van het Benelux-Gerechtshof.
- De noodzakelijkheid van een beslissing over de uitlegging van de rechtsregel vervat in de genoemde artikelen 1 en 3, noopt het Hof de in het dictum gepreciseerde vraag aan het Benelux-Gerechtshof voor te leggen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux-Gerechtshof zich heeft uitgesproken over de volgende vraag: "Moeten de artikelen 1 en 3 van de Eenvormige wet betreffende de dwangsom aldus worden uitgelegd dat indien de rechter in hoger beroep heeft te gelden als de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, de dwangsom niet kan worden verbeurd in de periode tussen de betekening van de uitvoerbare beslissing van de rechter in eerste aanleg en de betekening van de beslissing in hoger beroep ook al heeft die dwangsom betrekking op een veroordeling die in hoger beroep wordt bevestigd?". Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 6 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem B. Deconinck A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix E. Waûters PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090306.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div