id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009
§ 2
, 171 en 204 Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat zowel de door het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt als de herstelvordering van de gemachtigde ambtenaar aan de gerechtelijke overheden werden overgemaakt en bij het strafdossier zijn gevoegd; de appelrech-ters oordelen ten onrechte dat geen herstelvordering bij de eerste rechter aanhan-gig werd gemaakt, en miskennen daardoor de bewijskracht van de stukken.
- Ook wanneer de herstelvordering niet aan vormvereisten is onderworpen, dan nog moet het bestuur duidelijk en ondubbelzinnig zijn wil laten kennen om het herstel in rechte te vorderen. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of dit het geval is. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit zijn vaststellingen geen ge-volgen afleidt die daarmee geen verband houden of die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- De appelrechters stellen vast dat het dossier enkel bevat: - de kopie van een brief van de burgemeester van Tielt van 16 april 1999 die niet is gericht aan de procureur des Konings of aan de rechtbank, maar aan de ge-machtigde ambtenaar; die brief bevat slechts een voorstel van het college van burgemeester en schepenen; - een niet gemotiveerde brief van 25 augustus 1999 van de gemachtigde ambte-naar aan de procureur des Konings, waarin enkel wordt meegedeeld dat de overtreder werd aangemaand de plaats in de oorspronkelijke staat te herstellen; - een op 5 juni 2008 neergelegd stuk, zijnde een niet-gedateerde en niet-ondertekende herstelvordering, dat geenszins aantoont dat er voor de eerste rechter een herstelvordering ‘aanhangig was'; hoogstens kan eruit worden af-geleid dat het destijds de bedoeling is geweest een herstelvordering te formule-ren, die evenwel bewust of bij vergetelheid niet aan het parket of de rechter werd overgemaakt.
- Uit die vaststellingen hebben de appelrechters wettig kunnen afleiden dat noch het overmaken van de brief van 16 april 1999, noch het antwoord van de gemachtigde ambtenaar van 25 augustus 1999, beiden als gevolg van het uitdruk-kelijk verzoek van het parket tot mededeling van de voorgestelde herstelmaatre-gel, noch de voeging van deze stukken bij het strafdossier, inhouden dat het colle-ge van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar of de eiser, door bemiddeling van het parket, een herstelvordering voor de eerste rechter hebben aanhangig gemaakt.
- De appelrechters geven daarbij van de in het onderdeel vermelde stukken geen uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is, en miskennen niet de bewijskracht ervan. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 68 Stedenbouwdecreet 1996, de artikelen 149, §
§ 2
, 171 en 204 Stedenbouwdecreet 1999: in zoverre de appelrechters het bestaan van een herstelvordering in eerste aanleg verwerpen om de reden dat de brief van 25 augustus 1999 van de toenmalige gemachtigd ambte-naar aan het parket geen motivering bevat, is hun beslissing evenmin naar recht verantwoord; de herstelvordering is immers aan geen vormvereisten onderworpen en kan in de loop van het geding steeds worden aangevuld of gewijzigd, onder meer wat de motivering betreft.
- De appelrechters oordelen dat er geen herstelvordering voor de eerste rech-ter werd ingeleid, niet omdat de brief van 25 augustus 1999 geen motivering be-vat, maar omdat deze brief niet aantoont dat een herstelvordering, eventueel via het parket, bij de eerste rechter aanhangig werd gemaakt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149, §
§ 2
, Stedenbouw-decreet 1999, de artikelen 2 en 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek, de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de herstelvordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld; als vordering van burgerrechtelijke aard is de herstelvordering onder-worpen aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de uitbreiding, de wijziging of het instellen van nieuwe vorderingen; meer bepaald is de herstelvordering steeds virtueel begrepen in de aanhangig gemaakte strafvorde-ring zodat het verbod van artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek om tus-senkomst tot het verkrijgen van een veroordeling, voor het eerst in hoger beroep, niet geldt voor de eiser die optreedt in de hem eigen hoedanigheid van ‘eiser tot herstel'.
- Artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat naast de straf, de rechtbank, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, kan bevelen de plaats in de oorspronke-lijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aan-passingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meer-waarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. De herstelvordering komt aldus toe aan het bevoegde bestuur. Zonder initiatief van het bestuur bij de gerechtelijke overheid kan deze laatste noch ambtshalve vorderen noch ambtshalve tot herstel veroordelen. Door die bijzondere procedu-revereiste is dit herstel niet "virtueel" besloten in de strafvervolging wegens een stedenbouwmisdrijf.
- Het devolutief principe dat bepalend is voor de aanleg in hoger beroep, sluit uit dat de rechter in hoger beroep meer zou kunnen dan de eerste rechter. Het onderdeel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 388,80 euro, waarvan 24,12 euro verschuldigd is en 364,68 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090310.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div