← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090310.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009

§ 6

, en 235ter Wetboek van Strafvordering: ze geschiedt overeenkomstig die regels en beginselen die inhouden dat de bijzondere opsporingsmethode slechts mag uitgevoerd worden met voorafgaande machtiging van de gerechtelijke overheid en onder haar toezicht, en dat daarbij wordt voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit

(1).
(1)Gw. H., nr. 22/2008, 21 feb. 2008, B.S. 17 april 2008 (tweede uitgave) 20777; Zie: Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3, A.C., 2008, nr. ... met conclusie A.G. Duinslaeger. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Voorwaarde - Toepassing in de tijd Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 Voor alle geschillen die nog niet definitief zijn beslecht kan de kamer van inbeschuldigingstelling de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden controleren, ongeacht of die aanwending vóór of na de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 heeft plaatsgehad
(1).
(1)Gw. H., nr. 22/2008, 21 feb. 2008, B.S. 17 april 2008 (tweede uitgave) 20777; Zie: Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0706.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3, A.C., 2008, nr. 587 met conclusie A.G. Duinslaeger. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Voorwaarde - Toepassing in de tijd Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 189ter en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 De toetsing door de kamer van inbeschuldigingstelling van vóór de wet van 6 januari 2003 toegepaste bijzondere opsporingsmethodes kan niet geschieden overeenkomstig de artikelen 47ter, 47quinquies, 47sexies, 47octies, 47novies, 235bis, §

§ 6

, en 235ter Wetboek van Strafvordering: ze geschiedt overeenkomstig die regels en beginselen die inhouden dat de bijzondere opsporingsmethode slechts mag uitgevoerd worden met voorafgaande machtiging van de gerechtelijke overheid en onder haar toezicht, en dat daarbij wordt voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit

(1)
(1)Luidens de vaststellingen van het bestreden arrest werd in voorliggende zaak de bijzondere opsporingsmethode van observatie toegepast op verschillende data die zich situeren vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari
  1. De controle van de uitgevoerde bijzondere opsporingsmethode door de kamer van inbeschuldigingstelling gebeurde op 18 december 2008, en dus ruim na de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2005 waarbij artikel 235ter Wetboek van Strafvordering werd ingevoerd. Bijgevolg put de kamer van inbeschuldigingstelling haar controlebevoegdheid uit artikel 235ter Wetboek van Strafvordering; zij kan die controle echter niet verrichten op basis van criteria die nog niet van toepassing waren op het ogenblik dat de bijzondere opsporingsmethode werd uitgevoerd. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Algemeen Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Bijzondere opsporingsmethoden toegepast vóór de wet van 6 januari 2003 - Controle - Criteria Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Bijzondere opsporingsmethoden toegepast vóór de wet van 6 januari 2003 - Controle - Criteria Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0061.N I H T V, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder en mr. Joris Van Cauter, advocaten bij de balie te Gent, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Elisabeth Baeyens, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 18 december 2008 op verwijzing gewezen ingevolge arrest van het Hof van 28 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, de artikelen 14 en 17 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 22 Grondwet: een observatie is een verregaande inmenging in het privé-leven waarvoor een wettelijke basis is vereist; te dezen werd de bijzondere opsporingsmethode toegepast vóór de invoe-ring van de wet van 6 januari 2003, dit is buiten elk wettelijk kader; deze observa-tie kan dan ook niet regelmatig zijn; het bestreden arrest schendt derhalve de vermelde wets- en verdragsbepalingen.
  4. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 22/2008 van 21 februari 2008 in antwoord op een prejudiciële vraag voor recht gezegd dat de kamer van inbe-schuldigingstelling voor alle geschillen die nog niet definitief zijn beslecht, de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden kan controleren, ongeacht of die aanwending vóór of na de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 heeft plaatsgehad; op voorwaarde dat zo wordt gehandeld, schenden de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en met artikel 14 IVBPR.
  5. De toetsing door de kamer van inbeschuldigingstelling van vóór de wet van 6 januari 2003 toegepaste bijzondere opsporingsmethodes kan weliswaar niet ge-schieden overeenkomstig de door die wet ingevoerde artikelen 47ter, 47quinquies, 47sexies, 47octies, 47novies, 235bis, §

§ 6, en 235ter Wetboek van Strafvor-dering.

Ze geschiedt evenwel overeenkomstig de in het bestreden arrest vermelde regels en beginselen, die inhouden dat de bijzondere opsporingsmethode moet ge-schieden met voorafgaande machtiging van de gerechtelijke overheid en onder haar toezicht, en dat daarbij wordt voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

  1. De overeenkomstig die regels en beginselen vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 verrichte bijzondere opsporingsmethodes schenden de in het middel aangehaalde wets- en verdragsbepalingen niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 47ter, 47quinquies, 47sexies, 47septies, 47octies, 47novies en 235ter Wetboek van Strafvordering, ar-tikel 6 en artikel 18 EVRM, de artikelen 14 en 17 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 22 Grondwet. Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel stelt dat het bestreden arrest impliciet de verrichte observatie die dateert van vóór de reeds vernoemde wet van 6 januari 2003 toetst aan de arti-kelen 47ter, 47quinquies, 47sexies, 47septies, 47octies, 47novies en 235ter Wet-boek van Strafvordering zoals ingevoerd door die wet en de wet van 27 december 2005 houdende diverse wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering en van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de verbetering van de onderzoeksme-thoden in de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminali-teit; die wetsbepalingen vinden daarop evenwel geen toepassing; anderzijds heeft het Hof in zijn arrest van 24 februari 2009 geoordeeld dat artikel 47septies Wet-boek van Strafvordering geen toepassing vindt op observaties van vóór de wet van 6 januari 2003; het bestreden arrest dat de vermelde wettelijke bepalingen toepast op een observatie die dateert van vóór de wet van 6 januari 2003, schendt aldus de zo even vermelde wetsbepalingen.
  4. Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, toetst het bestreden arrest de hier vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 verrichte bijzon-dere opsporingsmethodes niet aan de door die wet ingevoerde artikelen 47ter, 47quinquies, 47sexies, 47octies, 47novies, 235bis, §

§ 6

, en 235ter Wetboek van Strafvordering, maar aan de regels en beginselen die het bestreden arrest ver-meldt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel

  1. Het onderdeel stelt dat zo het bestreden arrest geen toepassing zou hebben gemaakt van de in het eerste onderdeel vermelde bepalingen, het volstrekt duister is aan welke criteria het de uitgevoerde observaties dan heeft getoetst; het bestre-den arrest geeft inderdaad te kennen dat het zich niet richt naar de in de conclusie van de eiser vermelde omzendbrief van de minister van Justitie (geheime om-zendbrief 7SDP/MM/MIX/RP6/6 van 24 april 1990 zoals aangepast op 5 maart 1992); het bestreden arrest schendt hiermede de in het middel vermelde wetsbepa-lingen.
  2. Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, toetst het bestreden arrest de hier vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 verrichte bijzon-dere opsporingsmethode van observatie aan de regels en beginselen die het be-streden arrest vermeldt. Het onderdeel dat berust op een onnauwkeurige lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  3. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 85,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090310.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091215.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100309.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120904.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.