← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090327.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090327.1 Rolnummer: C.08.0189.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Insolventierecht Invoerdatum: 2009-04-16 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 00:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De niet beroepen beslissing, waarbij de vordering in zoverre gericht tegen de gefailleerde in persoon, ingevolge zijn staat van faillissement, niet toelaatbaar werd verklaard, en de door de appelrechters in het kader van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep te wijzen beslissing, waarbij zal worden geoordeeld over dezelfde vordering in zoverre gericht tegen de curator van het faillissement en de echtgenote van de gefailleerde, zijn geen beslissingen waarvan de gezamenlijke tenuitvoerlegging materieel onmogelijk is, zodat er in dit geval geen sprake is van een onsplitsbaar geschil. Thesaurus CAS: ONSPLITSBAARHEID (GESCHIL) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Onsplitsbaarheid Vrije woorden: Voorwaarde - Onderscheiden beslissingen - Gezamenlijke tenuitvoerlegging - Materiële onmogelijkheid - Toepassing - Faillissement Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 31 en 1053 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Onsplitsbaarheid Vrije woorden: Onsplitsbaarheid (Geschil) - Voorwaarde - Onderscheiden beslissingen - Gezamenlijke tenuitvoerlegging - Materiële onmogelijkheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 31 en 1053 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0189.N FEYS Ives, advocaat, met kantoor te 8670 Koksijde, Zeelaan 195, als curator van het faillissement van K.D. , eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. D. M. en, 2. D. M., 3. V. P. K., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 november 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 31 en 1053 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg verklaart eisers hoger beroep ontoelaatbaar en bevestigt het bestreden vonnis op volgende gronden: "4. De beoordeling. 4.1. De toelaatbaarheid van de beroepen. 4.1.1. Het hoger beroep van (de eiser) is regelmatig naar vorm en werd, bij gebreke aan de voorlegging van een akte van betekening, tijdig ingesteld. De eerste en de tweede (verweerders) werpen niettemin op grond van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek de exceptie van niet toelaatbaarheid van het hoger beroep op, aangezien K.D. , de oorspronkelijke eerste verweerder, niet in deze beroepsprocedure betrokken werd. Krachtens artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek. moet het hoger beroep gericht worden tegen alle partijen, van wie het belang in strijd is met dat van (de eiser), en moet (de eiser) bovendien de andere niet in het beroep komenden, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken. De niet naleving van deze bepalingen en de sanctie erop (artikel 1053, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek) is van openbare orde (...). De rechtbank stelt vast dat het gaat om een onsplitsbaar geschil, hetgeen (de eiser) trouwens zelf in zijn besluiten van 1 september 2003 uitdrukkelijk opgeworpen heeft (...), nu de gezamenlijke tenuitvoerlegging van twee verschillende beslissingen in deze zaak materieel onmogelijk is. Bovendien is het beroep niet gericht tegen de oorspronkelijk eerste verweerder, en werd de oorspronkelijk eerste verweerder evenmin voor de sluiting van de debatten in de zaak betrokken. Gelet op artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek houdt (de eiser) ten onrechte voor dat het aan de eerste en de tweede (verweerders) is om K.D. , als oorspronkelijk eerste verweerder, in deze beroepsprocedure te betrekken. Ook al is het beroep van (de eiser) niet tegen K.D. gericht, dan nog moest hij K.D. ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken, wat niet gebeurd is. Eveneens ten onrechte gaat (de eiser) blijkbaar ervan uit dat eerst aan het oordeel van de rechtbank moet voorgelegd worden of het betrekken van K.D. in deze zaak in beroep ‘nodig is of zelfs kan' (...). Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek is immers ondubbelzinnig: uiterlijk voor de sluiting van de debatten ‘moet' (de eiser) de andere partijen in de zaak betrekken: of dit nu al dan niet nodig is, is helemaal niet relevant. Aangezien (de eiser) de regels van artikel 1053, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet in acht genomen heeft, wordt overeenkomstig artikel 1053, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek het hoger beroep niet toegelaten (...)". Grieven 1. Artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het geschil enkel onsplitsbaar is, in de zin o.a. van artikel 1053 van hetzelfde wetboek, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk is. Volgens artikel 1053 is het hoger beroep niet toelaatbaar, wanneer het geschil onsplitsbaar is, indien het niet gericht is tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep. Deze moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken. 2. In de veronderstelling dat eisers hoger beroep toelaatbaar was verklaard, doen volgende mogelijkheden zich voor:

  1. a)ofwel wordt de oorspronkelijke hoofdvordering van de echtgenoten D.-D. (de eerste en de tweede verweerders) voor de vrederechter te Diksmuide, om te laten vaststellen dat aan bedoelde ‘bruikleenovereenkomst' een einde was gekomen, minstens om deze overeenkomst te laten ontbinden ten laste van de gedaagden en deze te horen veroordelen tot teruggave van voormelde percelen binnen de 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, en tot een schadevergoeding van 25 euro per dag te rekenen vanaf 2 juli 2003 tot de integrale ontruiming, afgewezen (gegrondheid van eisers hoger beroep - hervorming van het beroepen vonnis) en wordt, rechtdoende op de tegenvordering, beslist dat er een landpachtovereenkomst is afgesloten tussen de betrokken echtparen betreffende bedoelde percelen en worden de eerste en de tweede verweerders veroordeeld tot betaling van de som van 20.512,22 euro vermeerderd met gerechtelijke rente (gegrondheid) of integendeel dat er geen landpachtovereenkomst is afgesloten en dat de gevorderde veroordeling van de eerste en de tweede verweerders wordt afgewezen (ongegrondheid);
  2. b)ofwel wordt de oorspronkelijke hoofdvordering van de eerste en de tweede verweerders toegewezen waarbij dan zou worden beslist zoals de eerste rechter dat er "t.o.v. tweede gedaagde, V. P. K. en derde gedaagde, mter. Ives Feys, qq. curator van faillissement D. K.", een einde is gekomen aan de bruikleenovereenkomst of dat zij dient te worden ontbonden met veroordeling van deze gedaagden tot teruggave en vrije terbeschikkingstelling van de percelen en tot betaling van een schadevergoeding wegens bezetting zonder recht noch titel van 25 euro per dag vanaf 2 juli 2003 (ongegrondheid van eisers hoger beroep - bevestiging van het beroepen vonnis). De rechtbank zou ten slotte de tegenvordering gegrond of ongegrond kunnen verklaren (zie hierboven) in de mate dat dit verenigbaar is met eerstgenoemde beslissing. 3. De eerste rechter verklaarde voor recht "dat de vordering (van de echtgenoten D.-D.) t.o.v. eerste gedaagde, D. K., ontoelaatbaar is" (dictum, p. 4), gezien deze, "gelet op het faillissement, in casu niet meer in rechte kan optreden" (vonnis, p. 4). Ingevolge deze beslissing kan er dus ten aanzien van K.D. - de partij die de eiser, volgens het aangevochten vonnis, in de zaak had moeten betrekken - niets ten uitvoer worden gelegd. Bovendien is er evenmin enige ‘tenuitvoerlegging' aan de orde in alle veronderstellingen waarin de hoofd- en tegenvorderingen worden afgewezen, en is er geen ‘materiële onmogelijkheid' in voormelde zin voorhanden in zoverre de eerste en de tweede verweerders op de tegenvordering van de eiser zouden worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van 20.512,22 euro. Tenslotte zou de beslissing over die tegenvordering, i.v.m. het bestaan van een landpachtovereenkomst, evenmin aanleiding kunnen geven tot ‘onsplitsbaarheid' aangezien deze vordering niet tegen K.D. werd ingesteld en de beslissing van de eerste rechter - ingeval deze tegenvordering zou worden toegewezen - teniet zou worden gedaan. Besluit 4. Uit het voorgaande volgt dat er te dezen, in tegenstelling tot de beslissing van de appelrechters, geen materiële onmogelijkheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging van twee verschillende beslissingen voorhanden is. De enkele omstandigheid dat de eiser, in zijn conclusie in eerste aanleg van 1 september 2003, schreef: "Overigens zal het dhr. Vrederechter ook niet ontgaan dat het hier om een onsplitsbaar geschil gaat waarin (de derde verweerster) niet verschenen noch vertegenwoordigd is" (p. 4) doet hieraan geen afbreuk. Bijgevolg heeft de rechtbank eisers hoger beroep op voormelde gronden niet wettig ontoelaatbaar verklaard (schending van de aangeduide wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek is het geschil enkel onsplitsbaar in de zin van artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn. 2. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan blijkt dat ten aanzien van de gefailleerde K. D. in het beroepen vonnis de hoofdeis van eerste en tweede verweerders ontoelaatbaar werd verklaard in zoverre gericht tegen deze partij "gezien (deze), gelet op het faillissement, in casu niet meer in rechte kan optreden". Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt verder dat: - het hoofdberoep van de eiser niet gericht was tegen de gefailleerde en de eiser deze evenmin voor het sluiten van het debat in de zaak heeft betrokken; - de eerste en tweede verweerders incidenteel beroep instellen strekkende tot de veroordeling van de eiser en de derde verweerster tot betaling van een aanvullende schadevergoeding en tot vaststelling van de beëindigingsdatum van de kosteloze bruikleenovereenkomst ten laste van de eiser op 18 juni 2003. 3. De niet beroepen beslissing, waarbij de vordering in zoverre gericht tegen de gefailleerde in persoon, ingevolge zijn staat van faillissement, niet toelaatbaar werd verklaard, en de door de appelrechters in het kader van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep te wijzen beslissing, waarbij zal worden geoordeeld over dezelfde vordering in zoverre gericht tegen de curator van het faillissement en de echtgenote van de gefailleerde, zijn geen beslissingen waarvan de gezamenlijke tenuitvoerlegging materieel onmogelijk is. Door te oordelen dat het geschil onsplitsbaar is en vervolgens het hoofdberoep onontvankelijk te verklaren, schenden de appelrechters de in het middel aangewezen wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit het hoofdberoep van de eiser niet toelaatbaar heeft verklaard. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 27 maart 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix R. Boes G. Londers PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090327.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.