← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090330.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090330.9 Rolnummer: S.08.0088.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 00:06 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090330.9 Fiche 1 Het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen; het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - TIJDELIJKE ARBEID UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Algemeen Vrije woorden: Uitzendarbeid - Toepassing van wetten die steunen op het aantal werknemers - In aanmerking nemen van ter beschikking van een gebruiker gestelde uitzendkrachten Wettelijke bepalingen: Wet - 24-07-1987 - Art. 25, eerste lid Fiche 2 Artikel 23, eerste lid van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid van de Uitzendarbeidswet, zodat de uitzendkrachten die op de datum van de aanplakking van het bericht waarbij de datum van de verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - VERKIEZINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Algemeen Vrije woorden: Bedrijfsorganisatie - Algemeen - Bepaling van het aantal mandaten - In aanmerking nemen van ter beschikking van een gebruiker gestelde uitzendkrachten Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - Art. 23, eerste lid Wet - 24-07-1987 - Art. 25, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: ARBEID - TIJDELIJKE ARBEID UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Algemeen Vrije woorden: Uitzendarbeid - Toepassing van wetten die steunen op het aantal werknemers - In aanmerking nemen van ter beschikking van een gebruiker gestelde uitzendkrachten Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - VERKIEZINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Algemeen Vrije woorden: Bedrijfsorganisatie - Algemeen - Bepaling van het aantal mandaten - In aanmerking nemen van ter beschikking van een gebruiker gestelde uitzendkrachten Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.08.0088.N ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND VAN BELGIË, (ACV) representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen MTS BENELUX, naamloze vennootschap, met zetel te 5020 Namen, Zoning Industriel, rue G. de Morialmé 11, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest, en in aanwezigheid van 1. ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (ABVV), met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42, 2. ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN (ACLVB), met zetel te 1070 Anderlecht, Poincarélaan 72-74, 3. NATIONALE CONFEDERATIE VAN KADERLEDEN (NCK), met zetel te 1030 Schaarbeek, Lambermontlaan 171, bus 4, partijen opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 7 maart 2008 in laatste aanleg gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 16, eerste lid, b, (zoals vervangen bij wet van 17 februari 1971) en vijfde lid van de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven; - artikel 56, enig lid, 2, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk; - artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale ver¬kiezingen van het jaar 2008; - artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. Bestreden beslissing De 22ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel verklaart zich in het thans bestreden vonnis van 7 maart 2008 deels onbevoegd en verklaart voor het overige de vordering van de eiser om naar aanleiding van de sociale verkiezingen van 2008 het aantal mandaten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk en voor de ondernemingsraad op 6 te brengen in plaats van 4, ontvankelijk doch ongegrond. De arbeidsrechtbank komt tot deze beslissing onder meer op volgende gronden (vonnis pp. 11-12) : "2. Artikel 25 van de wet van 24 juli 1987. Artikel 25 van de Wet Tijdelijke Arbeid van 24 juli 1987 bepaalt dat voor de toepassing van de wetten en de verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door de onderneming tewerkgesteld wordt, ook de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten in aanmerking komen. Dit artikel betreft echter niet de interne bepalingen van diezelfde wetten die, van zodra zij van toepassing zijn ten gevolge van het overschrijden van een bepaalde personeelssterkte, bijkomende verplichtingen opleggen (cfr. in die zin de memorie van toelichting bij de wet van 24 juli 1987, Parl. Stukken Kamer, 762/1, 1986-1987,9). Uitzendkrachten moeten enkel in aanmerking worden genomen voor de vaststelling of de drempels voor de instelling van een ondernemingsraad of een comité voor preventie en bescherming op het werk al dan niet bereikt werden. Het aantal uitzendkrachten heeft echter geen weerslag op de vaststelling van het aantal mandaten. (Arbrb. Kortrijk, 24 april 1991, AR 35.983; Arbrb. Brussel, 30 april 1991, TSR, 1991,301; Arbrb. Namen, 31 maart 1995, AR 85.328, N. Beaufils, Sociale verkiezingen 2008, VBO, 2007, 141; zie ook O. Vanachter, De procedure sociale verkiezingen 2004, Mechelen, Kluwer, 2003, p. 113). De 5 uitzendkrachten die bij de verweerster aan het werk waren op dag x moeten bijgevolg voor de bepaling van het aantal mandaten niet in aanmerking worden genomen. Uit het hogervermelde blijkt dat de verweerster op voornoemde datum 100 werknemers telt waardoor het aantal te verdelen mandaten terecht op 4 werd berekend. De vordering is op dit punt ongegrond." Grief Luidens artikel 16, eerste lid, b van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, bestaan de ondernemingsraden onder meer uit een zeker aantal effectieve en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel en mag het aantal effectieve afgevaardigden niet lager zijn dan 2 en niet hoger dan 25. Het vijfde lid van deze bepaling stelt dat het aantal vertegenwoordigers en de vertegenwoordiging van de verschillende categorieën van het personeel, hetzij, voor al de ondernemingen samen, hetzij, voor sommige bedrijven, bij koninklijk besluit worden geregeld. Artikel 56, enig lid, 2, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, bepaalt dat de comités voor preventie en bescherming op het werk onder meer bestaan uit een aantal effectieve en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel, waarbij het aantal effectieve afgevaardigden niet lager mag zijn dan 2 en niet hoger dan 25. Artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 stelt dat de personeelsafvaardiging in de raad en in het comité samengesteld is uit 4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers en 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers, op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd. De arbeidsrechtbank stelde vast dat de aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd (de zogenaamde dag
  1. x)te dezen op 8 februari 2008 plaatsvond. Aldus moest worden nagegaan hoeveel werknemers de verweerster telde op 8 februari 2008 teneinde het aantal mandaten van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en het comité te bepalen. Artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers bepaalt: "Voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, komen de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming. Het eerste lid geldt niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°. Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld. (...) Het eerste lid doet geen afbreuk aan de toepassing van de wettelijke bepalingen krachtens welke diezelfde uitzendkrachten in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van het uitzendbureau dat hen in dienst heeft genomen. (...)" Dit artikel 25 gewaagt aldus van de "toepassing van de bepalingen van wetten en verordeningen" die "steunen op het aantal werknemers dat door de onderneming wordt tewerkgesteld". Aldus wordt geenszins gesteld dat deze regel enkel zou gelden voor de (bepaling van
  2. de)toepassing van de betreffende wetten, doch integendeel voor "de toepassing van de bepalingen", zonder onderscheid, van deze wetten. De arbeidsrechtbank kon dienvolgens niet wettig stellen dat voornoemd artikel 25 geen betrekking heeft op de "interne bepalingen" van de wetten die, van zodra zij van toepassing zijn ten gevolge van het overschrijden van een bepaalde personeelssterkte, "bijkomende verplichtingen opleggen". Evenzeer ten onrechte stelde de arbeidsrechtbank dus dat de uitzendkrachten enkel in aanmerking (mogen) worden genomen voor de vaststelling of de drempels voor de instelling van een ondernemingsraad of een comité voor preventie en bescherming op het werk al dan niet bereikt werden, zodat de 5 uitzendkrachten die bij de verweerster aan het werk waren op "dag x" bijgevolg voor de bepaling van het aantal mandaten niet in aanmerking konden worden genomen. De arbeidsrechtbank schendt aldus alle in het middel genoemde wetsbepalingen. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 5 en 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikelen 30 en 31 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008; - artikel 4 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008; - de artikelen 8 en 9 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot vervanging van de Collectieve Arbeids-overeenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Bestreden beslissing De 22ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel verklaart zich in het thans bestreden vonnis van 7 maart 2008 "onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering tot herkwalificatie van de tewerkstelling van de vijf uitzendkrachten A. O., A. P., C. W., V. H., en S. C. bij de verweerster als bedienden" (vonnis p. 13, dispositief, vierde alinea) en verklaart voor het overige de vordering van de eiser om het aantal mandaten voor het comité voor preventie en bescherming op het werk en voor de ondernemingsraad op 6 te brengen in plaats van 4, ontvankelijk doch ongegrond. De arbeidsrechtbank komt tot deze beslissing op volgende gronden (vonnis pp. 8 e.v.) : "De rechtbank is van oordeel dat zij in het kader van deze procedure niet tot herkwalificatie kan overgaan om de hieronder uiteengezette redenen. 1. Een herkwalificatie die in het kader van deze procedure zou worden doorgevoerd, heeft verregaande gevolgen, die het kader van de sociale verkiezingen ruimschoots overschrijden, aangezien de gebruiker en de uitzendkracht (die niet in deze procedure is betrokken en haar standpunt niet heeft kunnen weergeven) beschouwd worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid. De rechtbank moet dan ook de mogelijkheid hebben om daaromtrent een grondig onderzoek te voeren. Zij moet over al de nodige stukken kunnen beschikken om over dat geschil een uitspraak te kunnen doen en eventueel een heropening der debatten, instructiemaatregelen of een getuigenverhoor kunnen bevelen. Het verkiezingsbesluit voorziet echter voor de meeste geschillen inzake sociale verkiezingen bijkomende procedureregels, die tot doel hebben het normaal verloop van de sociale verkiezingen te waarborgen en te verhinderen dat de sociale verkiezingen niet op hun normale datum doorgang zouden kunnen vinden. Zo voorziet artikel 4 van de wet van 7 december 2007 dat (
  3. de)arbeidsrechtbank waarbij het beroep is ingesteld, uitspraak doet binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep. De arbeidsrechtbank kan praktisch gezien binnen deze termijn geen grondig onderzoek voeren naar de juiste kwalificatie van de verhouding tussen de verweerster en de uitzendkrachten. Zij kan immers binnen deze zeer korte termijn geen heropening der debatten, instructiemaatregelen of een getuigenverhoor bevelen. De korte termijnen waarover de rechtbank inzake sociale verkiezingen beschikt belet in te gaan op het verzoek van een partij de debatten te heropenen (Arbrb. Brussel, 18 februari 1983, J.T.T. 1983, 201). De ongeldigheid van de overeenkomsten inzake uitzendarbeid worden ten stelligste betwist door de verweerster. De vakorganisatie legt, behoudens 2 CAO's, als enige stukken neer: de mededeling op dag X, het bezwaar tegen de mededeling op dag x (waarin, met geen woord wordt gesproken over een eventuele ongeldige tewerkstelling van uitzendkrachten), het standpunt van de werkgever tegen dit bezwaar en een verklaring van de syndicale delegatie van 20 februari 2008 waarin zij verklaren niet te zijn geraadpleegd door de werkgever inzake de aanwerving van uitzendkrachten. De overeenkomsten van uitzendarbeid zelf, waarvan wordt gevraagd ze ongeldig te verklaren, liggen niet neer in de stukkenbundels. Ook is er geen enkel gegeven voorhanden m.b.t. de aanvang van de tewerkstelling, de duur van de overeenkomsten, de eventuele periodes van onderbreking, enz... De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze specifieke procedure, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 december 2007, waarbij zij uitspraak moet doen binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep, haar niet toelaat een grondig onderzoek door te voeren naar de juiste kwalificatie van de juridische band tussen de werkgever en de uitzendkrachten A. O., A. P., C. W., V. H., en S. C. 2. Het onderzoek naar de juiste kwalificatie van de juridische band tussen de werkgever en deze 5 personen in een zeer verkorte procedure inzake de sociale verkiezingen, brengt daarenboven in hoofde van de werkgever een probleem met zich mee van schending van zijn rechten op verdediging. In casu beroepen de vakbonden zich in het bezwaar tegen de mededeling op dag x enkel en alleen op artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling om te stellen dat de uitzendkrachten moeten in aanmerking worden genomen voor het bepalen van het aantal mandaten voor de personeelsafvaardiging. Er wordt met geen woord gesproken over een eventuele ongeldige tewerkstelling van de 5 uitzendkrachten en bijgevolg over het bestaan van 5 arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur. Dit laatste standpunt wordt voor het eerst uiteengezet in het verzoekschrift (dat) deze procedure inleidt. Het verzoekschrift werd op de uiterste datum van vrijdag 29 februari 2008 's namiddags ter griffie neergelegd. De verweerster werd bij gerechtsbrief, verstuurd op maandag 3 maart 2008 en normaliter ontvangen op 4 maart 2008, opgeroepen voor de zitting van 4 maart 2008 om 14.30 uur. Ter zitting bleek de verweerster niet eens in het bezit te zijn van de stukken van eisende partij, zodat de zaak, gelet op de zeer korte termijn voor uitspraak, werd uitgesteld naar de volgende dag, 5 maart 2008 om 11.30 uur. De verweerster beschikte dus over een uiterst korte termijn om haar rechten te waarborgen m.b.t. de vraag naar de herkwalificatie van de verhouding die zij heeft met de 5 uitzendkrachten, hoewel deze kwalificatie voor haar (en de uitzendkrachten) verregaande gevolgen heeft. De korte termijn van 7 dagen is enkel en alleen verantwoord met het oog op een normaal verloop van de sociale verkiezingen om te verhinderen dat de sociale verkiezingen niet op hun normale datum doorgang zouden kunnen vinden. Deze uiterst korte termijn schendt echter de rechten van verdediging van de verweerster indien wordt aangenomen dat in het kader van deze procedure ook uitspraak kan worden gedaan over de kwalificatie ten gronde van de verhouding tussen de werkgever en de uitzendkrachten. 3. Overeenkomstig artikel 18 van de wet van 4 december 2007 worden de kiezers op afzonderlijke lijsten ingeschreven naargelang zij in functie van de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moeten worden beschouwd. Daaruit volgt dat betwistingen in sociale verkiezingen niet kunnen gebruikt worden om het statuut van een werknemer te wijzigen van arbeider naar bediende. Dit wordt ook bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 8 januari 2001, (...)). De ratio legis hiervan is, om in het kader van een procedure sociale verkiezingen, te vermijden dat betwistingen inzake herkwalificatie van het statuut, die een grondig onderzoek vergen en waarbij eventueel instructiemaatregelen moeten worden bevolen, de procedure inzake sociale verkiezingen zouden vertragen. Ook artikel 18 voornoemd wijst er dus op dat deze rechtbank niet bevoegd is zich in de procedure sociale verkiezingen uit te spreken over voornoemde herkwalificatie. De rechtbank besluit bijgevolg dat de specifieke procedure, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 december 2007, waarbij zij uitspraak moet doen binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep, haar niet toelaat over te gaan tot herkwalificatie van de juridische relatie die bestaat tussen de werkgever en de 5 uitzendkrachten A. O., A. P., C. W., V. H., en S. C. De procedure inzake sociale verkiezingen kan niet gebruikt worden om een juridische situatie, die voortvloeit uit de wil van partijen zoals vervat in de overeenkomst van uitzendarbeid, te wijzigen. Deze rechtbank verklaart zich dan ook onbevoegd om over het onderdeel van de herkwalificatie in het kader van deze procedure uitspraak te doen. Ten overvloede wijst deze rechtbank erop dat wanneer er geen voorafgaandelijk bezwaar binnen de onderneming werd ingesteld aangaande het aantal en de verdeling van mandaten, de vordering onontvankelijk is (Cass., 19 december 1983, J.T.T., 1984, 81, en lagere rechtspraak geciteerd in: Beaufils, N., Sociale Verkiezingen 2008, V.B.O., 2007, 161). Het bezwaar moet voldoende concreet zijn, met aanduiding van de punten waarmee men niet akkoord is. Een algemeen voorbehoud volstaat niet. (Zie Arbrb Gent, 5 december 1997, AR 134.001/97, Arbrb Brussel, 13 maart 1995, A.R nr. 81.836/95, geciteerd in "Sociale verkiezingen 2008, juridische aspecten, ACV Studiedienst ACV). De bedoeling van de wetgever is immers om geschillenbeslechting maximaal via overleg- en klachtenprocedures binnen de onderneming te laten gebeuren en gerechtelijke procedures te vermijden. De korte termijn van 7 dagen om het geschil te behandelen houdt uiteraard rekening met het feit dat de werkgever reeds in het raam van het ingediende bezwaar op ondernemingsvlak, zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten en zijn verdediging daaromtrent grondig heeft kunnen voorbereiden. Door zich in het bezwaar tegen de mededeling op dag x enkel en alleen te steunen op artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling om te stellen dat de uitzendkrachten moeten in aanmerking worden genomen voor het bepalen van het aantal mandaten voor de personeelsafvaardiging en met geen woord te spreken over een eventuele ongeldige tewerkstelling van de uitzendkrachten en bijgevolg over het bestaan van 5 arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur, omzeilt de vakbond de wil van de wetgever om de geschillen over het aantal mandaten en de verdeling ervan via overleg binnen de onderneming te laten verlopen." Grieven De eiser maakte voor de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 februari 2008 twee vorderingen aanhangig die ertoe strekten te zeggen voor recht dat de verweerster in de technische bedrijfseenheid MTS Benelux Drogenbos "minstens 101 werknemers tewerkstelt, minstens dat er voor de berekening van het aantal mandaten ten minste 101 werknemers in aanmerking moeten worden genomen" en te zeggen voor recht dat het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en voor het comité voor preventie en bescherming op het werk moest bepaald worden op 6. Eerste onderdeel In zoverre het bestreden vonnis aldus moet worden gelezen dat de arbeidsrechtbank hierbij de vordering die ertoe strekte te horen vaststellen dat de verweerster op 8 februari 2008, zijnde de "dag x" inzake sociale verkiezingen, meer dan 100 personeelsleden tewerkstelde omdat rekening moest worden gehouden met de ongeldige tewerkstelling van vijf uitzendkrachten, niet ontvankelijk heeft verklaard om reden dat het voorafgaand bezwaar dat binnen de onderneming werd ingesteld enkel gesteund was geweest op de toepassing van artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling en niet op de onregelmatige tewerkstelling van uitzendkrachten, wijst de arbeidsrechtbank de vordering af op een grond van niet-ontvankelijkheid die niet door de partijen was ingeroepen. Luidens artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet de rechter, ter vrijwaring van het recht van verdediging, de heropening der debatten bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hebben ingeroepen. Het behoorde derhalve de arbeidsrechtbank, indien ze op voornoemde grond de vordering niet ontvankelijk wenste te verklaren, ambtshalve de debatten te heropenen. Door dit niet te doen, schendt de arbeidsrechtbank artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 4 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 kunnen, onder meer, de representatieve werknemers-organisaties binnen de aldaar gestelde termijn beroep instellen bij de arbeidsrechtbank tegen de in artikel 31 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 bedoelde beslissing van het orgaan over een klacht over één van de punten die in artikel 30 van laatstgenoemde wet zijn opgesomd. De wet beperkt de gronden waarop de beslissing van het bedoelde orgaan mag worden bestreden voor de arbeidsrechtbank niet tot de gronden die ook zouden zijn aangevoerd ter gelegenheid van het bezwaar binnen de onderneming. Artikel 30 van laatstgenoemde wet bepaalt dat een bezwaar kan worden ingediend tegen (...) 2°, de vaststelling van het aantal mandaten per orgaan en per categorie. De arbeidsrechtbank stelde vast (vonnis p. 4, onderaan) dat "dag x" in onderhavige zaak zich situeerde op 8 februari 2008 en dat op 15 februari door de eiser en door de LBC-NVK zowel bij de ondernemingsraad als bij het comité voor preventie en bescherming op het werk bezwaar werd ingediend "tegen de vaststelling van het aantal mandaten per orgaan, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008". Aldus voldeed de eiser aan de vereiste van een voorafgaand verhaal binnen de onderneming, voorafgaand aan de gerechtelijke procedure voor de arbeidsgerechten. In zoverre het bestreden vonnis aldus moet worden gelezen dat de arbeidsrechtbank hierbij de vordering die ertoe strekte te horen vaststellen dat de verweerster op 8 februari 2008, zijnde de "dag x" van de sociale verkiezingen, meer dan 100 personeelsleden tewerkstelde omdat rekening moest worden gehouden met de ongeldige tewerkstelling van vijf uitzendkrachten, niet ontvankelijk heeft verklaard om reden dat het voorafgaand bezwaar dat binnen de onderneming werd ingesteld, enkel gesteund was geweest op de toepassing van artikel 25 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling en niet op de onregelmatige tewerkstelling van uitzendkrachten, schendt het de artikelen 30 en 31 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 en artikel 4 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008, nu deze niet vereisen, voor de ontvankelijkheid van het gerechtelijk verhaal, dat slechts deze gronden zouden worden ingeroepen die ook ter gelegenheid van het verhaal binnen de onderneming werden aangevoerd. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande sociale verkiezingen van het jaar 2008, moet de arbeidsrechtbank binnen de zeven dagen die volgen op de ontvangst van het (in deze bepaling bedoelde) beroep uitspraak doen. De eiser voerde voor de arbeidsrechtbank reeds in de inleidende verzoekschriften onder meer aan dat de verweerster op "dag x" méér dan 100 werknemers tewerkstelde en dat er daarom, gelet op artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, 6 mandaten te begeven waren in de overlegorganen. Ter staving van de aanvoering dat er méér dan 100 werknemers waren tewerkgesteld op "dag x", stelde de eiser onder meer (verzoekschriften p. 5, nr. 2.1.) dat de uitzendkrachten moesten opgenomen worden in de telling, om reden dat hun ter beschikkingstelling als uitzendkracht niet regelmatig was verlopen en zij dus, overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 (van 7 juli 1994, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid) als werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur moesten worden beschouwd. De eiser stelde meer bepaald
(1)dat zowel bij de vervanging van een vast werknemer van wie de arbeidsovereenkomst werd beëindigd als bij de tijdelijke vermeerdering van werk, de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 voorziet in een consultatie van de syndicale afvaardiging voorafgaand aan de inzet van uitzendkrachten,
(2)dat de syndicale afvaardiging van de onderneming haar toestemming moet geven,
(3)dat deze toestemming in onderhavige dossiers niet werd gegeven en
(4)dat zo de onderneming niettegenstaande het verbod, toch uitzendkrachten zou tewerkstellen, de gebruiker en de uitzendkracht beschouwd worden te zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. De eiser legde ter staving van de afwezigheid van toestemming van de syndicale afvaardiging inzake tewerkstelling van uitzendkrachten, een verklaring van de leden van de syndicale afvaardiging voor als stuk
  1. Waar de arbeidsrechtbank oordeelt dat zij binnen de bedoelde termijn van 7 dagen, die overigens niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, niet bij machte is een grondig onderzoek door te voeren naar de juiste kwalificatie van de juridische band tussen de werkgever en de bedoelde vijf uitzendkrachten en zij zich dus ook niet uitspreekt over de rechtsvraag of de betrokken uitzendkrachten al dan niet moesten beschouwd worden als zijnde verbonden met de verweerster door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, maakt zij zich schuldig aan rechtsweigering in de zin van artikel 5 van het Gerechtelijk wetboek. Aldus rechtvaardigt de arbeidsrechtbank niet wettig haar beslissing waarbij zij zich "onbevoegd" verklaart om uitspraak te doen over de vordering tot "herkwalificatie" van de tewerkstelling van de vijf uitzendkrachten A. O., A. P., C. W., V. H., en S. C. ter bepaling van het aantal tewerkgestelde werknemers op "dag x" van de sociale verkiezingen en schendt zij bijgevolg artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, artikelen 30 en 31 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, artikel 4 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 en de artikelen 8 en 9 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid. Vierde onderdeel De arbeidsrechtbank stelt vast dat de verweerster "over een uiterst korte termijn (beschikte) om haar rechten te verdedigen m.b.t. de vraag naar de herkwalificatie van de verhouding die zij heeft met de 5 uitzendkrachten, hoewel deze kwalificatie voor haar (en de uitzendkrachten) verregaande gevolgen heeft." De rechtbank oordeelt dat "deze uiterst korte termijn (...) de rechten van verdediging van de verweerster (schendt) indien wordt aangenomen dat in het kader van deze procedure ook uitspraak kan worden gedaan over de kwalificatie ten gronde van de verhouding tussen de werkgever en de uitzendkrachten." Eisers vorderingen strekten er echter toe te zeggen voor recht dat de verweerster in de technische bedrijfseenheid MTS Benelux Drogenbos "minstens 101 werknemers tewerkstelt, minstens dat er voor de bereke¬ning van het aantal mandaten ten minste 101 werknemers in aanmerking moeten worden genomen" en te zeggen voor recht dat het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en voor het comité voor preventie en bescherming op het werk moest bepaald worden op 6 (inleidende verzoekschriften p. 9, dispositief nr. 3). Eisers vordering beoogde derhalve slechts dat voor de bepaling van het personeelsbestand op een bepaalde dag, de vijf uitzendkrachten zouden beschouwd worden als werknemers, doch strekte er niet toe ten gronde te horen vastleggen dat de rechtsverhouding tussen deze uitzendkrachten en de verweerster definitief moest worden beschouwd als zijnde een verhouding van werknemer tot werkgever. Er kon aldus geen sprake zijn van een schending van het recht van verdediging van de verweerster doordat de verhouding "ten gronde" tussen de uitzendkrachten en de verweerster zou moeten worden bepaald. Aldus rechtvaardigt de arbeidsrechtbank niet wettig haar beslissing waarbij zij zich "onbevoegd" verklaart om uitspraak te doen over de vordering tot "herkwalificatie" van de tewerkstelling van de vijf uitzendkrachten A. O., A. P., C. W., V. H., en S. C. ter bepaling van het aantal tewerkgestelde werknemers op "dag x" inzake de sociale verkiezingen en schendt zij bijgevolg artikelen 30 en 31 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, artikel 4 van de wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen van het jaar 2008 en de artikelen 8 en 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 van 7 juli 1994, gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18 december 1990 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid. In zoverre het bestreden vonnis aldus moet gelezen worden dat de arbeidsrechtbank geoordeeld heeft dat eisers vordering ertoe strekte uitspraak te horen doen "over de kwalificatie ten gronde van de verhouding tussen de werkgever en de uitzendkrachten", schendt het de bewijskracht van de inleidende verzoekschriften van de eiser, nu ze daaraan een betekenis geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, wat een schending uitmaakt van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Vijfde onderdeel Waar de arbeidsrechtbank tenslotte oordeelt dat "de specifieke procedure, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 (lees: 4) december 2007, waarbij zij uitspraak moet doen binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep, haar niet toelaat over te gaan tot herkwalificatie van de juridische relatie die bestaat tussen de werkgever en de 5 uitzendkrachten (...)", oordeelt de rechtbank schijnbaar dat zij uitgenodigd werd uitspraak te doen over de rechtsverhouding tussen de uitzendkrachten en de verweerster. Eisers vorderingen strekten er echter toe te zeggen voor recht dat de verweerster in de technische bedrijfseenheid MTS Benelux Drogenbos "minstens 101 werknemers tewerkstelt, minstens dat er voor de berekening van het aantal mandaten ten minste 101 werknemers in aanmerking moeten worden genomen" en te zeggen voor recht dat het aantal mandaten voor de ondernemingsraad en voor het comité voor preventie en bescherming op het werk moest bepaald worden op 6 (inleidende verzoekschriften p. 9, dispositief nr. 3). Eisers vordering beoogde derhalve slechts dat voor de bepa¬ling van het personeelsbestand op een bepaalde dag, de vijf uitzendkrachten zouden beschouwd worden als werknemers, doch strekte er niet toe ten gronde te horen vastleggen dat de rechtsverhouding tussen deze uitzendkrachten en de verweerster definitief moest worden beschouwd als zijnde een verhouding van werknemer tot werkgever. In zoverre het bestreden vonnis aldus moet worden gelezen dat de arbeidsrechtbank hierbij heeft geoordeeld hebben dat eisers vordering ertoe strekte uitspraak te horen doen over de kwalificatie ten gronde van de verhouding tussen de werkgever en de uitzendkrachten, schendt het de bewijskracht van de eisers inleidende verzoekschriften, nu ze daaraan een betekenis geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, wat een schending uitmaakt van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: er zijn meer dan vijftien dagen verlopen tussen de betekening van het verzoekschrift op 4 mei 2008 en de indiening ervan op de griffie op 6 juni 2008 zodat het cassatieberoep op grond van artikel 1079, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet toelaatbaar is; daar de Franse vertaling vermeldt dat het verzoekschrift werd betekend op 4 juni 2008, is de betekening tevens nietig op grond van de artikelen 862, §1, 3°, en §2, en 867 van het Gerechtelijk Wetboek zodat het cassatieberoep ook hierdoor niet toelaatbaar is.
  3. De vermelding van de datum "4 mei 2008" in het in het Nederlands gestelde betekeningsexploot van het verzoekschrift tot cassatie is onmiskenbaar een materiële vergissing. Dit blijkt uit de volgende omstandigheden: - de betekening betreft een "verzoekschrift in cassatie van de verzoekende partij van 2 juni 2008"; - er kan niet op 4 mei 2008 worden overgegaan tot betekening van een akte die dagtekent van 2 juni
  4. - de betekening gebeurde in het Frans taalgebied en de Franstalige betekeningsakte vermeldt als datum van betekening: "quatre juin", dit is "vier juni"; - overeenkomstig artikel 47, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek mag geen betekening worden gedaan op zaterdag, zondag of een wettelijke feestdag, behoudens verlof van de rechter, terwijl 4 mei 2008 een zondag was en het betekeningsexploot zulk verlof niet vermeldt. Het Hof vermag die materiële vergissing van datum van "4 mei 2008" te verbeteren in "4 juni 2008". De grond van niet ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste middel
  5. Krachtens artikel 25, eerste lid, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, hierna Uitzendarbeidswet genoemd, komen voor de toepassing van de bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, de ter beschikking van een gebruikende onderneming gestelde uitzendkrachten eveneens in aanmerking voor de berekening van de personeelssterkte, tewerkgesteld door die onderneming. Krachtens artikel 25, tweede lid, van de Uitzendarbeidswet, geldt het eerste lid niet voor de uitzendkrachten die vaste werknemers vervangen als bedoeld in artikel 1, §2, 1°, van die wet. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet bepaalt: "Wat de wetgeving op de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen betreft, bepaalt de Koning de wijze van berekening van het gemiddelde van de uitzendkrachten die door een gebruiker worden tewerkgesteld."
  6. Het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet geldt blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen voor alle wettelijke bepalingen die steunen op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, dit is zowel voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor de oprichting van een orgaan als voor wettelijke bepalingen die de drempel bepalen voor andere of ondergeschikte verplichtingen. Het geldt ook zowel voor wettelijke bepalingen die steunen op het "aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld als voor wettelijke bepalingen die steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Artikel 25, derde lid, van de Uitzendarbeidswet verleent aan de Koning de bevoegdheid te bepalen hoe de gemiddelde tewerkstelling van uitzendkrachten moet worden berekend voor de erin aangeduide wetgeving welke bepalingen bevat die steunen op het gemiddeld aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld. Het strekt er niet toe de toepassing van artikel 25 van de Uitzendarbeidswet te beperken tot alleen die wettelijke bepalingen welke steunen op het "gemiddeld aantal werknemers" dat door een onderneming wordt tewerkgesteld.
  7. Krachtens artikel 23, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is de personeels-afvaardiging in de raad en in het comité samengesteld uit: "4 gewone leden voor een onderneming met minder dan 101 werknemers; 6 gewone leden voor een onderneming met 101 tot 500 werknemers; (...), op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd". Krachtens artikel 23, vijfde lid, van deze wet bestaat de afvaardiging bovendien uit plaatsvervangende leden waarvan het aantal gelijk is aan dat van de gewone leden.
  8. Artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 is een wetsbepaling die steunt op het aantal werknemers dat door een onderneming wordt tewerkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Uitzendarbeidswet. Hieruit volgt dat de uitzendkrachten die op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum der verkiezingen wordt aangekondigd, ter beschikking van een gebruikende onderneming zijn gesteld, eveneens in aanmerking komen voor de berekening van de personeelssterkte van die onderneming en dus voor de vaststelling van het aantal leden en plaatsvervangende leden van de personeelsafvaardiging in de ondernemingsraad en in het comité voor preventie en bescherming op het werk.
  9. Het vonnis stelt vast dat bij de verweerster 5 uitzendkrachten aan het werk waren op dag x, dit is de datum van aanplakking van het bericht waarbij de datum van de verkiezingen wordt aangekondigd, en dat de verweerster op de voornoemde datum 100 werknemers telt. Het oordeelt dat de 5 uitzendkrachten niet in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het aantal te verdelen mandaten zodat dit aantal door de verweerster terecht op 4 werd berekend. Het vonnis steunt die beslissing op de redenen dat: - artikel 25 van de Uitzendarbeidswet niet van toepassing is op de interne bepalingen van de wetten en verordeningen die steunen op het aantal werknemers dat door de onderneming tewerkgesteld wordt die, van zodra zij van toepassing zijn ten gevolge van het overschrijden van een bepaalde personeelssterkte, bijkomende verplichtingen opleggen; - uitzendkrachten enkel in aanmerking moeten genomen worden om uit te maken of de drempels al dan niet werden bereikt voor het instellen van een ondernemingsraad of een comité voor preventie en bescherming op het werk, en het aantal uitzendkrachten geen weerslag heeft op de vaststelling van het aantal mandaten. Door aldus aan artikel 25 van de Uitzendarbeidswet een voorwaarde toe te voegen die het niet bevat, schendt het vonnis die wetsbepaling en artikel 23, eerste lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 en verantwoordt het niet wettig zijn beslissing dat het aantal te verdelen mandaten terecht op 4 werd berekend en eisers vordering op dit punt ongegrond is. Het middel is gegrond. Tweede middel
  10. Het middel kan niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behalve in zoverre het eisers vordering tot toevoeging van de vijf uitzendkrachten aan de kiezerslijsten onontvankelijk verklaart. Verklaart dit arrest bindend aan de tot bindendverklaring opgeroepen partijen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de verweerster in de kosten van de memorie van wederantwoord. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Arbeidsrechtbank te Leuven. De kosten zijn begroot op de som van 590,41 euro jegens de eisende partij en op de som van 79,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Waûters R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090330.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090330.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.