id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.2 Rolnummer: P.08.1929.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 917 - laatst gezien 2026-07-03 00:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In strafzaken is de dagvaarding alleen nietig wanneer een wezenlijk bestanddeel van die akte ontbreekt of wanneer vaststaat dat het recht van verdediging, zoals onder meer gewaarborgd door de artikelen 6.1 en 6.3.a EVRM en 14.1 en 14.3.a IVBPR, door een onregelmatigheid van de dagvaarding wordt miskend
(1).
(1)Cass., 14 dec. 1976, A.C., 1977, 426; Cass., 27 mei 1981, A.C., 1980-81, 1121; Cass., 4 feb. 1986, AR 9714, A.C., 1985-86, nr 354; Cass., 26 mei 1987, AR 703, A.C., 1986-87, nr 580; Cass., 21 okt. 1987, AR 6032, A.C., 1987-88, nr 106; Cass., 7 dec. 1988, AR 6990, A.C., 1988-89, nr 206; Cass., 19 juni 1990, AR 4595, A.C., 1989-90, nr 609; Cass., 8 juni 1994, AR P.94.0165.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940608.17, A.C., 1994, nr 294; Cass., 13 okt. 1998, AR P.98.1066.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.9, A.C., 1998, nr 443; Cass., 23 mei 2001, AR P.01.0218.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4, A.C., 2001, nr 306; Cass., 12 nov. 2002, AR P.01.0962.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.10, A.C., 2002, nr 597; Cass., 14 feb. 2007, AR P.06.1580.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.2, A.C., 2007, nr 90. Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Dagvaarding Vrije woorden: Strafzaken - Nietigheid Fiches 2 - 3 Artikel 182 Wetboek van Strafvordering bepaalt niet in welke bewoordingen de dagvaarding de ten laste gelegde feiten moet omschrijven; deze bepaling vereist enkel dat de dagvaarding het feit dat de telastlegging uitmaakt en kenmerkt, op die wijze omschrijft dat het voorwerp ervan voldoende duidelijk blijkt voor de beklaagde en diens recht van verdediging verzekerd wordt
(1).
(1)Cass., 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, A.C., 1998, nr 534; Cass., 29 maart 2000, AR P.99.1857.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000329.11, A.C., 2000, nr 211; Cass., 12 nov. 2002, AR P.01.0962.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.10, A.C., 2002, nr 597; Cass., 4 feb. 2003, AR P.02.0615.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4, A.C., 2003, nr
- Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Dagvaarding Vrije woorden: Strafzaken - Bewoordingen - Inhoud - Vereiste Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Dagvaarding Vrije woorden: Beklaagde - Dagvaarding - Inhoud - Vereiste Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1929.N S A D P V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recolettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- A D, burgerlijke partij,
- W D, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 19 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a. EVRM en miskenning van het algemeen beginsel van de exceptio obscuri libelli: de appelrechters oorde-len ten onrechte dat de strafvordering ontvankelijk is alhoewel bij ontstentenis van vermelding van enig feitelijk gegeven in de akte van aanhangigmaking en de dag-vaarding, de eiser onmogelijk, tot in de bijzonderheden, de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldiging kon vernemen, zoals voormelde verdrags-bepaling nochtans vereist.
- In strafzaken is de dagvaarding alleen nietig wanneer een wezenlijk bestand-deel van die akte ontbreekt of wanneer vaststaat dat het recht van verdediging, zo-als onder meer gewaarborgd door de artikelen 6.
- en 3.a. EVRM en 14.
- en 3.a. IVBPR, door een onregelmatigheid van de dagvaarding wordt miskend.
- Artikel 182 Wetboek van Strafvordering bepaalt niet in welke bewoordingen de dagvaarding de ten laste gelegde feiten moet omschrijven. Deze bepaling ver-eist enkel dat de dagvaarding het feit dat de telastlegging uitmaakt en kenmerkt, op die wijze omschrijft dat het voorwerp ervan voldoende duidelijk blijkt voor de beklaagde en diens recht van verdediging verzekerd wordt.
- Het arrest oordeelt dat bezwaarlijk kan worden gesteld dat de eiser aan de hand van de dagvaarding niet kon weten welke misdrijven hem ten laste worden gelegd. Op de gronden die het vermeldt, stelt het vast dat het recht van verdedi-ging van de eiser niet in het gedrang komt. Met die redenen verantwoordt het arrest zijn beslissing dat de strafvordering ont-vankelijk is, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest antwoordt niet op eisers conclusie dat de akte van aanhangigmaking en de dagvaarding geen enkel feitelijk gegeven van het misdrijf vermeldt, noch op diens conclusie dat bij gebreke aan duidelijke libelering de rechter niet kan uitmaken voor welke feiten hij is gevat.
- Met de redenen die zij vermelden en die slechts onvolledig in het middel wor-den aangehaald, beantwoorden de appelrechters voormelde conclusie. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 14.3.g, IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 56 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging, waaronder het vermoeden van onschuld: ofschoon zij vaststellen dat wegens een miskenning van het vermoeden van onschuld de bewijsverkrijging is aangetast, verwijderen de appelrechters willekeurig bepaalde stukken uit het dossier en andere niet, zonder "na te gaan of de op onregelmatige wijze verkregen stukken geen gevolgen had op vlak van de betrouwbaarheid van het bewijs of dat hierdoor het recht op een eer-lijk proces in gevaar werd gebracht"; dit geldt ook voor de betrouwbaarheid van de nadien onder leiding van onderzoeksrechter Claeys ingezamelde bewijselemen-ten, gelet op de voordien op onregelmatige wijze verkregen stukken onder leiding van onderzoeksrechter Van Damme; de appelrechters hebben evenmin hun beslis-sing gemotiveerd. De aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs en het in gevaar brengen van het recht op een eerlijk proces betreft de beoordeling van de toelaatbaarheid van het onrechtmatig verkregen bewijs. Deze beoordeling houdt geen verband met de daaropvolgende beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de nietige handelingen en de latere onderzoekshandelingen doordat deze al of niet er recht-streeks uit volgen. De appelrechters die oordelen dat de vorige of latere onderzoekshandelingen, doordat zij onafhankelijk van het ontoelaatbaar bevonden bewijs werden bekomen en op wettige wijze werden gesteld, als zelfstandig bewijs kunnen dienen, verant-woorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grond-wet: het bestreden arrest dat enerzijds het verhoor door de onderzoeksrechter na de vrijheidsbeneming wegens onregelmatigheid uit het debat weert, maar ander-zijds eisers veroordeling op dit proces-verbaal van verhoor steunt, schendt voor-melde verdragsbepaling en is daarenboven tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de appel-rechters hun vaststelling dat de eiser de tweede verweerder herhaaldelijk bleef las-tig vallen, laten steunen op het bedoelde proces-verbaal. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 104,15 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Etienne Goethals, als waarnemend voorzitter, en de raadshe-ren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 31 maart 2009 uitgesproken door raadsheer Etienne Goethals, als waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090331.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940608.17 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981013.9 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000329.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070214.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121016.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150113.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210303.2F.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div