id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.3 Rolnummer: C.07.0447.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 546 - laatst gezien 2026-07-03 04:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer het door de eiser in vervallenverklaring aangevoerde niet-gebruik van het merk waarschijnlijk voorkomt, kan de rechter de merkhouder belasten met het leveren van een positief bewijs van gebruik
(1).
(1)Zie Cass., 6 juni 2003, AR C.01.0503.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030606.1, A.C., 2003, nr 340. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Internationaal recht Vrije woorden: Merk - Niet-gebruik - Gebruik - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315 Wet - 19-03-1962 - Art. 5, 2, a Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Internationaal recht Vrije woorden: Benelux Merkenwet - Merk - Niet-gebruik - Gebruik - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315 Wet - 19-03-1962 - Art. 5, 2, a Fiches 3 - 5 Wanneer een vraag om uitlegging voor het Hof van Cassatie rijst, waarvoor het Benelux-Gerechtshof als enige bevoegd is om ze te beantwoorden, zoals de vraag of artikel 12 BMW, enerzijds, artikel 2.19.1 BVIE, anderzijds, in samenhang gelezen met artikel 4.8 BVIE, zo moeten worden uitgelegd dat de houder van een merk dat op grond van het eenvormige Beneluxrecht vervallen is, geen bescherming kan verlangen voor het gebruik van dat teken ten aanzien van een onderneming die verwarring sticht door datzelfde teken te gebruiken, stelt het Hof die vraag aan het Benelux-Gerechtshof
(1).
(1)Het O.M. concludeerde ook tot verwerping van de beide onderdelen van het eerste middel en van het eerste onderdeel van het tweede middel. Het was evenwel van mening dat het tweede onderdeel van het tweede middel nieuw en dus niet ontvankelijk was, daar de eiseres voor het hof van beroep niet had opgeworpen dat artikel 10bis, 3° van het Unieverdrag kon worden ingeroepen in België "indien het voordeliger is dan de Belgische wetgeving", noch dat "het voorrang (geniet) op de wettelijk bepaalde reflexwerking van artikel 12.A.1 BMW (waarop het arrest zich beroept)". Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Internationaal recht Vrije woorden: Benelux Merkenwet - Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Verval - Teken - Gebruik - Bescherming - Mogelijkheid - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 19-03-1962 - Art. 12 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.19.1 en 4.8 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1883 - Art. 10bis, 3°, 1 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Internationaal recht Vrije woorden: Benelux - Benelux Merkenwet - Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Merk - Verval - Teken - Gebruik - Bescherming - Mogelijkheid - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 19-03-1962 - Art. 12 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.19.1 en 4.8 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1883 - Art. 10bis, 3°, 1 Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Merk - Internationaal recht Vrije woorden: Benelux-Verdrag intellectuele eigendom - Prejudicieel geschil - Merk - Verval - Teken - Gebruik - Bescherming - Mogelijkheid - Vraag om uitlegging - Benelux-Gerechtshof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 31-03-1965 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19650331-30 Wet - 19-03-1962 - Art. 12 Wet - 22-03-2006 - Artt. 2.19.1 en 4.8 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-03-1883 - Art. 10bis, 3°, 1 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0447.N D. ENGELS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Paardenmarkt 83, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen DAEWOO ELECTRONICS EUROPE, GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 35510 Butzbach, Duitsland, Otto-Hahnstrasse 21, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Frans Jennes, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 15, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Cécile Draps, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 4020 Luik, Rue de Chaudfontaine 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 april 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek draagt degene die een feit aanvoert de bewijslast ervan. Overeenkomstig artikel 5,2.a. BMW in fine kan de rechter de merkhouder geheel of gedeeltelijk met het bewijs van het gebruik van het merk belasten.
- Uit de Memorie van Toelichting bij het Benelux-verdrag inzake de warenmerken en de Eenvormige Beneluxwet op de warenmerken blijkt dat indien de eiser in vervallenverklaring bij uitsluiting met het negatieve bewijs van het niet-gebruik zou worden belast, de sanctie op het niet-gebruik dode letter zou blijven en dat de eenvormige wet de rechter de bevoegdheid geeft de bewijslast op de meest billijke wijze te verdelen. Daarbij, aldus de Memorie van Toelichting, zal in het algemeen de blote bewering van niet-gebruik onvoldoende zijn om de merkhouder met het bewijs van gebruik te belasten, maar wanneer het niet-gebruik de rechter waarschijnlijk voorkomt, kan hij de merkhouder belasten met het leveren van een positief bewijs van gebruik.
- De appelrechters onderzoeken welk concreet gebruik wordt aangevoerd door de eiseres en leiden hieruit af, na onderzoek van de aard van het beweerde gebruik, dat dit geen dienstig gebruik uitmaakt. Zij schenden aldus de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Verder voerde de eiseres in haar verzoekschrift en conclusie in hoger beroep, samengevat, aan dat zij van het merk "DE" een normaal gebruik maakte in de relevante periode, zelfs al betrof dit een gebruik in combinatie met andere elementen, daar dit geen wijziging van het merk inhield, maar een "gezamenlijk gebruik van het merk met andere elementen"; minstens moest dit gebruik van het merk, volgens de eiseres, aangezien worden als "een gebruik van het merk in een op onderdelen afwijkende vorm" in de zin van artikel 5.3 BMW. De verweerster voerde in conclusies in hoger beroep daartegen aan dat dit als een gebruik van een "Samengesteld Logo" moest worden aangezien en niet als een normaal gebruik van het "Geregistreerde Merk".
- Hieruit blijkt dat de partijen elk het bewijs trachtten te leveren van de feiten die zij aandroegen.
- Nu beide partijen over en weer bewijselementen aanbrengen, werpen de appelrechters, met hun expliciete toewijzing van de bewijslast, geen betwisting op die door de partijen in conclusie was uitgesloten en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren, noch schenden zij hierdoor het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat de eiseres van het door haar gedeponeerde beeldmerk geen normaal gebruik gemaakt heeft. Na herhaling van de algemene regel dat het merk een gebruik in de geregistreerde vorm veronderstelt, waarbij een op onderdelen afwijkende vorm is toegelaten zonder dat het onderscheidend kenmerk van het merk zoals het is ingeschreven, wordt gewijzigd, analyseren de appelrechters de stukken en stellen zij aan de hand van voorbeelden vast dat het merk steeds in combinatie met andere onderscheidende tekens werd gebruikt. Hieruit leiden zij af dat onderdelen aan het merk werden toegevoegd die de onderscheidende kenmerken van het beeldmerk "DE" wijzigden. Vervolgens stellen de appelrechters vast dat het publiek de combinatie als merk ervaart, en niet het teken "DE", dat hiervan slechts een bestanddeel is.
- De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het bedoelde verweer. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Verder dienden de appelrechters, gelet op dit oordeel, niet te antwoorden op het in het onderdeel aangevoerde verweer aangaande de ratio legis van de wetsbepaling en het proportionaliteitsbeginsel, vermits dit geen afzonderlijk verweer vormt maar slechts argumenten zijn ter staving van eiseres' middel dat het merk niet vervallen mocht worden verklaard. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel
- De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is daar het nieuw is voor zover het is gebaseerd op de schending van de artikelen 1 en 2 van de goedkeuringswet van 26 september 1974 of voor zover het de voorrang van artikel 10bis van het Unieverdrag van Parijs op artikel 12.A van de Eenvormige Benelux-wet op de merken inroept.
- De eiseres voert in haar appelconclusie van 18 januari 2007 aan dat zij het gebruik van het "DE" logo als bedrijfslogo, dit is als aanduiding van de onderneming zelf aanvecht, op grond van het Unieverdrag, "dat rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde", en met een specifieke verwijzing naar rechtsleer die voorhoudt dat artikel 10bis, 3°, van het Unieverdrag voorrang heeft op artikel 12 BMW. De verweerster beantwoordde dit verweer in haar aanvullende en syntheseconclusie van 16 februari 2007, onder de titel "omtrent de vorderingen van Engels gesteund op het Unieverdrag en/of de Wet op de Handelspraktijken", waarbij zij inging op het argument geput uit de rechtsleer.
- Het middel maakte aldus deel uit van het debat is derhalve niet nieuw. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Op grond van de artikelen 1 en 2 van de wet van 26 september 1974 houdende onder meer goedkeuring van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, herzien te Stockholm op 14 juli 1967, kunnen de Belgen te hunnen voordele de toepassing inroepen van artikel 10bis, 3°, 1 van dit verdrag. Krachtens artikel 10bis, 3,
- van het Unieverdrag dienen met name te worden verboden de "daden, welke ook, die verwarring zouden kunnen verwekken door onverschillig welk middel ten opzichte van de inrichting, de waren of de werkzaamheid op het gebied van nijverheid of handel van een concurrent".
- Krachtens artikel 12 BMW kan niemand, welke vordering hij ook instelt, in rechte bescherming inroepen voor een teken, dat als merk beschouwd wordt in de zin van artikel 1 BMW, tenzij hij het op regelmatige wijze heeft gedeponeerd en zo nodig de inschrijving ervan heeft doen vernieuwen. De appelrechters baseren eveneens hun beslissing op artikel 2.19 BVIE krachtens hetwelk, behoudens de houder van een algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis van het Verdrag van Parijs, niemand, welke vordering hij ook instelt, in rechte bescherming kan inroepen voor een teken dat als merk wordt beschouwd in de zin van artikel 2.1 lid 1 en 2, tenzij hij zich kan beroepen op een inschrijving van het door hem gedeponeerde merk.
- Artikel 4.8 BVIE bepaalt dat de bepalingen van dit verdrag geen afbreuk doen aan de toepassing van het Verdrag van Parijs.
- De vraag rijst of artikel 12 BMW, enerzijds, artikel 2.19.1 BVIE, anderzijds, in samenhang gelezen met artikel 4.8 BVIE zo moeten worden uitgelegd dat de houder van een merk dat op grond van het eenvormige Beneluxrecht vervallen is, geen bescherming kan verlangen voor het gebruik van dat teken ten aanzien van een onderneming die verwarring sticht door datzelfde teken te gebruiken.
- Het Beneluxgerechtshof is als enige bevoegd om op die vraag te antwoorden. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Beneluxgerechtshof zal uitspraak gedaan hebben over de vraag vermeld sub r.o. nr.
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 3 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030606.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div