id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.4 Rolnummer: C.07.0496.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-07-02 23:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het staat aan de partijen door het hoofdberoep en het incidenteel beroep de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over aan de rechter voorgelegde betwistingen; uit de relatieve werking van het hoger beroep volgt, in de regel, dat het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt
(1).
(1)Cass., 19 maart 2004, AR C.03.0386.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040319.7, A.C., 2004, nr 159. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep Vrije woorden: Relatieve werking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, eerste lid Fiche 2 Het belang om incidenteel beroep in te stellen kan worden beoordeeld op basis van het risico dat de wijziging van het beroepen vonnis ingevolge het hoofdberoep zou inhouden voor degene die dat beroep instelt
(1).
(1)Cass., 15 sept. 1997, AR S.96.0103.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970915.5, A.C., 1997, nr
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep Vrije woorden: Belang - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1054 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0496.N B. C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J. W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 30 november 1999 en 12 juni 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 Grondwet; - artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 231, 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De eiseres had voor het hof van beroep aangevoerd dat zij de echtscheiding vroeg en vraagt op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, zijnde de grove beledigingen haar aangedaan door de verweerder, gesteund op volgende grieven:
- transfers gelden en goederen van de gemeenschap naar eigen vermogen of ouders;
- terroriseren van het gezin;
- slaan van de eiseres;
- zwaar beledigende taal een "intellectueel onwaardig";
- ziekelijk jaloers;
- financieel zolang mogelijk profiteren via het saboteren van de procedure;
- terroriseren via het bezoekrecht;
- het versturen van anonieme brieven naar de werkgever, het Hoog Comité van Toezicht en de Bijzondere Belastingsinspectie; het versturen van anonieme brieven naar personeelsleden, ziekenhuizen, rusthuizen, enz.;
- het versturen van cassettes in anonieme omslagen naar de personeelsleden van afgeluisterde gesprekken van zijn echtgenote met composities van vroegere gesprekken. (cf. p. 7-19 van de "Besluiten" van de eiseres dd. 23 december 1997; p. 3-9 van de "Tweede Besluiten" van eiseres dd. 27 oktober 1998; p. 8-13 "Synthesebesluiten" van de eiseres dd. 1 november 2006). Het hof van beroep beoordeelde deze vordering in zijn arrest van 30 november 1999 "alvorens recht te doen" als volgt: "Overwegende dat de eerste rechter de echtscheiding ten laste van (de verweerder) heeft uitgesproken op grond van de door (de eiseres) vooropgestelde feiten 4 en 5; 1) Aangaande feit 4 van de rechtstreekse getuigenverhoren Overwegende dat dit feit als volgt gelibelleerd is: ‘Dat (de verweerder) zijn echtgenote incognito volgde op congressen, onder meer in Den Haag in het jaar...' Overwegende dat vastgesteld moet worden dat geen enkele getuige van het rechtstreekse getuigenverhoor over dit feit ondervraagd werd; Dat dit feit door (de eiseres) dan ook niet bewezen werd; Dat het ten onrechte is dat de eerste rechter zich op feit 4 heeft gesteund om de echtscheiding ten laste van (de verweerder) uit te spreken; Dat in zoverre de eerste rechter zich hierbij gesteund zou hebben op de verklaring van sommige getuigen over de jaloerse houding van (de verweerder) door de eerste rechter bestempeld als "constante en tergende jaloezie dikwijls in aanwezigheid van derden", dezelfde overwegingen gelden als welke hierna gemaakt worden aangaande het door (de eiseres) aangehaalde feit 5; 2) Aangaande feit 5 van de rechtstreekse getuigenverhoren Overwegende dat dit feit als volgt gelibelleerd is: ‘Dat (de verweerder) niet aarzelde zijn echtgenote in bijzijn van derden en zelfs in het bijzijn van de kinderen constant te tergen en te beledigen door haar uit te schelden voor ‘hoer'; (...) Overwegende dat deze eensluidende verklaringen van de eerste, tweede, derde, zesde, zevende en elfde getuige van het rechtstreekse getuigenverhoor volgt dat het feit dat (de verweerder) zijn echtgenote tegenover derden bestempelde als een "hoer" ten genoege van recht bewezen is, ook al is het juist dat verklaringen van familieleden van de betrokken partij met enige omzichtigheid benaderd dienen te worden; Overwegende evenwel dat de eerste, tweede en zesde getuige het feit niet situeren in de tijd, dat de derde en zevende getuige het situeren in 1994 en de elfde getuige wat hem betreft in 1995; Overwegende bovendien dat (de verweerder) in het kader van zijn tegeneis tot echtscheiding als grief tegen zijn echtgenote aanvoert dat zij er sinds 1990 verschillende buitenechtelijke relaties op heeft nagehouden, en dat zij in 1993 en 1994 met een man ‘P.J.' waarmee zij kennelijk de zevende getuige van het rechtstreekse getuigenverhoor bedoeld wordt, een hotelkamer deelde; Dat om te kunnen uitmaken of het voldoende naar recht bewezen feit 5 een ‘grove belediging' in de zin van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudt ten laste van (de verweerder), en derhalve volstaat om tegen hem de echtscheiding uit te spreken, de concrete omstandigheden waarin (de verweerder) deze uitspraken deed, gekend dienen te zijn, en met name geweten dient te zijn of de bewering van (de verweerder) dat zijn echtgenote sinds 1990 er verschillende buitenechtelijke relaties op nahield, al dan niet met de werkelijkheid overeenstemt; Dat er in deze omstandigheden dan ook reden is om ambtshalve de schorsing van de behandeling en berechting van de zaak te bevelen, in afwachting van de uitspraak van de eerste rechter aangaande de tegeneis tot echtscheiding ingesteld door (de verweerder), nu de feiten waarop deze tegeneis gesteund zijn van aard zijn de beoordeling van feit 5 waarop de hoofdeis in echtscheiding van (de eiseres) gesteund is, te beïnvloeden; Overwegende dat, zoals boven reeds gezegd, het (hof van beroep) niet gevat is van de andere feiten die oorspronkelijk door (de eiseres) werden ingeroepen ter ondersteuning van haar echtscheidingseis, nu (de eiseres) geen incidenteel hoger beroep heeft aangetekend". (Arrest van 30 november 1999) Het Hof van Beroep beoordeelde deze vordering ten slotte in zijn eindarrest van 12 juni 2007 als volgt: "nu vaststaat dat (de eiseres) in de periode 1993-1997 een intensieve relatie onderhield met de heer P.J. die het niveau van een eenvoudige vriendschapsrelatie overschreed en dat ze zulks voor de buitenwereld niet verborgen hield, het feit dat (de verweerder) in 1994-begin 1995 zijn echtgenote tegenover derden bestempelde als een "hoer", met inachtneming van alle aangevoerde concrete omstandigheden van de zaak beschouwd dient te worden als overtrokken uitlatingen van een gekwetste en gefrustreerde echtgenoot, maar het feit niet voldoende zwaarwichtig is om beschouwd te kunnen worden als een grove belediging in de zin van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, die het uitspreken van de echtscheiding ten laste van (de verweerder) zou rechtvaardigen". Grieven Eerste onderdeel
- Schending van de artikelen 1068 van het Gerechtelijk Wetboek juncto 231 van het Burgerlijk Wetboek. 1.
- In onderhavig geval had de eiseres voor het hof van beroep aangevoerd dat de vordering tot echtscheiding op grond van feiten (grove beledigingen) ex artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, wel degelijk diende te worden uitgesproken in het nadeel van de verweerder op grond dat de verweerder zich schuldig had gemaakt aan volgende fouten: - transferts gelden en goederen van de gemeenschap naar eigen vermogen of ouders; - terroriseren van het gezin; - slaan van de eiseres; - zwaar beledigende taal een "intellectueel onwaardig"; - ziekelijk jaloers; - financieel zolang mogelijk profiteren via het saboteren van de procedure; - terroriseren via het bezoekrecht; - het versturen van anonieme brieven naar de werkgever, het Hoog Comité van Toezicht en de Bijzondere Belastingsinspectie; het versturen van anonieme brieven naar personeelsleden, ziekenhuizen, rusthuizen, enz.; - het versturen van cassettes in anonieme omslagen naar de personeelsleden van afgeluisterde gesprekken van zijn echtgenote met composities van vroegere gesprekken. (p. 7-19 van de "Besluiten" van eiseres dd. 23 december 1997; p. 3-9 van de "Tweede Besluiten" van de eiseres dd. 27 oktober 1998; p. 8-13 "Synthesebesluiten" van de eiseres dd. 1 november 2006). 1.
- Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat: "hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen (...) het geschil zelf aanhangig (maakt) bij de rechter in hoger beroep". Door het hoger beroep gaat het geschil op de rechters over met alle feitelijke en juridische vragen die ermee samenhangen. De appelrechter mag zijn beslissing niet gronden op de mening van de eerste rechter zonder zelf de gegrondheid ervan te beoordelen (Cass. 18 maart 1999, A.C. 1999, nr. 405). Hoewel het aan de partijen toekomt om door het hoofdberoep en het incidenteel beroep, de perken te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de eerste rechter voorgelegde betwistingen (het beschikkingsbeginsel) (cfr. Cass. 2 december 1982, A.C. 1982-83, nr. 204; Cass. 28 juni 1999, A.C. 1999, nr. 405) staat het aan de rechter niet vrij om de argumenten die de partijen hebben aangebracht ter ondersteuning van hun eis of de verweer in hoger beroep binnen de grenzen van hun vordering, te weerhouden al naargelang de eerste rechter over de gegrondheid ervan reeds uitspraak heeft gedaan. Het Hof heeft de autonomie van het belang als toelaatbaarheidsvereiste in hoger beroep erkend in het arrest van 13 september
- Een partij, zoals in casu de eiseres, wiens vordering integraal werd toegekend heeft niet de mogelijkheid om tegen deze beslissing hoger beroep in te stellen, bij gebreke aan procesrechtelijk en materieelrechtelijk belang (Cass. 13 september 1991, A.C. 1991-92, nr. 22; K. BROECKX, "De autonomie van het belang als toelaatbaarheidsvereiste in hoger beroep" R.W. 1991-92, 882 e.v.). 1.
- Het bestreden arrest dat alvorens recht te doen oordeelt dat "het hof (van beroep) niet gevat is van de andere feiten die oorspronkelijk door (de eiseres) werden ingeroepen ter ondersteuning van haar echtscheidingseis, nu (de eiseres) geen incidenteel hoger beroep heeft aangetekend" (p. 7 arrest dd. 30 november 1999) schendt aldus artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. 1.
- Nu het (hof van beroep) aan de feiten zoals aangebracht door de eiseres een draagwijdte heeft gegeven die zij niet hadden schendt het eveneens artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, doordat het (hof van beroep) vanuit de vastgestelde feiten niet wettig tot de toepassing of niet-toepassing kon komen van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek. 1.
- Doordat het (hof van beroep) in haar eindarrest de motivering op dit punt overneemt (p. 9-10 arrest 12 juni 2007), schendt het eindarrest eveneens, op dezelfde gronden, artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek juncto artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel
- Schending van artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging 2.
- Het (hof van beroep) heeft in zijn tussenarrest, op 30 november 1999 geoordeeld dat: "om uit te kunnen maken of het voldoende naar recht bewezen feit 5 een "grove belediging" in de zin van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudt ten laste van (de verweerder), en derhalve volstaat om tegen hem de echtscheiding uit te spreken, de concrete omstandigheden waarin (de verweerder) deze uitspraken deed, gekend dienen te zijn, en met name (...) Dat het hof (van beroep) niet gevat is van de andere feiten die oorspronkelijk door (de eiseres) werden ingeroepen ter ondersteuning van haar echtscheidingseis, nu (de eiseres) geen incidenteel hoger beroep heeft aangetekend; 2.
- Nu het arrest niet antwoordt op alle relevante grieven en middelen aangevoerd door de eiseres, met name de ‘andere feiten' vermeld in eiseres' conclusies zoals weergegeven in het eerste onderdeel (nr. 1.1.), is het niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek). 2.
- Aangezien de partijen al die feiten zoals voorgedragen in de conclusie van de eiseres niet hebben kunnen bespreken, heeft het hof van beroep tevens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van de verdediging eveneens miskend (Cf. Cass. 11 maart 2002, A.R. nr. C.010308.F; Cass. 24 maart 2006, A.R. nr. C.05.0360.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060324.3). 2.
- Doordat het (hof van beroep) in zijn eindarrest de motivering op dit punt overneemt (p. 9-10 arrest 12 juni 2007), schendt het eindarrest eveneens, op dezelfde gronden, artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek, evenals het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Derde onderdeel
- Schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek. 3.
- Het (hof van beroep) oordeelt: "Dat (de verweerder) zijn echtgenote incognito volgde op congressen, onder meer in Den Haag in het jaar... Overwegende dat vastgesteld moet worden dat geen enkele getuige van het rechtstreekse getuigenverhoor over dit feit ondervraagd werd; Dat dit feit door (de eiseres) dan ook niet bewezen werd; 3.
- Nu blijkt uit een verklaring via fax opgesteld door een zgn. heer "D., hoteluitbater hotel Petit te Den Haag", aangebracht voor het (hof van beroep) door de verweerder ("Besluiten, p. 9, verwijzing naar "stuk 7") dat de eiseres tijdens het congres in Den Haag achtervolgd werd door de verweerder die buiten haar medeweten in hetzelfde hotel een kamer boekte ("Aanvullende besluiten" van de eiseres, p. 4), heeft het (hof van beroep) de bewijskracht van de conclusie van eiseres geschonden, nu het (hof van beroep), door het niet in overweging nemen van bewuste fax zoals vermeld in de conclusie van de eiseres en bevestigd door verweerder, aan deze conclusie een uitlegging geeft ("geen bewijs van het incognito volgen op congressen") die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek). 3.
- Nu het (hof van beroep) in zijn eindarrest de aan de eiseres ten laste gelegde feiten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overspel afleidt uit de omstandigheid dat een faxbericht van 22 december 1995 ondertekend door een persoon die zich identificeert als hoteluitbater onder de naam "H.D." melding maakt van het feit dat de eiseres met de heer P.J. op 1 november 1993 samen één en dezelfde kamer zouden hebben gehuurd en zich voor deze vaststelling verder steunt op de stelling dat de eiseres "niet voorhoudt laat staan bewijst" dat de verweerder deze vermelding zou gemanipuleerd hebben en niet bewijst dat deze H.D. niet de uitbater van het hotel Petit te Den Haag is, heeft het appelgerecht eveneens de bewijskracht van de conclusie van de eiseres geschonden door aan deze conclusie een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de geest van de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Immers heeft de eiseres wel degelijk in haar conclusie (met name in haar "Tweede Besluiten" voor het hof van beroep neergelegd op 30 oktober 1998, waarnaar uitdrukkelijk verwezen wordt in haar "Synthesebesluiten" (p. 7)) voorgehouden (p. 7) dat hier sprake is van "manipulatie" door de heer J.. 3.
- Door haar beoordeling van de bewijswaarde van het faxbericht afkomstig van een zekere H.D., hoteluitbater van hotel Petit te Den Haag onvoldoende te motiveren schendt het appelgerecht eveneens artikel 149 van het Gerechtelijk Wetboek door niet te antwoorden op alle middelen en grieven die de eiseres i.v.m. de geloofwaardigheid van deze geschreven verklaring heeft opgeworpen in voormelde conclusies. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Het staat evenwel aan de partijen door het hoofdberoep en het incidenteel beroep de grenzen te bepalen waarbinnen de rechter in hoger beroep uitspraak moet doen over de aan de rechter voorgelegde betwistingen. Voorts volgt uit de relatieve werking van het hoger beroep dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt.
- Krachtens artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft. Het belang om incidenteel beroep in te stellen kan worden beoordeeld op basis van het risico dat de wijziging van het beroepen vonnis ingevolge het hoofdberoep zou inhouden voor degene die dat beroep instelt.
- Uit de samenhang van voormelde bepalingen volgt dat: - inzake een echtscheiding op grond van feiten in de zin van de artikelen 229 en 231 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding, wanneer een echtgenoot zijn vordering tot echtscheiding steunt op meerdere feiten en de echtscheiding is uitgesproken op grond van een of meer bepaalde van deze feiten en de vordering op grond van de andere feiten is afgewezen of niet beoordeeld, de appelrechter, op basis van het enkele hoger beroep van de echtgenoot tegen wie de echtscheiding is uitgesproken, geen uitspraak kan doen over de vordering op grond van de andere feiten; - de echtgenoot in wiens voordeel de echtscheiding is uitgesproken, die wegens het risico van wijziging van het beroepen vonnis, de vordering op grond van de andere feiten aanhangig wil maken, incidenteel beroep moet instellen. Het onderdeel bekritiseert de vaststelling van afwezigheid van incidenteel beroep niet. Het gaat ervan uit dat de appelrechter, op basis van het enkele hoger beroep van de echtgenoot tegen wie deze echtscheiding is uitgesproken en niettegenstaande het gebrek aan incidenteel beroep van de echtgenoot in wiens voordeel de echtscheiding is uitgesproken, uitspraak kan doen over de vordering op grond van de andere feiten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het tussenarrest verwerpt en beantwoordt het bedoelde verweer met de reden dat de eiseres geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter om een aantal van de feiten waarop zij haar vordering tot echtscheiding steunde, buiten beschouwing te laten, zodat deze feiten niet aanhangig zijn in hoger beroep. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Verder volgt uit de reden van het tussenarrest dat de bedoelde feiten niet aanhangig zijn in hoger beroep niet dat het recht van verdediging van de eiseres werd miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters, "door het niet in overweging nemen van bewuste fax", de bewijskracht van pagina 4 van een aanvullende conclusie van de eiseres miskennen, zonder aan te voeren dat deze conclusie uitleggen in die zin dat deze conclusie iets bevat dat er niet in staat of dat deze conclusie iets niet bevat dat er wel in staat. Dergelijke grief betreft geen miskenning van bewijskracht van akten waarop de als geschonden aangewezen artikelen 1319, 1320 en 1322 van het burgerlijk Wetboek, toepasselijk zijn. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het onderdeel voert verder als tweede grief aan dat het eindarrest, door te oordelen dat de eiseres "niet voorhoudt, laat staan bewijst" dat de verweerder inhoudelijke vermeldingen op het faxbericht van 22 december 1995 zou hebben gemanipuleerd, de bewijskracht van de appelconclusie van de eiseres van 30 oktober 1998 miskent, nu de eiseres in deze appelconclusie heeft voorgehouden dat er sprake is van manipulatie door de verweerder.
- Zoals het onderdeel zelf aangeeft, oordeelt het eindarrest ook dat de eiseres niet bewijst dat de verweerder inhoudelijke vermeldingen op het faxbericht van 22 december 1995 zou hebben gemanipuleerd. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de reden dat de eiseres dergelijke manipulatie "niet voorhoudt", komt het op tegen een overtollige reden. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Het onderdeel verwijt de appelrechters tot slot dat het arrest onvoldoende gemotiveerd is, zonder aan te geven welke middelen en grieven de appelrechters niet zouden hebben beantwoord. Het onderdeel is in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 451,39 euro jegens de eisende partij en op de som van 240,30 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 3 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060324.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160218.14 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231127.3F.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970915.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040319.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231218.3N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251106.1N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div