← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.5 Rolnummer: C.07.0455.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 243 - laatst gezien 2026-07-02 23:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die de vordering van de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars tot omzetting van het vruchtgebruik op een onroerend goed, waarvan de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van deze, bij gebreke van overeenstemming, geheel of ten dele toewijst, kan de partijen naar een notaris verwijzen, om die omzetting te laten plaatshebben volgens de door de wet omschreven procedure, ongeacht of dit onroerend goed bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende

(1).
(1)Zie H. CASMAN, "De omzetting van het vruchtgebruik", T.P.R., 1991, p. 809, voetnoot
  1. Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Algemeen Vrije woorden: Nalatenschap - Langstlevende echtgenoot - Onroerend goed - Vruchtgebruik - Vordering tot omzetting - Aard van het goed - Verwijzing naar een notaris Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 745quater, § 1, eerste lid en § 4, en 745sexies, § 2 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1207 tot 1225 Thesaurus CAS: VRUCHTGEBRUIK. GEBRUIK EN BEWONING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Algemeen Vrije woorden: Nalatenschap - Langstlevende echtgenoot - Onroerend goed - Vordering tot omzetting van het vruchtgebruik - Aard van het goed - Verwijzing naar een notaris Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 745quater, § 1, eerste lid en § 4, en 745sexies, § 2 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1207 tot 1225 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0455.N B. M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D. P., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 januari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Aanvullende memorie van antwoord
  2. De verweerster legt een aanvullende memorie van antwoord neer. De verweerster in cassatie moet tegelijkertijd in een enkele memorie alle opmerkingen naar voren brengen die zij zinnens is in haar antwoord op het cassatieberoep uiteen te zetten. Bijgevolg vermag het Hof geen acht te slaan op de aanvullende memorie van antwoord van de verweerster. Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het arrest stelt vast dat: - de partijen het erover eens zijn dat de woning de ouderlijke woning was van wijlen C. B. die door zijn vader bewoond werd tot aan diens overlijden in 1968; - die woning leegstond sedert 1968 tot 1984, volgens de eiseres, of 1986, volgens de verweerster en vervolgens door C. B. in bruikleen gegeven werd aan de eiseres; - de eiseres de dochter is van C. B. en de verweerster zijn langstlevende echtgenote en dat deze laatste, krachtens haar wettelijk erfrecht, de vruchtgebruikster is van de woning en de eiseres de blote eigenares ervan; - de kosteloze bewoning door de eiseres heeft voortgeduurd na het overlijden van C. B. op 25 oktober 1991, tot 1997, volgens de eiseres, of tot 2002-2003, volgens de verweerster. Het arrest gaat uit van de volgende rechtsregels: - krachtens artikel 600 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de vruchtgebruiker de goederen in de staat waarin zij zich bevinden; - krachtens artikel 605, eerste lid, van dit wetboek, is de vruchtgebruiker slechts verplicht de herstellingen tot onderhoud te doen; - krachtens artikel 605, tweede lid, van dit wetboek, blijven de grove herstellingen ten laste van de eigenaar, behalve indien zij veroorzaakt zijn door het verzuimen van herstellingen tot onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik, in welk geval de vruchtgebruiker ook daartoe verplicht is; - krachtens artikel 606 van dit wetboek, zijn grove herstellingen die van zware muren en van gewelven, de vernieuwing van balken en van gehele daken evenals de vernieuwing van dijken en van steun- en afsluitingsmuren in hun geheel. Op grond van die regels oordeelt het arrest dat, eensdeels, de vraag is of er in dit geval grove herstellingen nodig waren of zijn en, anderdeels, of deze veroorzaakt zijn door het verzuim van herstellingen tot onderhoud sinds de aanvang van het vruchtgebruik.
  4. Het arrest stelt vast dat: - de woning schade heeft ondergaan door branden in de aanpalende woningen, de eerste maal op 1 oktober 1999 en een tweede maal op 27 maart 2002; - het hof van beroep beschikt over een aantal brieven, waarvan het de inhoud in het kort samenvat, en beslist op grond daarvan dat uit de feiten blijkt dat de herstellingen die nodig waren, grove herstellingen zijn en dat zij niet veroorzaakt zijn door een verzuim aan onderhoudsherstellingen sedert de aanvang van het vruchtgebruik en er aldus geen gegronde reden voorhanden is om vast te stellen dat het vruchtgebruik beëindigd of vervallen is.
  5. Door aldus de vooropgestelde rechtsregels toe te passen op de aangegeven feiten, beslist het arrest op grond van redenen die toelaten de wettigheid van de beslissing te toetsen, zonder dat vereist is dat de vereiste grove herstellingen nog uitdrukkelijk en nader worden aangegeven. Aldus mist het onderdeel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, feitelijke grondslag.
  6. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 578, 605, 606 en 618 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het geen zelfstandige grief en is het volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  7. Het arrest beslist op grond van het geheel van de feiten die het aangeeft, van de ontleding die het maakt van de brieven waarover het als elementen beschikt en van de toegepaste rechtsregels die het aangeeft, naar recht dat de nodige herstellingen, zonder dat het daarop enige uitzondering maakt, grove herstellingen zijn die niet aan een verzuim van de verweerster te wijten zijn. Het arrest heeft zodoende uit de vastgestelde feiten geen gevolgen afgeleid die daardoor geenszins kunnen worden gerechtvaardigd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  8. De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de brief van 13 november 2001 heeft geen weerslag op de wettigheid van de beslissing.
  9. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling in feite van de appelrechters, is het niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 578 en 618 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het geen zelfstandige grief en is het volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 605, 606, 1319, 1320 en 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  11. Het arrest beslist niet dat voor het vervallen verklaren van het vruchtgebruik vereist is dat het verzuim aan onderhoudsherstellingen zich reeds bij de aanvang van het vruchtgebruik moet hebben voorgedaan, noch dat dergelijk verzuim dat zich gaandeweg het vruchtgebruik zou voordoen, niet tot het vervallen verklaren van het vruchtgebruik zou kunnen leiden. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het arrest dit wel beslist, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  12. Krachtens artikel 745quater, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de langstlevende echtgenoot of een van de blote eigenaars, wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de afstammelingen van deze, vorderen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele wordt omgezet, hetzij, in de volle eigendom van met vruchtgebruik belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en geïndexeerde rente. Krachtens artikel 745quater, §4, van dit wetboek, kan het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin aanwezige huisraad, niet worden omgezet dan met instemming van de langstlevende echtgenoot. Krachtens artikel 745sexies, §2, eerste lid, van dit wetboek, wordt bij gebreke van overeenstemming over de omzetting en of de overdracht van de blote eigendom van een goed, de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt op verzoekschrift, waarna alle rechtverkrijgenden bij gerechtsbrief in het geding worden geroepen. Krachtens artikel 745sexies, §2, tweede lid, van dit wetboek, bepaalt de rechtbank, wanneer zij de eis geheel of ten dele toewijst, de wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in artikel 745quater, §4, waarbij zij de verkoop van de volle eigendom van het geheel of van een deel der goederen gelast die met vruchtgebruik belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit deze bepalingen volgt dat de rechter de partijen op grond van artikel 745sexies, §2, van het Burgerlijk Wetboek naar een notaris kan verwijzen om de omzetting van het vruchtgebruik van een goed te laten plaatshebben volgens de procedure omschreven in de vermelde artikelen 1207 tot 1225, ongeacht of het bedoelde onroerend goed bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende in de zin van artikel 745quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek.
  13. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 745sexies, §2, van het Burgerlijk Wetboek enkel nadere procedureregels voorziet voor het geval de omzetting van het vruchtgebruik betrekking heeft op de goederen bedoeld in artikel 745quater, §4, van het Burgerlijk Wetboek, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 696,64 euro jegens de eisende partij en op de som van 205,68 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 3 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090403.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.