id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090417.2 Rolnummer: C.08.0329.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 873 - laatst gezien 2026-07-03 00:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de devolutieve kracht van het hoger beroep volgt dat de rechter, die van het hoger beroep tegen een vonnis dat betreffende voorlopige maatregelen in kort geding is gewezen kennis neemt, niet oordeelt als een cassatierechter van die uitspraak en dat het voorwerp van het hoger beroep aldus niet de wettigheid van die uitspraak is maar de zaak zelf. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel Vrije woorden: Kort geding - Voorlopige maatregelen - Devolutieve kracht - Taak van de rechter in hoger beroep - Voorwerp van het hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, tweede lid, en 1068, eerste lid Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel Vrije woorden: Voorlopige maatregelen - Hoger beroep - Devolutieve kracht - Taak van de rechter in hoger beroep - Voorwerp van het hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, tweede lid, en 1068, eerste lid Fiches 3 - 4 Wanneer een verweerder in kort geding hoger beroep instelt tegen de beschikking waarbij hem een voorlopige maatregel werd opgelegd, moet de appelrechter geen uitspraak doen over de gevorderde en toegekende maatregel op grond van de ogenschijnlijke rechten van partijen, maar kan hij zich ertoe beperken te oordelen op grond van het spoedeisend karakter van de zaak, dat immers moet worden beoordeeld op het ogenblik van die uitspraak
(1).
(1)Cass., 19 jan. 2006, AR C.04.0544.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.5, A.C., 2006, nr. 44; zie Cass., 19 sept. 2002, AR C.01.0527.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020919.4, A.C., 2002, nr.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel Vrije woorden: Kort geding - Verweerder aan wie een voorlopige maatregel is opgelegd - Hoger beroep van de verweerder - Devolutieve kracht - Beoordeling - Omvang - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, tweede lid, en 1068, eerste lid Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel Vrije woorden: Bevoegdheid van de rechter - Verweerder aan wie een voorlopige maatregel is opgelegd - Hoger beroep van de verweerder - Devolutieve kracht - Beoordeling - Omvang - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 584, tweede lid, en 1068, eerste lid Fiche 5 Het gebrek aan spoedeisend karakter van de zaak op het ogenblik van de uitspraak in hoger beroep kan blijken uit het feit dat de gevorderde en door de eerste rechter opgelegde dringende en voorlopige maatregel ondertussen is uitgevoerd. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel Vrije woorden: Voorlopige maatregel - Spoedeisendheid - Gebrek - Beoordeling door de rechter in hoger beroep - Criteria Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0329.N HYUNDAI MERCHANT MARINE Co Ltd, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te Zuid-Korea, te Seoul, Choksundong 66, Chongro-Gu, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- WIRTZ SHIPPING & Co, naamloze vennootschap, met zetel te 2000 Antwerpen, Tavernierkaai 2, bus 13,
- MANUPORT LOGISTICS, naamloze vennootschap, met zetel te 2030 Antwerpen, Vosseschijnstraat 59 - Haven 182, verweersters.
(1)I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 maart 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 5, 20, 21, 584, 616, 1039, 1050, 1138,3°, 1385bis, 1385quater en 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 19 maart 2008 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen eiseres' hoger beroep tegen de beschikking van de eerste rechter, waarbij de vordering van de verweersters ten aanzien van de eiseres gegrond werd verklaard, de eiseres werd opgelegd om na lossing van het MS ‘Tern' tegen presentatie van het laatvolgen de goederen vermeld in de diverse cognossementen af te leveren of te doen afleveren te Antwerpen onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag en per bundel die niet tijdig te Antwerpen afgeleverd werd, en zij tot de helft van de kosten werd veroordeeld, toelaatbaar doch ongegrond, zegt voor recht dat de tussenvordering van de eiseres zonder voorwerp is geworden, zegt voor recht dat de oorspronkelijke vorderingen vervallen zijn bij gebreke aan spoedeisendheid en verwijst haar in de kosten van haar hoger beroep. Deze beslissing is gestoeld op volgende overwegingen: "
- Wat betreft het hoger beroep inzake 2007/RK/380 De eerste rechter oordeelde de vordering van Norfram Logistics nv en Wirtz Shipping & Co nv spoedeisend, aangezien de niet-uitvoering van verbintenissen in hoofde van Hyundai aanleiding geven tot een kluwen van talrijke schadeclaims die bijzonder hoog kunnen oplopen. Iedere dag vertraging bij de oplossing van het geschil zou de aanzienlijke kosten verder doen stijgen.
- Voor Hyundai kon de eerste rechter niet tot deze conclusie komen, aangezien de voorlopige aard van zijn beslissing en het voorschrift van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek belet dat hij een declaratoir van rechten doet of nog de rechtspositie van partijen onherroepelijk vaststelt. Ten aanzien van derdehouders van de cognossementen die voorzien zijn van een clausule, gebruikelijk ‘liberty clause' genaamd, is het de zeevervoerder immers toegestaan de goederen te lossen in een alternatieve haven.
- Omtrent de spoedeisendheid De voorzitter doet krachtens artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. De urgentie wordt doorgaans erkend telkens wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen, en men derhalve zijn toevlucht kan nemen tot het kort geding wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen (zie ook Cass., 11 mei 1990, R.W., 1990-91, 987). Deze grondvereiste van urgentie bestaat wanneer de gevorderde maatregelen objectief nuttig zijn voor de beslechting van het geschil en, wegens de omstandigheden eigen aan de zaak, spoedeisend zijn, wat wil zeggen dat wanneer ze uitgesteld worden, ze ofwel geen nut meer hebben, ofwel niet meer kunnen plaatsvinden (zie ook E. Krings, Het kort geding naar Belgisch recht, T.P.R., 1991, 1068).
- Het komt aan de rechter in kort geding toe uit te maken of een vordering een spoedeisend karakter heeft en blijft hebben als element van toelaatbaarheid van de vordering. Aan deze eis van spoedeisendheid moet worden voldaan, zowel op het tijdstip van de inleiding als op het ogenblik van de uitspraak. De spoedeisendheid moet namelijk bestaan op het ogenblik van de uitspraak in hoger beroep, zelfs al maakt zij niet het voorwerp uit van een rechtsmiddel. Het feit dat de maatregelen door verloop van tijd hun spoedeisend karakter verloren hebben, maakt dat de opgelegde maatregelen geen reden van bestaan meer hebben. Een behoud of bestendiging van de door de eerste rechter opgelegde maatregelen op het ogenblik van de uitspraak door de appelrechter is slechts mogelijk in zoverre die maatregel nog urgent is, d.w.z. nog onmiddellijk wenselijk om de schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken te voorkomen. Wanneer de appelrechter van oordeel is dat de zaak niet langer een spoedeisend karakter vertoont, brengt zulks mee dat de door de eerste rechter bevolen maatregelen vervallen vanaf de uitspraak in hoger beroep (zie Cass., 19 januari 2006, C.04.544.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.5). Een onderzoek naar de gevorderde en toegekende maatregel op grond van ogenschijnlijke rechten van partijen is daarmee overbodig (zie ook Cass., 6 juni 2000, C.97.0198.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000609.6).
- Het feit dat de lading uitgeleverd is geworden aan de goederenbelanghebbenden na betekening van de bestreden beschikking, maakt dat thans de zaak niet langer spoedeisend is.
- Omtrent de rechtsplegingsvergoeding De partijen maken overeenkomstig de wet van 21 april 2007 met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding aan het basisbedrag van 1.200,00 euro". nadat het hof van beroep aangaande het hoger beroep inzake 2007/AR/368 overwoog: "
- De vraag naar de initiële gegrondheid van de vordering stelt zich evenwel niet meer indien de vordering haar hoogdringend karakter verliest. De hoogdringendheid maakt naast een element van bevoegdheid van de rechter in kort geding, tevens een element van de oorzaak van de vordering uit. Indien dit verdwijnt, verliest de vordering als het ware haar grond. Het voorwerp van de vordering is immers het doel van het proces en dient het gevolg te zijn van de oorzaak. Het voorwerp moet werkelijk en rechtstreeks ertoe strekken het bestaan van een subjectief recht te doen vastleggen of de eerbiediging van een dergelijk recht te doen naleven. Indien hieraan tussentijds is voldaan, verliest de vordering haar voorwerp.
- NHS heeft dezelfde dag van de bestreden beschikking nog instructies gegeven om het ms. "Tern" te verhalen en tot de lossing over te gaan. Bovendien heeft zij de ladingbelanghebbenden op 26 oktober 2007 in kennis gesteld de goederen onmiddellijk in ontvangst te nemen. De opgelegde dwangsommen zijn dan ook niet verbeurd geworden. De tussenvordering van Hyundai is bijgevolg zonder voorwerp geworden". Grieven
- Naar luid van artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van koophandel, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de rechtbank behoren. Opdat een maatregel zou kunnen worden ingewilligd is vereist dat zij spoedeisend is, hetgeen wil zeggen, zoals vastgesteld door het bestreden arrest, dat zij voor de beslechting van het geschil objectief nuttig is en, wegens omstandigheden eigen aan de zaak, spoedeisend is, wat wil zeggen dat wanneer zij uitgesteld wordt, ze ofwel geen nut meer heeft, ofwel niet meer kan plaatsvinden. De rechter in kort geding zal bijgevolg de gevorderde maatregel slechts kunnen toewijzen voor zover hij op datum van uitspraak vaststelt dat zij inderdaad spoedeisend is. Beslist hij dat de maatregel niet spoedeisend is, dan verklaart hij de vordering ongegrond. Zo ook wordt er aangenomen dat de rechter in hoger beroep, voor wie het hoger beroep tegen een vordering tot behandeling van de zaak in kort geding aanhangig is, bij de beoordeling of het om een spoedeisend geval gaat, moet nagaan of de gevraagde maatregel op dat ogenblik (nog steeds) spoedeisend is, gelet onder meer op hetgeen zich sinds de beschikking van de eerste rechter, die wordt aangevochten heeft voorgedaan, zulks bij toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Daarentegen kan de hierboven aangehaalde spoedvereiste, die geldt ter beoordeling van de wenselijkheid om voor de toekomst een dergelijke maatregel op te leggen of te handhaven de verweerder niet beletten om op toelaatbare wijze de beschikking van de eerste rechter, die hem bij wijze van voorlopige maatregel gebood een bepaalde handeling te stellen, desgevallend onder verbeurte van een dwangsom per dag vertraging in de uitvoering van dat bevel, aan het oordeel van de appelrechter te onderwerpen, noch de appelrechter, voor wie dat hoger beroep hangende is, vrijstellen van de verplichting om over de gegrondheid ervan uitspraak te doen en meer in het bijzonder na te gaan of de eerste rechter op datum van uitspraak van de bestreden beschikking terecht de door het hoger beroep aangevochten voorlopige maatregel, met de daaraan gekoppelde dwangsom en de eventuele veroordeling tot de kosten, heeft uitgesproken, zulks op straffe van het uithollen van het aan de veroordeelde partij toegekende rechtsmiddel van hoger beroep, op straffe van miskenning van de op de rechter rustende taak uitspraak te doen over de hem voorgelegde betwisting en op straffe zich schuldig te maken aan, rechtsweigering.
- Stelt de verwerende partij hoger beroep in tegen de beschikking waarbij hem een voorlopige maatregel werd opgelegd, dan komt het de rechter in hoger beroep toe te onderzoeken of de eerste rechter op datum van zijn uitspraak wettig heeft kunnen oordelen haar deze maatregel met alle daaraan verbonden accessoria te kunnen opleggen, zulks op straffe van het ontzeggen aan deze partij van de uitoefening van een haar bij de wet toegekend rechtsmiddel. Inderdaad kan in beginsel iedere beslissing die in eerste aanleg werd gewezen door een rechtsmiddel worden aangevochten. Bovendien volgt uit artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek dat een vonnis blijft bestaan zolang het niet werd tenietgedaan ingevolge de aanwending van een rechtsmiddel. Naar luid van het eerste lid van artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de gewone rechtsmiddelen verzet en hoger beroep. Artikel 616 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt desbetreffend dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Overeenkomstig artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek kan er in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. Werd bij toepassing van artikel 1385bis een dwangsom opgelegd, dan wordt de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep tegen die veroordeling blijkens artikel 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek bepaald door de aanvechtbaarheid van de hoofdveroordeling. Hoger beroep is het rechtsmiddel dat ertoe strekt de zaak aan een nieuw onderzoek te onderwerpen en de beslissing van de eerste rechter, hetzij, te horen vernietigen, hetzij, te horen hervormen, met dien verstande dat er aan de rechter wordt gevraagd opnieuw uitspraak te doen over de vordering die voor de eerste rechter werd ingeleid, zulks weliswaar met inachtneming van de feiten en wijzigingen die zich sinds de uitspraak hebben voorgedaan, zoals volgt uit artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Gaat het hoger beroep uit van de partij die door de eerste rechter veroordeeld werd, dan strekt dat middel ertoe door de appelrechter te laten onderzoeken of de eerste rechter met recht de aangevochten veroordeling, zowel in hoofdorde als wat betreft de accessoria, zoals een eventuele aan de hoofdveroordeling gekoppelde dwangsom en de kosten, heeft kunnen uitspreken. Een hoger beroep heeft m.a.w. niet alleen de wijziging van de beslissing voor de toekomst tot voorwerp, maar betreft ook het verleden, met dien verstande dat er aan de appelrechter wordt gevraagd vast te stellen of de eerste rechter de aangevochten beslissing met de daarin vervatte veroordelingen ten laste van de appellant op wettige wijze heeft gewezen en de appellant derhalve terecht werd veroordeeld tot de in het beschikkend gedeelte vervatte maatregelen, tot een dwangsom die hieraan werd gekoppeld en die inmiddels kon verbeuren en tot de kosten van eerste aanleg.
- Het voorgaande geldt evenzeer in geval van een procedure in kort geding. Het hoger beroep van de verwerende partij tegen de beschikking die haar veroordeeld heeft tot het uitvoeren van bepaalde maatregelen strekt ertoe te doen vaststellen dat de rechter in kort geding haar ten onrechte tot die maatregelen heeft veroordeeld. A fortiori zal dat het geval zijn wanneer aan die maatregelen een dwangsom werd gekoppeld per dag vertraging in de uitvoering van de opgelegde maatregelen. Derhalve zal het de appelrechter toekomen na te gaan of de eerste rechter de verwerende partij op datum van uitspraak van de beroepen beschikking wettig tot die maatregelen heeft kunnen veroordelen, zonder dat de verdwijning van spoed hem van dat onderzoek vermag vrij te stellen. Zulks geldt a fortiori wanneer aan de opgelegde maatregel een dwangsom werd gekoppeld, nu de dwangsom, blijkens artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek, eenmaal verbeurd ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft verkregen en kan worden ten uitvoer gelegd krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld, en dit zolang die titel niet werd tenietgedaan ingevolge de aanwending van één van de in artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsmiddelen en die titel blijft voortbestaan, ongeacht een eventueel andersluidende beslissing van de bodemrechter. Indien de spoed geldt als een vereiste voor de toewijzing van een maatregel, is dat niet het geval voor het verweer, noch voor het hoger beroep ingesteld door de verweerder en stelt de afwezigheid ervan op datum van uitspraak in hoger beroep, bijvoorbeeld omdat de gevorderde maatregel inmiddels door de verwerende partij werd uitgevoerd, de appelrechter geenszins vrij van het onderzoek naar de rechtmatigheid en wettigheid van de eerder opgelegde maatregel. Bovendien bepaalt artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk dat de beschikkingen in kort geding uitvoerbaar zijn bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep. Deze bepaling ontneemt de verweerder weliswaar geenszins het recht op hoger beroep en derhalve het recht om de uitgevoerde beschikking aan een nieuw onderzoek te onderwerpen. Op straffe van uitholling van het recht op hoger beroep tegen diezelfde beschikking, kan de vaststelling dat de door de eerste rechter opgelegde maatregel inmiddels werd uitgevoerd de appelrechter dan ook geenszins vrijstellen van het onderzoek van de gegrondheid van het hoger beroep en meer in het bijzonder van de vraag of de eerste rechter terecht die maatregel heeft opgelegd.
- Te dezen blijkt dat de eerste rechter bij de bestreden beschikking aan de eiseres oplegde om na lossing van het MS.'Tern' tegen presentatie van het laatvolgen aan de verweersters de goederen, vermeld in de diverse cognossementen, af te leveren of te doen afleveren te Antwerpen onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag en per bundel die niet tijdig te Antwerpen afgeleverd werd. De eiseres kwam tegen deze beslissing op bij het rechtsmiddel van hoger beroep, aanvoerende dat de ingestelde vordering niet toelaatbaar was en de kort geding rechter rechtsmacht noch bevoegdheid genoot, nu de voorlopige aard van zijn beslissing en het voorschrift van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek beletten dat hij een declaratoir van rechten doet of nog de rechtspositie van partijen onherroepelijk vaststelt. Zij stelde voorts dat zij zich kon beroepen ten aanzien van de verweersters op de ‘liberty clause', waaronder het de zeevervoerder is toegestaan de goederen te lossen in alternatieve havens, nu de nv Nova & Hessenoordnatie Stevedoring had beweerd dat zij niet in de mogelijkheid was om het MS. ‘Tern' op haar terminal of op één van haar terminals te lossen, onder meer wegens ‘wegens plaatsgebrek of congestie', maar de verweersters niettemin de lossing te Antwerpen bedongen door te dreigen met scheepsbeslag indien de goederen niet te Antwerpen werden gelost, er derhalve in hoofde van de eiseres van feitelijkheid geen sprake was en er voor de rechter in kort geding geen bevoegdheid was weggelegd, aangezien deze geen maatregelen kan treffen of sancties opleggen die zelfs een bodemrechter niet zou kunnen opleggen (pagina's 14 tot 16 van de syntheseconclusie). De eiseres betwistte zodoende uitdrukkelijk de rechtsmacht van de kort gedingrechter om de gevorderde maatregelen op te leggen. Zij voerde voorts een tweede reden aan om de beschikking aan te vechten, met name de dwangsom, erop wijzende dat de cognossementen waarvan de verweersters derdehouder waren ‘free in and free out' waren (vrije vertaling; ‘vrij in en vrij uit'-cognossementen) en lading betroffen die, samengevat, niet gemerkt is. Het eerste betekent dat het tot de verbintenis en aansprakelijkheid zelf van de ontvanger behoort om zich met de stuwadoor van de reder te verstaan met betrekking tot de prijszetting, betaling, inontvangstneming en afhaling van de goederen, het tweede dat de ontvanger zelf het risico moet dragen indien zijn niet gemerkte lading niet onmiddellijk kan worden geïndividualiseerd. De eiseres besloot dat om die reden alleen al zij geen aansprakelijkheid kon dragen om de goederen, zoals staat in de beschikking van de rechter in kort geding binnen de 72 uur na betekening van een te verlenen beschikking af te leveren of te doen afleveren te Antwerpen en er evenmin ruimte was voor de toekenning van een dwangsom van 100 euro per dag en per bundel wanneer daarvoor op basis van dezelfde cognossementen in hoofde van de eiseres geen aansprakelijkheid was weggelegd (pagina 16 van de syntheseconclusie). De eiseres betwistte zodoende expliciet de wettigheid en rechtmatigheid van de door de eerste rechter opgelegde maatregel, met de daaraan gekoppelde dwangsom. Te dezen blijkt dat het hof van beroep voornoemd hoger beroep ongegrond acht om de enkele reden dat ingevolge de uitlevering van de lading aan de goederenbelanghebbenden, voorwerp van de door de eerste rechter bevolen maatregel, de spoedeisendheid was verdwenen, waardoor de voorlopige maatregel zonder voorwerp was geworden en zodoende de beschikking voor het verleden laat voortbestaan, zonder de gegrondheid van de grieven die de eiseres tegen deze beschikking liet gelden te onderzoeken. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat eiseres' hoger beroep ongegrond is en haar in de kosten van dat beroep verwijst omwille van het feit dat de oorspronkelijke vorderingen, uitgaande van de verweersters, omwille van de uitlevering van de lading aan de ladingbelanghebbenden, niet langer meer spoedeisend zijn en derhalve zijn vervallen, zonder te onderzoeken of de oorspronkelijk opgelegde maatregel, welke overeenkomstig artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek uitvoerbaar was bij voorraad, met de daaraan gekoppelde dwangsom en de veroordeling van de eiseres door de eerste rechter tot de helft van de kosten van het geding, wettig kon worden opgelegd door de eerste rechter, miskent het eiseres' recht om door middel van het rechtsmiddel van hoger beroep de rechtmatigheid en wettigheid van de beschikking in kort geding, waarbij haar op vordering van de verweersters werd opgelegd om na lossing van het MS. ‘Tern' tegen presentatie van het laatvolgen de goederen vermeld in de diverse cognossementen af te leveren of te doen afleveren te Antwerpen onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 euro per dag en per bundel die niet tijdig te Antwerpen afgeleverd werd en waarbij zij tot de helft van de kosten werd veroordeeld, aan het onderzoek van de appelrechters te onderwerpen, met het oog op de vernietiging ervan voor het verleden (schending van artikelen 20, 21, 584, tweede lid, 616, 1039, 1050, 1385bis, 1385quater en 1385nonies van het Gerechtelijk Wetboek), maakt het een verkeerde toepassing van de spoedvereiste welke geldt als criterium ter beoordeling van de gegrondheid van de eis tot het opleggen van een voorlopige maatregel (schending van artikelen 584, tweede lid en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek), verbindt het aan de onmiddellijke uitvoering van de opgelegde maatregel door de veroordeelde partij gevolgen die hieraan niet door de wet zijn verbonden (schending van artikel 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), blijft het in gebreke uitspraak te doen over de door de eiseres tegen de beschikking van de eerste rechter aangevoerde grieven (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek) en maakt het zich schuldig aan rechtsweigering (schending van artikel 5, van het Gerechtelijk Wetboek). II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de voorzitter van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel bij voorraad uitspraak doen in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheden van die rechtbanken behoren. Die voorzitters die in kort geding zetelen, dienen om een maatregel bij voorraad op te leggen in de zin van dit artikel, uit te maken of de vordering op het ogenblik van hun uitspraak nog een spoedeisend karakter heeft.
- Artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep. Uit de in dit artikel bepaalde devolutieve kracht van het hoger beroep volgt dat de rechter die van het hoger beroep tegen een vonnis dat betreffende voorlopige maatregelen in kort geding is gewezen kennis neemt, niet de wettigheid van de beroepen uitspraak dient te onderzoeken maar dient te oordelen over de zaak zelf. Aldus oordeelt hij niet als een cassatierechter van de beroepen uitspraak en is het voorwerp van het hoger beroep niet de wettigheid van de beroepen uitspraak maar de zaak zelf. Daaruit volgt verder dat de appelrechter voor wie hoger beroep is ingesteld door een verweerder in kort geding, aan wie een voorlopige maatregel werd opgelegd, indien hij tot de bevinding komt dat het geval geen spoedeisend karakter meer vertoont, geen uitspraak meer moet doen op grond van de ogenschijnlijke rechten van de partijen en de rechtmatigheid van de gevorderde maatregel, ook niet voor het verleden, en er zich toe kan beperken het gebrek aan spoedeisend karakter van de zaak vast te stellen. Het spoedeisend karakter van de zaak moet immers worden beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak.
- Het gebrek aan spoedeisend karakter kan blijken uit het feit dat de gevorderde en door de eerste rechter opgelegde dringende en voorlopige maatregel ondertussen is uitgevoerd.
- De in artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde dwangsom is een prikkel om de uitvoering van een opgelegde maatregel te benaarstigen en geen schadevergoeding. Het arrest stelt vast dat de uitvoering van de gevorderde maatregel is geschied alvorens dwangsommen verschuldigd waren, terwijl, in geval van een door de appelrechter vastgestelde afwezigheid van spoedeisend karakter van de zaak, de door de eerste rechter bevolen maatregel vervalt vanaf zijn uitspraak. Het middel vertoont dan ook geen belang in zoverre het ertegen opkomt dat de appelrechters, die enkel voorlopig en bij voorraad kunnen oordelen, zich niet over de door de eerste rechter opgelegde dwangsommen uitspreken.
- Met al het voorgaande is niet strijdig dat in overeenstemming met artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek de in kort geding opgelegde maatregel bij voorraad uitvoerbaar was, niettegenstaande verzet of hoger beroep. Evenmin is daarmee strijdig dat de door de eerste rechter gewezen beschikking in kort geding die een dringende en voorlopige maatregel oplegt is blijven bestaan, kon uitgevoerd worden en gezag van gewijsde heeft gehad totdat die is vervallen door de uitspraak in hoger beroep wegens gebrek aan spoedeisend karakter van de zaak in hoger beroep.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de appelrechter, in geval hij in kort geding het gebrek aan spoedeisend karakter van de gevorderde voorlopige maatregel vaststelt en bijgevolg vaststelt dat hij geen bevoegdheid meer heeft om in kort geding een voorlopige maatregel te bevelen en dat de eventueel in eerste aanleg bevolen maatregel vervalt vanaf zijn uitspraak, ook geen uitspraak doet over de ogenschijnlijke rechten van de partijen en de rechtmatigheid van de gevorderde maatregel, het aan de veroordeelde partij toegekende recht op een rechtsmiddel niet uitholt en zich niet schuldig maakt aan rechtsweigering.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters toch de ogenschijnlijke rechten van de partijen dienden te onderzoeken en zich niet mochten beperken tot het vaststellen van de afwezigheid van het spoedeisend karakter van de zaak op het ogenblik van hun uitspraak, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 620,22 euro jegens de eisende partij en op de som van 165,79 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 17 april 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols.
(1)Uit het rapport van de zitting van 17 april 2009 blijkt dat de verwerende partijen werden vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090417.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000609.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060119.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110616.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.2 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110106.7 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110217.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020919.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div