id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090417.3 Rolnummer: D.08.0019.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-13 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-07-02 23:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Niet ontvankelijk is het cassatieberoep van een arts dat wordt ingesteld zonder de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie tegen een beslissing van de raad van beroep van de Orde der geneesheren, die aan de arts een tuchtstraf oplegt. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in tuchtzaken - Vormen Vrije woorden: Orde der geneesheren - Raad van beroep - Tuchtstraf - Cassatieberoep - Tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie - Ontstentenis - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 478 en 1080 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Vormen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in tuchtzaken - Vormen Vrije woorden: Orde der geneesheren - Raad van beroep - Tuchtstraf - Cassatieberoep - Tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie - Ontstentenis - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 478 en 1080 Fiches 3 - 4 Er bestaat voor het Hof van Cassatie geen grond om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 G.W. door een koninklijk besluit
(1)Cass., 23 juni 2003, AR S.02.0128.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030623.9, A.C., 2003, nr. 373; Cass., 25 feb. 2004, AR P.03.1430.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040225.12, ibid., 2004, nr.
- Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in tuchtzaken - Vormen Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Verplichting - Koninklijk besluit Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in tuchtzaken - Vormen Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting - Koninklijk besluit Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3° Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. D.08.0019.N H.G., eiser, met als raadsman mr. Jan Vande Moortel, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Groot-Brittanniëlaan 12, tegen ORDE VAN GENEESHEREN, publiekrechterlijke rechtspersoon, optredend door haar nationale raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en ondervoorzitter, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, verweerster, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 5 mei 2008 gewezen door de Raad van Beroep van de Orde van Geneesheren met het Nederlands als voertaal. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerster werpt op dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het werd ingesteld zonder de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie.
- Krachtens artikel 26, eerste lid, van het KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren gelden voor de procedure in cassatie tegen de beslissingen van de raden van beroep, zowel wat de pleegvormen als de termijnen betreft, dezelfde regels als in burgerlijke zaken, onverminderd bepaalde afwijkingen. Deze afwijkingen worden opgesomd in het tweede lid van voornoemd artikel, maar betreffen geen afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat het verzoekschrift tot cassatie zowel op het afschrift als op het origineel moet ondertekend zijn door een advocaat bij het Hof van Cassatie en dit op straffe van nietigheid.
- Het cassatieberoep werd ingesteld zonder de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie.
- De eiser voert aan dat de verplichte tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie, zoals bepaald in voornoemd koninklijk besluit, strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De eiser vraagt dienvolgens aan het Grondwettelijk Hof navolgende prejudiciële vragen te stellen: - "Schenden de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat de schadelijder in een cassatieprocedure in strafzaken geen beroep dient te doen op een advocaat die aangesloten is bij de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie waar de schadelijder in een cassatieprocedure in burgerlijke zaken dit wel dient te doen zodat er een ongelijke behandeling bestaat van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden?" - "Schendt artikel 26 van het KB nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren van 10 november 1967 in samenhang met de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat een persoon in een cassatieprocedure in tuchtzaken een beroep dient te doen op een advocaat die aangesloten is bij de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie waar een persoon in een cassatieprocedure in strafzaken dit niet hoeft te doen zodat er een ongelijke behandeling bestaat van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden gelet op de analogie van tuchtzaken met strafzaken?"
- De voorgestelde eerste prejudiciële vraag heeft te dezen geen belang daar zij ervan uitgaat dat de eiser als een "schadelijder in burgerlijke zaken" dient te worden beschouwd en diens situatie wordt vergeleken met deze van de burgerlijke partij in strafzaken, terwijl de eiser het voorwerp uitmaakt van een tuchtrechtelijke vervolging, en aldus noch schadelijder in burgerlijke, noch in strafzaken is. Het betreft personen die zich niet in eenzelfde feitelijke situatie bevinden. De eerste vraag moet dus niet worden gesteld.
- De voorgestelde tweede prejudiciële vraag peilt naar de verenigbaarheid van artikel 26 van het voornoemde KB nr. 79, dat de artikelen 478 en 1080 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk maakt op de cassatieprocedure tegen beslissingen van onder meer de Raad van beroep van de Orde der Geneesheren, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het artikel van voormeld KB betreft een norm die, ingevolge artikel 26, §1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet onderworpen is aan de grondwettelijke toetsing door het Grondwettelijk Hof. Hieruit volgt dat de tweede vraag niet moet worden gesteld.
- Het aangevoerde onderscheid berust op een objectief criterium en is niet onredelijk.
- Uit het voorgaande volgt dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 325,00 euro jegens de eisende partij en op de som van 714,40 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 17 april 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix E. Waûters PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090417.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130621.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030623.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040225.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div