← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.3 Rolnummer: C.06.0590.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-02 23:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De dierenartsen zijn geen verzorgingsverstrekkers als bedoeld in artikel 2277bis B.W. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Geneeskundige verstrekkingen - Verzorgingsverstrekkers in de zin van artikel 2277bis B.W. Fiches 2 - 3 Het Grondwettelijk Hof heeft in antwoord op een prejudiciële vraag geoordeeld dat artikel 2277bis B.W., in die zin begrepen dat de erin bedoelde verzorgingsverstrekkers de zorgverleners zijn, bedoeld in artikel 2, n), van de ZIV-wet, waaronder de beoefenaars van de geneeskunst bedoeld in artikel 2,

  1. l)van dezelfde wet, en dus niet de dierenartsen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, omdat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is, zodat het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Schending van de artikelen 10 et 11 van de Grondwet - Dierenartsen - Verzorgingsverstrekkers in de zin van artikel 2277bis B.W. - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Artikel 11 - Dierenartsen - Verzorgingsverstrekkers in de zin van artikel 2277bis B.W. - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 1 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2277bis Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.06.0590.N V.J. eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest, tegen W.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 8 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van het Hof van 16 oktober 2007 verwezen naar de derde kamer. Gelet op het arrest van dit Hof van 12 november 2007. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet; - artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en grotendeels gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw wijzende. Verklaart de vordering gesteld bij de op 19 februari 2004 betekende dagvaarding ontvankelijk en grotendeels gegrond. Veroordeelt (de eiser) om aan (de verweerder) 11.480,48 euro te betalen, meer de moratoire rente aan 7 pct. vanaf 7 april 2003 tot 18 februari 2004 en meer de gerechtelijke rente vanaf 19 februari 2004 tot de dag van de algehele betaling. Veroordeelt (de eiser) tot de kosten van het geding van de beide instanties. (...)"; op grond van de motieven op p. 2-3: "Het hof (van beroep) deelt de zienswijze niet van de eerste rechter dat de vordering verjaard is op grond van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 64 van de wet van 6 augustus 1993. Voormelde facturen slaan immers niet op in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde ‘geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen of bijkomende kosten'. (De eiser) kan zich niet met nut beroepen op het gezag van beslissingen en commentaren betreffende artikel 2272, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat deze bepaling werd opgeheven door artikel 63 van de wet van 6 augustus 1993 (Belgisch Staatsblad 9 augustus 1993). Uit de bewoordingen noch uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat de wetgever heeft bedoeld ook de veeartsen te begrijpen onder de in deze bepaling bedoelde ‘verzorgingsverstrekkers'. Deze wetsbepaling beoogt de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen van de verzorgingsverstrekkers op 2 jaar te brengen en ze aldus af te stemmen op de verjaringstermijn die krachtens artikel 106 van de wet van 9 augustus 1963 (thans artikel 174 Gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994) gold ten aanzien van de verzekeringsinstelling voor de terugbetaling van de ziekenhuiskamer en de honoraria van de verzorgingsverstrekkers. Daarmee werd een einde gesteld aan de discrepantie tussen de dertigjarige verjaringstermijn die gold in de rechtsverhouding tussen het ziekenhuis en de patiënt en de tweejarige termijn die gold voor de vordering tot terugbetaling van de patiënt-verzekerde tegen de verzekeringsinstelling. Alhoewel de wetgever de begrippen ‘verzorgingsverstrekker' en ‘geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen en bijkomende kosten' niet heeft omschreven, blijkt uit de context waarin artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek tot stand kwam afdoende dat daarmee de beoefenaars van de diergeneeskunde noch hun prestaties zijn bedoeld. (De eiser) doet de auteurs H. Vuye en P. Wéry geen eer aan door voor te houden dat zij in het artikel dat hij overlegt als stuk 3 zouden beweren dat dit wel het geval is. Het (hof van beroep) heeft zulks in dat artikel in elk geval niet kunnen lezen. Ook in de aangehaalde cassatiearresten wordt zulks niet beslist". Grieven Eerste onderdeel Destijds bepaalde het ondertussen op dat punt gewijzigde artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek dat "De rechtsvordering van geneesheren, heelkundigen en apothekers wegens hun bezoeken, heelkundige behandelingen en geneesmiddelen; (...) verjaren door verloop van een jaar". Daaronder werd begrepen te zijn bedoeld elkeen die wettelijk een tak van de geneeskunde uitoefent, wat meteen de dierenartsen omvat nu zij wettelijk, onder meer in de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde van Dierenartsen en van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, een dergelijk gereglementeerde tak van de geneeskunde uitoefenen. Aan deze visie werd niet geraakt in het nieuwe artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat sedert de invoering bij artikel 64 van de wet van 6 augustus 1993 bepaalt: "De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daarin begrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt". De rechtsvordering van een dierenarts, die een verzorgingsverstrekker is, derhalve onderworpen blijft aan de korte verjaring van 2 jaar. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de vordering van de verweerder tot betaling van door hem uitgevoerde veterinaire diensten en levering van medicamenten niet verjaard is op grond van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, nu een dierenarts wel een door deze bepaling bedoelde verzorgingsverstrekker is (Schending van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek) en zijn geleverde medicamenten en veterinaire diensten, - gezien het behandelingen zijn die evenzeer volgens artikel 1, eerste lid, 4°, van de voormelde wet van 28 augustus 1991 verstrekkingen zijn van preventieve of curatieve verzorging -, tevens geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen of bijkomende kosten zijn zoals bedoeld in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek (Schending van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Zo artikel 2277bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de rechtsvorderingen van de dierenarts voor zijn diergeneeskundige prestaties niet omvat, maakt deze bepaling een onderscheid tussen de geneeskundige prestaties verricht door elkeen die wettelijk een tak van de geneeskunde uitoefent naargelang zij uitgeoefend worden op de mens in plaats van op een dier, hetwelk weliswaar objectief is, maar zonder enige verantwoording ten opzichte van de verschillende verjaringstermijn waaraan hun rechtsvorderingen voor de betaling van hun rekeningen door de patiënt dan worden onderworpen, hetgeen strijdig is met de door de Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod (Schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel Eerste onderdeel 1. Bij arrest van dit Hof van 12 november 2007 werd reeds geoordeeld dat de dierenartsen geen verzorgingsverstrekkers zijn als bedoeld in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek en dat het onderdeel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Tweede onderdeel 2. Het Grondwettelijk Hof heeft in antwoord op de prejudiciële vraag van het Hof bij arrest van 18 december 2008 (nr. 184/2008) geoordeeld dat artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek, in die zin begrepen dat de erin bedoelde verzorgingsverstrekkers de zorgverleners zijn, bedoeld in artikel 2, n), van de ZIV-wet, waaronder de beoefenaars van de geneeskunst bedoeld in artikel 2, l), van dezelfde wet, en dus niet de dierenartsen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt omdat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 773,66 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 20 april 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071112.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.