← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2 Rolnummer: P.08.1789.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-11 Raadplegingen: 733 - laatst gezien 2026-07-03 02:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het specialiteitsbeginsel, krachtens hetwelk de persoon die aan België is uitgeleverd hier niet mag worden vervolgd voor feiten die werden gepleegd vóór zijn uitlevering en waarvoor de uitlevering niet werd verzocht, geldt evenwel onder meer niet langer wanneer de betrokken persoon vrijwillig afstand doet van het voordeel van de specialiteitsvoorwaarde; deze afstand die de rechter onaantastbaar vaststelt, kan ook stilzwijgend geschieden, voor zover hij duidelijk en vrij is. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Benelux-Uitleveringsverdrag - Specialiteitsbeginsel - Afstand - Vaststelling door de rechter - Stilzwijgende afstand - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag 27 juni 1967 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden - 27-06-1962 - Art. 13.1, eerste lid, c - 30 Link Justel databank 19620627-30 Fiches 2 - 3 De rechter stelt onaantastbaar vast of er stilzwijgende afstand is van het specialiteitsbeginsel; het Hof toetst slechts of de feiten die de rechter vaststelt, zijn juridische gevolgtrekking kunnen verantwoorden. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Benelux-Uitleveringsverdrag - Specialiteitsbeginsel - Stilzwijgende afstand - Vaststelling door de rechter - Opdracht van het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag 27 juni 1967 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden - 27-06-1962 - Art. 13.1, eerste lid, c - 30 Link Justel databank 19620627-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Uitlevering - Benelux-Uitleveringsverdrag - Specialiteitsbeginsel - Stilzwijgende afstand Wettelijke bepalingen: Verdrag 27 juni 1967 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden - 27-06-1962 - Art. 13.1, eerste lid, c - 30 Link Justel databank 19620627-30 Fiche 4 Een persoon die overgeleverd is op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit en die geen afstand deed van het specialiteitsbeginsel, kan toch worden vervolgd en berecht voor "enig ander feit" dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest en dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of met een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd; indien de persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend

(1).
(1)HvJ C-388/08, Leymann en Pustovarov, (1 dec. 2008), voorlopig enkel te consulteren op www.curia.eu; Cass., 24 maart 2009, AR P.08.1881.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090324.5, A.C., 2009, nr ... Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit - Overlevering - Geen afstand van het specialiteitsbeginsel - Ander feit dan dat welke de reden tot overlevering was - Ander feit strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf of met een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel - Vervolging en berechting zonder toestemming van de uitvoerende autoriteit - Voorwaarde - Veroordeling tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel - Uitvoering Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 27, 2 en 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° et 6°, laatste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 5 De enkele veroordeling tot een gevangenisstraf is nog geen maatregel die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit - Overlevering - Specialiteitsbeginsel - Vervolging en berechting voor een ander feit dan dat welke de reden tot overlevering was - Strafprocedure die geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid beperkt - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 6 Bij gebreke aan precisering van de aanvangsdatum in de vordering tot betaling van vergoedende intrest en bij ontstentenis van verweer daaromtrent, bepaalt de rechter vrij de aanvangsdatum van de vergoedende intrest, die echter niet voor het ontstaan van de schade mag liggen
(1).
(1)Zie: Cass., 22 dec. 2006, AR C.05.0210.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3, A.C., 2006, nr
  1. Thesaurus CAS: INTERESTEN - COMPENSATOIRE INTERESTEN Vrije woorden: Aanvangsdatum - Bepaling door de feitenrechter - Grens Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1789.N I. PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen J E G S, beklaagde, verweerder. II. P M P D C, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Goeman, advocaat bij de balie te Dendermonde, en mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, tegen BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de administratie van de bijzondere belastingsinspectie te Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, PB 604, burgerlijke partij, verweerder. III. J E G S, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest (nr. C/1175/08) van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 september
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een eerste memorie die aan dit arrest is gehecht, grieven aan. Hij voert in twee navolgende memories nog andere grieven aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. FEITELIJKE GEGEVENS Het Groothertogdom Luxemburg heeft de eiser III aan België uitgeleverd op grond van een door de onderzoeksrechter te Dendermonde verleend bevel tot aan-houding van 11 december
  3. De eiser III deed geen afstand van het voorrecht van het specialiteitsbeginsel van die uitlevering vervat in de beslissing van de mi-nister van Justitie van het Groothertogdom Luxemburg van 13 december
  4. Na zijn uitlevering heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van be-roep te Gent bij arrest van 14 juni 2005 de eiser III voorlopig in vrijheid gesteld onder de voorwaarde "België nooit te verlaten". Die voorwaardelijke invrijheid-stelling kon maar worden uitgevoerd nadat de eiser III ook nog in een andere zaak bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen van 1 juli 2005 voorlopig in vrijheid was gesteld. Na de voorlopige invrijheidstelling heeft de onderzoeksrechter te Dendermonde op 20 september 2007 tegen de eiser III die ondertussen in Nederland was aange-troffen, een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor andere feiten. De eiser III werd door Nederland aan België overgeleverd. De eiser III wordt thans vervolgd voor feiten voorafgaand aan zijn uitlevering en zijn overlevering. De eiser III voerde bij de appelrechters een exceptie van niet-vervolgbaarheid aan op grond van het specialiteitsbeginsel, zowel in verband met zijn uitlevering door het Groothertogdom Luxemburg als nadien in verband met zijn overlevering door Nederland. Het bestreden arrest honoreert dit verweer en oordeelt dat het specialiteitsbeginsel waarvan de eiser geen afstand heeft gedaan, zijn vervolging verhindert. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Cassatieberoep van de eiser I Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 13.1 van het verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden (verder: Benelux-Uitleveringsverdrag); - artikel 149 Grondwet; - artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  5. Krachtens artikel 13.1, eerste lid, Benelux-Uitleveringsverdrag mag de per-soon die aan België is uitgeleverd bij toepassing van dit verdrag in België niet worden vervolgd voor feiten die werden gepleegd vóór zijn uitlevering en waar-voor de uitlevering niet werd verzocht.
  6. Overeenkomstig artikel 13.1, eerste lid, c, Benelux-Uitleveringsverdrag geldt dit specialiteitsbeginsel evenwel niet langer wanneer onder meer de betrok-kene vrijwillig afstand doet van het voordeel van de specialiteitsvoorwaarde. Deze afstand kan ook stilzwijgend geschieden, voorzover hij duidelijk en vrij is. De rechter stelt dit onaantastbaar vast. Het Hof toetst slechts of de feiten die de rechter onaantastbaar vaststelt, zijn juridische gevolgtrekking kunnen verantwoor-den.
  7. Het bestreden arrest oordeelt, enerzijds, dat toen de eiser III door het Groot-hertogdom Luxemburg aan België werd uitgeleverd, hij onder het specialiteitsbe-ginsel van die uitlevering viel, waarvan hij geen afstand heeft gedaan en, ander-zijds, dat de eiser III achteraf, toen hij nog steeds onder dat specialitetsbeginsel van de uitlevering viel, door Nederland aan België werd overgeleverd. Aldus oordeelt het bestreden arrest dat de persoon die na aan België te zijn uitge-leverd voorlopig in vrijheid werd gesteld, gedurende de periode waarin die maat-regel van kracht blijft, niettemin vrijwillig het Rijk verlaat, geen afstand heeft ge-daan van het specialiteitsbeginsel bij zijn uitlevering aan België. Het bestreden arrest is op dit punt niet naar recht verantwoord.
  8. Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "Een persoon overgeleverd op grond van een Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft." Artikel 37, § 2, 3 , van dezelfde wet bepaalt dat de in de § 1 gestelde regel niet van toepassing is ingeval "de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepas-sing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt".
  9. Die bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn de transpositie in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Volgens die bepalingen betreft de vermelde uitzondering, zoals het Hof van Justi-tie van de Europese Gemeenschap die uitlegt (arrest nr. C - 388/08 in de zaak Leymann en Pustovarov van 1 december 2008), een situatie waarin de strafver-volging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd en berecht voor "enig ander feit" dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrij-heidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien de persoon echter wordt ver-oordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend. Hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenisstraf nog geen maatre-gel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in artikel 37, § 2, 3, Wet Eu-ropees Aanhoudingsbevel.
  10. Het bestreden arrest oordeelt dat de door de eiser aangevoerde exceptie van niet-vervolgbaarheid gegrond is, daar geen uitzondering op het specialiteitsbegin-sel van de Wet Europees Aanhoudingsbevel in onderhavig geval voorhanden is. Aldus oordeelt het bestreden arrest dat een overgeleverde in België nooit zou kunnen worden vervolgd. Het bestreden arrest is op dit punt eveneens niet naar recht verantwoord. Middelen
  11. De middelen die niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord Cassatieberoep van de eiser II Eerste middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3.d EVRM: het arrest miskent eisers recht van verdediging omdat het zijn vraag de medebe-klaagde (de eiser III) te horen, afwijst op de enkele grond dat dit verhoor geens-zins noodzakelijk voorkomt.
  13. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet enkel dat "het verdere verhoor" van de medebeklaagde niet noodzakelijk is, maar geeft het de redenen aan (p. 14 en 15) betreffende eisers schuld. Het onderdeel dat niet alle redenen van het bestreden arrest in zijn kritiek betrekt, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 6.3.d EVRM: door te weigeren de medebeklaagde te "(ver)horen" is het vermoeden van on-schuld miskend. Het onderdeel dat opkomt tegen de beoordeling van feitelijke omstandigheden door de appelrechters, is niet ontvankelijk. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, samen met artikel 211, Wetboek van Strafvordering: gelet op het tijdsverloop is het in rechte niet aanvaardbaar dat de straf die de eerste rechter oplegde, behouden blijft; het hof van beroep dat eisers argument van het tijdsverloop aanvaardde, mocht de door de eerste rechter opgelegde straf niet handhaven.
  16. De appelrechter beoordeelt zelf de redenen waarom hij, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, een bepaalde straf of een bepaalde maatregel uitspreekt. De omstandigheid dat hij hiervoor de redenen van de eerste rechter overneemt en er andere redenen aan toevoegt die de beklaagde in zijn voordeel aanvoert, ver-plicht hem niet een lagere straf uit te spreken, dan de eerste rechter had gedaan. Het middel faalt naar recht. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en miskenning van het algemeen beginsel dat de rechter verbiedt uit-spraak te doen boven hetgeen gevorderd of omtrent hetgeen niet gevorderd is (ul-tra petita) en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: in conclusie heeft de verweerder een hoofdsom gevorderd, maar heeft hij niet de da-tum opgegeven, vanaf wanneer hij de vergoedende intrest vordert; het is niet aan de rechter dit autonoom zelf in te vullen.
  18. Het bestreden arrest beslist: "Veroordeelt [de eiser] tot betaling aan [de verweerder] van euro 539.780,17 te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de wettelijke intrestvoet, waarbij het [hof van beroep] zelf - bij gebrek aan opgave - de ingangsdatum bepaalt op 18 januari 2000, verschuldigd tot heden en op de hoofdsom en vergoedende intresten [,] vanaf heden de gerechtelijke intres-ten aan de wettelijke intrestvoet tot de dag van de algehele betaling, onvermin-derd de kosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. euro 10.000."
  19. In de regel bepaalt de rechter vrij de aanvangsdatum van de vergoedende in-trest. Die datum mag echter niet voor het ontstaan van de schade liggen. Bij gebreke aan precisering van de aanvangsdatum in de vordering tot betaling van vergoedende intrest en bij ontstentenis van verweer daaromtrent, hebben de appelrechters de aanvangsdatum voor de vergoedende intrest wettig kunnen bepa-len op een datum die binnen de geïncrimineerde periode ligt. Aldus doen ze geen uitspraak over niet-gevorderde zaken noch kennen ze meer toe dan is gevorderd. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Cassatieberoep van de eiser III Ontvankelijkheid van de memories
  21. Overeenkomstig artikel 420bis Wetboek van Strafvordering moet een me-morie ten minste acht dagen vóór de rechtszitting ter griffie worden ingediend. De twee navolgende memories van de eiser zijn ter griffie neergelegd op 14 april 2009 dit is buiten de bij de wet bepaalde termijn. Ze zijn niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  22. De eiser voert aan: - "Ik weet dat ik geen beroep kan aantekenen tegen een vonnis welke mij vrij-spreekt! Maar wat welke de waan geeft mij vrij te spreken? - Ik weet dat men mij niet mag vervolgen! Maar het vonnis zegt dit niet letter-lijk! - Ik ga in beroep, daar het mij laat uitschijnen als schuldig. Ik vind dat men zich over mijn schuldig zijn niet mag uitspreken of insinuaties maken! - Ik ga ook in beroep daar de procedure in eerste aanleg niet strookt met mijn in deze tijd gemaakte verdediging. En waar het hof van beroep zich niet over uitsprak."
  23. In zoverre eisers cassatieberoep niet enkel gericht is tegen het bestreden ar-rest maar ook tegen het vonnis in eerste aanleg, is het niet ontvankelijk.
  24. Het bestreden arrest stelt vast dat het hof van beroep ingevolge het door de eiser ingeroepen specialiteitsbeginsel, bepaald in ondermeer de artikelen 37 en 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel, zonder rechtsmacht is tegenover hem. Het zegt tevens dat er vooralsnog niet geoordeeld wordt in verband met de gerechtskosten, zowel deze gevallen in hoger beroep als in eerste aanleg. De eiser heeft geen wettig belang op te komen tegen deze beslissingen. Zijn cassatieberoep tegen het bestreden arrest is evenzeer niet ontvankelijk. Grieven
  25. De grieven die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het cassatie-beroep, kunnen niet worden aangenomen. De grieven die betrekking hebben op de bestreden beslissing zelf, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de strafvordering tegen de eiser III niet ontvankelijk verklaart. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser III in de kosten van het cassatieberoep van de eiser I. Veroordeelt de eisers II en III in de kosten van hun cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen Begroot de kosten in het geheel op 420,27 euro waarvan
  26. op het cassatieberoep I: 201,54 euro verschuldigd is,
  27. op het cassatieberoep II: 59,69 euro en
  28. op het cassatieberoep III: 59,70 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 21 april 2009 uitgesproken door afdelingsvoor-zitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090421.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170912.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090324.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210929.2F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.