id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.11 Rolnummer: C.07.0379.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Financieel recht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 349 - laatst gezien 2026-07-02 23:44 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij een bankgarantie op eerste verzoek is de garant tot betaling verplicht van zodra de garantie op een geldige wijze wordt afgeroepen; wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief de overlegging van bepaalde documenten vereist, heeft de garantie een documentair karakter en vindt de afroeping slechts op geldige wijze plaats indien de begunstigde de vereiste documenten overlegt. Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Bankgarantie op eerste verzoek - Verplichting tot betaling van de garant - Documenten - Tijdstip Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Bankgarantie op eerste verzoek - Verplichting tot betaling van de garant - Documenten - Tijdstip Fiches 3 - 4 Het autonoom en abstract karakter van de bankgarantie houdt in dat de gehoudenheid van de garant uitsluitend wordt bepaald door de inhoud en de draagwijdte van de garantieovereenkomst of garantiebrief en dat de garant, die met miskenning van de desbetreffende bepalingen heeft betaald, zijn recht op verhaal op de opdrachtgever verliest; hieruit volgt dat een eventueel rechtsmisbruik van de opdrachtgever bij zijn verweer tegen het verhaal van de garant, dient te worden beoordeeld zonder acht te slaan op de verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde van de garantie en uitsluitend dient te worden getoetst aan de wijze waarop de opdrachtgever zijn uit de garantieovereenkomst voortvloeiende rechten ten aanzien van de garant uitoefent. Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Bankgarantie - Aard - Gevolg - Gehoudenheid van de garant - Grenzen - Betaling daarbuiten - Gevolg - Verhaal op de opdrachtgever - Rechtsmisbruik van de opdrachtgever - Beoordeling Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Bankgarantie - Aard - Gevolg - Gehoudenheid van de garant - Grenzen - Betaling daarbuiten - Gevolg - Verhaal op de opdrachtgever - Rechtsmisbruik van de opdrachtgever - Beoordeling Fiches 5 - 6 Wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief is aangegaan onder opschortende voorwaarde, houdt ze op te bestaan wanneer de voorwaarde voor een geldige afroeping niet meer kan worden vervuld; de garant, die desondanks heeft betaald en deze betaling wenst te verhalen op de opdrachtgever, kan de opdrachtgever, die zich op de niet-verwezenlijking van de voorwaarde beroept, geen rechtsmisbruik verwijten gebaseerd op de houding ingenomen door de opdrachtgever ten aanzien van de begunstigde. Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Garantieovereenkomst of garantiebrief - Opschortende voorwaarde - Niet-vervulling van de voorwaarde - Gevolg - Betaling door de garant - Verhaal op de opdrachtgever - Rechtsmisbruik - Houding van de opdrachtgever t.a.v. de begunstigde Thesaurus CAS: BORGTOCHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Omzetting BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Persoonlijke zekerheid - Andere persoonlijke zekerheden Vrije woorden: Garantieovereenkomst of garantiebrief - Opschortende voorwaarde - Niet-vervulling van de voorwaarde - Gevolg - Betaling door de garant - Verhaal op de opdrachtgever - Rechtsmisbruik - Houding van de opdrachtgever t.a.v. de begunstigde Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0379.N LEXIS JURIDISCHE DIENSTENGROEP, naamloze vennootschap, met zetel te 2930 Brasschaat, Jacobuslei 37, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, tegen DEXIA BANK BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1315 tot en met 1369 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van de verweerster tegen de eiseres gegrond. Het verwijst vooreerst naar de feiten zoals uiteengezet door de eerste rechter. De eerste rechter geeft de feiten als volgt weer: "Op 28 april 1999 werd tussen (de eiseres) en het Gemeentekrediet van België nv, rechtsvoorganger van (de verweerster), een overeenkomst van kredietopening afgesloten met bankwaarborg, waarbij Gemeentekrediet er zich toe verbond om in opdracht van (de eiseres) op eerste verzoek een bedrag van 24.789,35 euro te betalen ter aanzuivering van achterstallige sociale bijdragen verschuldigd door g.c.v. Clio Mode aan RSZ, op voorlegging van: ‘
- het vonnis van de rechtbank van koophandel uitgesproken op 29 april 1999 of uiterlijk 6 mei 1999, waarbij het verzet tegen het faillietverklarend vonnis der elfde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen A.R. 565/99 ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en het faillissement der Clio Mode derhalve ingetrokken wordt;
- de opneming in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van dit vonnis;
- een getuigschrift van de griffier van deze rechtbank waaruit blijkt dat binnen de vijftien dagen na deze opneming in het Belgisch Staatsblad geen derdenverzet of hoger beroep werd ingesteld dit vonnis'. Door de terbeschikkingstelling van deze bankwaarborg wenste (de eiseres) de intrekking van het faillissement van g.c.v. Clio Mode te bekomen, in faling verklaard op 28 januari 1999; Bij vonnis van 20 mei 1999 werd het faillissement ingetrokken. Bij schrijven van 8 februari 2002 verzocht RSZ om uitbetaling in overeenstemming met de bankwaarborg met in bijlage het vonnis van 20 mei 1999 en een verklaring van geen verzet noch hoger beroep van de griffie van de rechtbank van koophandel van 13 augustus
- (De verweerster) ging over tot betaling aan RSZ op 18 februari 2002, en debiteerde tegelijkertijd de rekening van opdrachtgever (de eiseres). Bij schrijven van 20 februari 2002 en 26 februari 2002 verzet (de eiseres) zich tegen uitkering van de bankwaarborg (en debitering van haar rekening) zolang niet is voldaan aan de voorwaarden van de bankwaarborg. Op 5 maart 2002 meldt (de verweerster): ‘In aansluiting op ons telefonisch onderhoud eind vorige week, heb ik bij deze de eer u schriftelijk de terugstorting te bevestigen van het bedrag van 24.789,35 euro (voormalig 1.000.000 frank) op uw beroepsrekening 068-0590000-73 en dit met valutadatum 18 februari
- Zoals overeengekomen geschiedt deze terugbetaling onder voorbehoud van een eventueel later rechtmatig beroep op bovenstaande bankwaarborg door de RSZ. Mocht zodanige situatie zich gedurende het verdere verloop van dit dossier voordoen, dan zullen wij vanzelfsprekend niet nalaten u hierover voorafgaandelijk te berichten om op die manier eventuele ongemakken voor u als klant zoveel mogelijk te beperken‘; Bij brieven van 13 juni 2003 en 29 september 2003 vordert (de verweerster) lastens (de eiseres) dan toch terugbetaling van het bedrag. (De verweerster) stelt dat de uitbetaling aan RSZ terecht en geldig is gebeurd, zodat zij zich verplicht zag de uitbetaling van de bankwaarborg aan RSZ te handhaven, op grond waarvan zij thans lastens (de eiseres) terugbetaling vordert". Het bestreden arrest steunt de veroordeling van de eiseres op volgende gronden: "Clio werd begin 1999 failliet verklaard op vordering van de RSZ. Hoewel niet duidelijk is welke relatie bestaat tussen Clio en (de eiseres) is deze opgetreden als belanghebbende bij de intrekking van het faillissement. De garantie in kwestie vermeldt: ‘Deze bankwaarborg kadert in de goede uitvoering van de besprekingen van de opdrachtgever (de eiseres) met de RSZ van 28 april 1999, genoemd ‘de onderliggende overeenkomst' ". Wat deze onderliggende overeenkomst precies inhield wordt niet verduidelijkt en daarover worden geen stukken overgelegd. Wel staat vast dat de RSZ verklaarde akkoord te gaan met de intrekking van het faillissement indien voldaan zou worden aan bepaalde voorwaarden waaronder het afleveren van een bankgarantie voor de schulden van Clio voor een bedrag van 1.000.000 frank. De garantie vermeldt dat op de waarborg beroep kan worden gedaan op voorlegging van ‘
- het vonnis van de rechtbank van koophandel uitgesproken op 29 april 1999 of uiterlijk 6 mei 1999 waarbij het verzet tegen het faillietverklarend vonnis AR 565/99 ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en het faillissement van Clio Mode derhalve ingetrokken wordt'. Het faillissement van Clio werd ingetrokken bij vonnis van 20 mei
- Volgens (de eiseres), hierin gevolgd door de eerste rechter, werd hiermee niet voldaan aan de voormelde voorwaarde. (De eiseres) pleegt rechtsmisbruik door voor te houden dat het vonnis van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de in de garantie vermelde voorwaarde. Het staat immers buiten kijf dat de RSZ slechts bereid is geweest akkoord te gaan met de intrekking van het faillissement omdat zij de bankwaarborg bekwam. Met andere woorden heeft (de eiseres) de garantie gebruikt voor het doel waarvoor ze werd afgeleverd en heeft zij dit doel ook bereikt. In de procedure over de faillietverklaring van Clio heeft zij (vermits (de eiseres) blijkbaar de belangen behartigde van Clio mag ervan uit gegaan worden dat zij Clio ook in de procedure bijstond) er blijkbaar niet op gewezen dat de garantie slechts geldig kon afgeroepen worden onder de voormelde stricte voorwaarde. Indien zij dit wel had gedaan dan had de RSZ haar akkoord met de intrekking niet verleend, minstens dit akkoord afhankelijk gesteld van de intrekking van het faillissement ten laatste op 6 mei
- Uit het vonnis van 20 mei 1999 blijkt dat de partijen maar op de zitting van 6 mei 1999 gehoord werden en de zaak alsdan in beraad werd genomen. Geen der partijen heeft blijkbaar aangedrongen opdat nog dezelfde dag vonnis zou worden verleend. Door in die omstandigheden de garantie in het voordeel van Clio aan te wenden of laten aanwenden heeft (de eiseres), ten overstaan van de RSZ en de rechtbank, te kennen gegeven dat de datum van het vonnis van intrekking van het faillissement niet essentieel was voor zover deze intrekking maar in een nabije toekomst na datum van de garantie gebeurde. Door zich thans en ten overstaan van de garant op de stricte interpretatie van de datum van intrekking van het faillissement te beroepen pleegt (de eiseres) rechtsmisbruik. De uitspraak van 20 mei 1999 waarbij het faillissement werd ingetrokken voldoet aan de eerste in de garantie gestelde voorwaarde. De garantie vermeldt dat de waarborg kan afgeroepen worden op voorlegging van ‘
- de opneming in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van dit vonnis' en van ‘
- een getuigschrift van de griffier van deze rechtbank waaruit blijkt dat binnen de vijftien dagen na deze opneming in het Belgisch Staatsblad geen derdenverzet of hoger beroep werd ingesteld tegen dit vonnis'. Het is juist dat de publicatie in het Belgisch Staatblad niet gevoegd was bij de afroep. Deze publicatie is trouwens slechts gebeurd op 11 mei 2002, na de afroep van de garantie. De verklaring van de griffier houdende afwezigheid van hoger beroep of derdenverzet dateert van 13 augustus 1999 en is dus van voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Ook met betrekking tot de tweede en derde voorwaarde is aangetoond dat (de eiseres) rechtsmisbruik pleegt door de niet vervulling van deze voorwaarde in te roepen. De publicatie in het Staatsblad heeft immers slechts zin in het kader van het aanwenden van mogelijke rechtsmiddelen tegen het vonnis tot intrekking van het faillissement waarop ook de derde in de garantie vermelde voorwaarde betrekking heeft. Belanghebbende derden hadden immers nog de mogelijkheid tot het aantekenen van derdenverzet tegen het vonnis. De RSZ maakte slechts beroep op de bankwaarborg in februari 2002, 34 maanden na het verlenen van de waarborg. Op dat ogenblik stond vast dat geen enkel rechtsmiddel was aangewend tegen het vonnis van 20 mei 1999 waarbij het faillissement werd ingetrokken, feit waarvan (de eiseres) zeker op de hoogte was. Bij de beoordeling van de rechten van partijen bij een garantieovereenkomst op eerste verzoek moet rekening gehouden worden met de bedoeling van de partijen in de overeenkomst wanneer, zoals te dezen, voorwaarden werden bedongen voor de afroep die geen betrekking hebben op de verbintenissen waarvoor de garantie gegeven werd. Door te verwijzen naar de niet vervulling van de formele vereisten wetende dat de achterliggende bedoeling van deze vereisten wel vervuld waren pleegt (de eiseres) rechtsmisbruik. Het stond immers in februari 2002 vast dat het vonnis van 20 mei 1999 definitief was, ook zonder de aanwezigheid van publicatie en attest van afwezigheid van rechtsmiddel. Op basis van voormelde motieven heeft (de verweerster) terecht gevolg gegeven aan de afroep van de bankwaarborg door RSZ. (De eiseres) kan zich niet beroepen op de niet vervulling van de voorwaarden tot afroep. Bijgevolg is (de eiseres) gehouden haar contractuele verbintenis tot betaling na te komen". Grieven Eerste onderdeel Rechtsmisbruik moet steunen op feiten die bewezen zijn aan de hand van bewijsmiddelen in burgerlijke zaken (artikelen 1315 tot en met 1369 van het Burgerlijk Wetboek). Feiten waarvan de rechter persoonlijk kennis heeft en verklaringen van de partij op wie de bewijslast rust, vormen geen dergelijke bewijsmiddelen. Het bestreden arrest beslist dat de eiseres rechtsmisbruik pleegt door "voor te houden dat het vonnis van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de in de garantie vermelde voorwaarde" en dat dit vonnis "voldoet aan de eerste in de garantie gestelde voorwaarde" op grond van volgende motieven: "In de procedure over de faillietverklaring van Clio heeft (de eiseres) er blijkbaar niet op gewezen dat de garantie slechts geldig kon afgeroepen worden onder de voormelde stricte voorwaarde. Indien zij dit wel had gedaan dan had de RSZ haar akkoord met de intrekking niet verleend, minstens dit akkoord afhankelijk gesteld van de intrekking van het faillissement ten laatste op 6 mei
- " "Geen der partijen heeft blijkbaar aangedrongen opdat nog dezelfde dag vonnis zou worden verleend. Door in die omstandigheden de garantie in het voordeel van Clio aan te wenden of laten aanwenden heeft (de eiseres), ten overstaan van de RSZ en de rechtbank, te kennen gegeven dat de datum van het vonnis van intrekking van het faillissement niet essentieel was voor zover deze intrekking maar in een nabije toekomst na de datum van de garantie gebeurde". Geen enkel element van de zaak bewijst dat in de procedure over de faillietverklaring van Clio de eiseres niet erop heeft gewezen dat de garantie slechts geldig kon afgeroepen worden onder de stricte voorwaarde van een vonnis van intrekking van het faillissement van 6 mei 1999 en dat geen van de partijen op de zitting van 6 mei 1999 heeft aangedrongen opdat nog dezelfde dag vonnis zou worden verleend. Vermelde motieven steunen derhalve op feiten waarvan de appelrechter persoonlijk kennis had of op verklaringen van de verweerster, die de eiseres in haar conclusie als onbewezen beschouwde (zie 3° conclusie van de eiseres voor het Hof van Beroep te Antwerpen, p. 8 eerste, derde, vierde en vijfde alinea). Het bestreden arrest schendt derhalve de artikelen 1315 tot en met 1369 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel Het beginsel van artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd verbiedt aan een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Uit de feiten die het bestreden arrest ten laste legt van de eiseres, te weten dat zij in de procedure van faillietverklaring van Clio niet erop gewezen heeft dat de garantie slechts geldig kon worden afgeroepen onder de voorwaarde van een vonnis van intrekking van het faillissement ten laatste op 6 mei 1999 en dat zij niet heeft aangedrongen opdat op de zitting van 6 mei 1999 een vonnis zou worden verleend en aldus ten opzichte van de RSZ te kennen heeft gegeven dat de datum van het vonnis van intrekking van het faillissement niet essentieel was, kan niet worden afgeleid dat eiseres, door te stellen dat het vonnis van intrekking van het faillissement van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de eerste in de garantie vermelde voorwaarde, haar rechten ingevolge de overeenkomst van 28 april 1999 met de verweerster uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Het bestreden arrest schendt derhalve artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Derde onderdeel Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die ze hebben aangegaan, tot wet. Zij kunnen niet worden herroepen dan met hun toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek), wat inhoudt dat het een partij verboden is misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. In principe mag de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak bij zijn beoordeling of er misbruik van recht werd begaan, tenzij uit de aard van de overeenkomst bepaalde omstandigheden niet in aanmerking kunnen worden genomen bij die beoordeling. Krachtens de overeenkomst van kredietopening van 28 april 1999 tussen de eiseres en de verweerster, verbond de verweerster zich ertoe een bedrag van 24.489,35 euro te betalen aan de RSZ op voorlegging van:
- het vonnis van de rechtbank van koophandel uitgesproken op 29 april 1999 of uiterlijk 6 mei 1999, waarbij het verzet tegen het faillietverklarend vonnis der elfde kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen A.R. 565/99 ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en het faillissement der Clio Mode derhalve ingetrokken wordt;
- de opneming in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel van dit vonnis;
- een getuigschrift van de griffier van deze rechtbank waaruit blijkt dat binnen de vijftien dagen na deze opneming in het Belgisch Staatsblad geen derdenverzet of hoger broep werd ingesteld tegen dit vonnis. Die verbintenis van de verweerster staat los en is onafhankelijk van de verhouding tussen de eiseres of de vennootschap Clio en de RSZ en derhalve van de middelen die de RSZ zou kunnen laten gelden ten opzichte van de eiseres wat betreft de aanwending van de bankwaarborg om de intrekking van het faillissement van de vennootschap Clio te bekomen (zie het abstract karakter van de bankwaarborg waarover de eiseres heeft geconcludeerd voor het hof van beroep). Het rechtsmisbruik dat het bestreden arrest aan de eiseres verwijt doordat deze laatste voorhoudt dat het vonnis van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de in de garantie vermelde (eerste) voorwaarde, berust op feiten die slaan op de verhouding tussen de eiseres of de vennootschap Clio en de RSZ (zie tweede en derde alinea van het punt 9 van het bestreden arrest) en die de RSZ aan de eiseres zou kunnen verwijten. Nu vermelde verbintenis van de verweerster losstaat en onafhankelijk is van de verhouding tussen de eiseres of de vennootchap Clio en de RSZ, vermocht het bestreden arrest feiten die kaderen in die verhouding niet als een rechtsmisbruik te kwalificeren in de relatie tussen de eiseres en de verweerster teneinde te beslissen dat het vonnis van 20 mei 1999 voldoet aan de eerste in de garantie gestelde voorwaarde. Door dit toch te doen schendt het bestreden arrest de bindende kracht van de overeenkomst van 28 april 1999 tussen de eiseres en de verweerster (schending van artikel 1134, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) en heeft het op onwettige wijze geoordeeld dat concluante ten opzichte van de eiseres rechtsmisbruik pleegt (schending van artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vierde onderdeel Het is tegenstrijdig te overwegen, enerzijds, dat "De publicatie in het Staatsblad ( ..) slechts zin (heeft) in het kader van het aanwenden van mogelijke rechtsmiddelen tegen het vonnis tot intrekking van het faillissement (...). Belanghebbende derden hadden immers nog de mogelijkheid tot het aantekenen van derdenverzet tegen het vonnis" en, anderzijds, dat "Het in (...) februari 2002 vast(stond) dat het vonnis van 20 mei 1999 definitief was, ook zonder de aanwezigheid van publicatie en attest van afwezigheid van rechtsmiddel". De eerste overweging houdt immers in dat na de publicatie van het vonnis van 20 mei 1999 in het Belgisch Staatsblad, derde belanghebbenden de mogelijkheid hadden derdenverzet tegen dit vonnis aan te tekenen en de tweede overweging houdt in dat het vonnis van 20 mei 1999 definitief (namelijk niet meer aanvechtbaar) was ook zonder de aanwezigheid van publicatie in het Belgisch Staatsblad. Door de grond van deze tegenstrijdige motieven te beslissen dat de eiseres wist dat aan de achterliggende bedoeling van de tweede en derde vereiste van de bankwaarborg was vervuld en dat aldus ook met betrekking tot de tweede en derde voorwaarde van de bankgarantie is aangetoond dat de eiseres rechtsmisbruik pleegt door de niet vervulling van deze voorwaarde in te roepen, is die beslissing niet gemotiveerd (schending van artikel 149 van de Grondwet). Vijfde onderdeel Het beginsel van artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd verbiedt aan een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Uit de motivatie van het bestreden arrest met betrekking tot de tweede en derde voorwaarde van de bankgarantie kan niet worden afgeleid dat eiseres, door te stellen dat de tweede en derde voorwaarde voor de uitbetaling van de bankgarantie niet vervuld waren, haar rechten ingevolge de overeenkomst van 28 april 1999 met de verweerster uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Het bestreden arrest schendt derhalve artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
- Bij een bankgarantie op eerste verzoek is de garant tot betaling verplicht, van zodra de garantie op een geldige wijze wordt afgeroepen. Wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief de overlegging van bepaalde documenten vereist, heeft de garantie een documentair karakter en vindt de afroeping slechts op geldige wijze plaats indien de begunstigde de vereiste documenten overlegt.
- Het autonoom en abstract karakter van de bankgarantie, houdt in dat de gehoudenheid van de garant uitsluitend wordt bepaald door de inhoud en de draagwijdte van de garantieovereenkomst of garantiebrief en dat de garant, die met miskenning van de desbetreffende bepalingen heeft betaald, zijn recht van verhaal op de opdrachtgever verliest. Hieruit volgt dat een eventueel rechtsmisbruik van de opdrachtgever bij zijn verweer tegen het verhaal van de garant, dient te worden beoordeeld zonder acht te slaan op de verhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde van de garantie en uitsluitend dient te worden getoetst aan de wijze waarop de opdrachtgever zijn uit de garantieovereenkomst voortvloeiende rechten ten aanzien van de garant uitoefent.
- Wanneer de garantieovereenkomst of garantiebrief is aangegaan onder opschortende voorwaarde, houdt ze op te bestaan wanneer de voorwaarde voor een geldige afroeping niet meer kan worden vervuld. De garant, die desondanks heeft betaald en deze betaling wenst te verhalen op de opdrachtgever, kan de opdrachtgever, die zich op de niet verwezenlijking van de voorwaarde beroept, geen rechtsmisbruik verwijten gebaseerd op de houding ingenomen door de opdrachtgever ten aanzien van de begunstigde.
- De appelrechters stellen vast dat: - de verweerster in opdracht van de eiseres op 28 april 1999 een bankgarantie op eerste verzoek verstrekte ten voordele van de RSZ voor schulden van de in staat van faillissement verklaarde Clio Mode; - voor de afroeping van de garantie de overlegging vereist was van "het vonnis van de rechtbank van koophandel uitgesproken op 29 april of uiterlijk 6 mei 1999 waarbij het verzet tegen het faillietverklarend vonnis (...) ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en het faillissement van Clio Mode derhalve ingetrokken wordt"; - het faillissement van Clio Mode werd ingetrokken bij vonnis van 20 mei 1999; - de bankgarantie door de RSZ op 8 februari 2002 werd afgeroepen, waarop de verweerster tot de betaling overging. Verder oordelen zij dat de eiseres, die door de verweerster in terugbetaling wordt aangesproken, rechtsmisbruik pleegt door voor te houden dat het vonnis van 20 mei 1999 niet beantwoordt aan de in de garantie vermelde voorwaarde, daar: - de eiseres in het kader van het verzet tegen de faillietverklaring van Clio Mode er blijkbaar niet op wees dat de garantie slechts geldig kon worden afgeroepen onder de strikte voorwaarde dat het vonnis van intrekking uiterlijk op 6 mei 1999 tussenkwam; - de RSZ, indien de eiseres dit wel had gedaan, haar akkoord met de intrekking van het faillissement niet zou hebben verleend; - nu geen der partijen in de faillissementsprocedure ter zitting van 6 mei 1999 er op aandrong dat nog dezelfde dag vonnis zou worden verleend, zij te kennen gaven dat de datum van het vonnis van intrekking van het faillissement niet essentieel was.
- Door op die gronden rechtsmisbruik te aanvaarden in de verhouding tussen de eiseres als opdrachtgever en de verweerster als garant, miskennen de appelrechters de bindende kracht van de overeenkomst van 28 april 1999 tussen de eiseres en de verweerster en oordelen ze op onwettige wijze dat de eiseres ten opzichte van de verweerster rechtsmisbruik pleegt. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div