id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.6 Rolnummer: C.07.0120.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-07-03 05:31 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090424.6 Fiche 1 Het gezag van het gewijsde in strafzaken, dat verhindert dat de feiten, die het voorwerp van de strafrechtelijke beslissing uitmaakten, opnieuw worden betwist naar aanleiding van een latere procedure voor de burgerlijke rechter, geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk is beslist door de strafrechter met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken
(1).
(1)Zie Cass., 18 dec. 2003, AR C.02.0344.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031218.26, A.C., 2003, nr 658; Cass., 20 dec. 2007, AR C.06.0301.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.8, A.C., 2007, nr 650; zie ook de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Fiches 2 - 3 De partij die schadevergoeding vordert op grond van artikel 29bis WAM 1989 moet bewijzen dat het schadegeval beantwoordt aan het in dit artikel omschreven risico; het behoort derhalve aan deze partij om het bewijs te leveren dat zij een door dit artikel beschermd slachtoffer of rechthebbende is en dienvolgens dat zij niet de bestuurder was van het in het ongeval betrokken motorrijtuig, of zijn rechthebbende
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: W.A.M.-verzekering - Artikel 29bis, WAM 1989 - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Artikel 29bis, WAM 1989 - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1315, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 870 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: W.A.M.-verzekering - Artikel 29bis, WAM 1989 - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijk gewijsde HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Artikel 29bis, WAM 1989 - Beschermde categorie - Niet-bestuurder - Bewijslast Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0120.N Y.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- ETHIAS, naamloze vennootschap, met zetel te 3500 Hasselt, Prins Bisschopssingel 73,
- MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 13 september 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen beginsel betreffende het gezag van gewijsde in strafzaken op de burgerrechtelijke rechtsvordering; - artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering; - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat er betwisting bestaat over het feit of de eiser bestuurder dan wel opzittende was op het betrokken voertuig, met name de bromfiets Honda Camino. De appelrechters oordelen vooreerst met betrekking tot de bewijslast. Zij oordelen dat, inzoverre de vordering van de eiser tegen de eerste verweerster gesteund is op de verantwoordelijkheid van haar verzekerde door de eiser dient bewezen te worden dat deze laatste de bestuurder van de bromfiets was. Ten tweede oordelen zij dat inzoverre de vordering van de eiser gesteund is op de aansprakelijkheid van de eigenaar van de bromfiets conform artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de eiser dient aan te tonen dat de bromfiets een gebrek vertoonde dat mede de oorzaak was van de schade. Tenslotte oordelen de appelrechters dat, inzoverre de vordering gesteund is op artikel 29bis WAM-wet de bewijslast voor de toepasselijkheid van deze wetsbepaling ook ligt bij de eiser. Vervolgens onderzoeken de appelrechters wie op het ogenblik van het ongeval de bromfiets, verzekerd bij de eerste verweerster, bestuurde. In dit verband stellen de appelrechters weliswaar vast dat de strafrechter de eiser heeft vrijgesproken van de hem ten laste gelegde betichtingen doch zij oordelen dat de strafrechter niet zeker en noodzakelijk heeft beslist dat de eiser geen bestuurder maar wel passagier was. De appelrechters menen derhalve gerechtigd te zijn op grond van de concrete feitelijke gegevens van het dossier te onderzoeken of de eiser op het ogenblik van het ongeval al dan niet bestuurder van de bromfiets was. Met betrekking tot de waarde en het gezag van gewijsde van de uitspraak op strafrechtelijk gebied oordelen de appelrechters als volgt: "3.
- De strafrechter sprak (de eiser) vrij van de hem ten laste gelegde betichtingen: - onopzettelijke doding van I. G.; - overtreding van artikel 12.3.1, alinea 1 (niet verlenen voorrang van rechts); - een bromfiets bestuurd te hebben met passagier op de openbare weg, dit zonder de vereiste minimumleeftijd van 18 jaar bereikt te hebben; - als bestuurder van een bromfiets meer personen te hebben vervoerd dan het aantal zitplaatsen waarvoor het voertuig was uitgerust; - een voertuig in het verkeer te hebben gebracht waarvan de uitrusting en de organen niet altijd in goede staat van werking of voortreffelijk onderhoud waren. De strafrechter kwam tot deze beslissing omdat hij oordeelde dat, omwille van de tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen en het gebrek aan uitsluitsel hieromtrent in het verslag van deskundige Wim Vandeweerdt, het niet als voldoende bewezen kon aanvaard worden dat de eiser in hoger beroep de bestuurder van de bromfiets was en zich derhalve had schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde strafrechtelijke inbreuken. In de motivatie van de strafrechter wordt nergens geoordeeld dat (de eiser) niet de bestuurder van de bromfiets was, omdat het zou bewezen zijn dat hij als passagier op deze bromfiets was gezeten, dan wel omdat het bewezen zou zijn dat de bromfiets bestuurd werd door I. G.. De eiser in hoger beroep stelt dan ook ten onrechte dat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist dat hij de bestuurder van de bromfiets (niet) was. In casu werd (de eiser) vrijgesproken omdat de politierechter, zetelend in strafzaken, en nadien de correctionele rechtbank, in hoger beroep, oordeelde dat er twijfel was over de identiteit van de bestuurder van het voertuig. Deze twijfel dient in strafzaken te leiden tot vrijspraak van de beklaagde. Dit heeft tot gevolg dat de burgerlijke rechtbank niet meer kan oordelen dat (de eiser) een inbreuk beging op de strafwet m.b.t. het betrokken verkeersongeval. De strafrechter heeft echter niet zeker en noodzakelijk beslist dat (de eiser) geen bestuurder doch wel passagier was. De vrijspraak is gesteund op twijfel omtrent deze hoedanigheid, doch hieruit volgt niet dat de rechtbank thans, in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis WAM-wet, dient aan te nemen dat (de eiser) geen bestuurder was. Het blijft aan de eiser in hoger beroep om zulks aan te tonen". Vervolgens bespreken de appelrechters de feitelijke elementen uit het dossier en komen zij op grond hiervan tot het besluit dat niet als bewezen kan aanvaard worden dat I. G. de bromfiets bestuurde, zoals de eiser heeft voorgehouden. Grieven De appelrechters stellen vast dat de eiser door de correctionele rechtbank werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde betichtingen, waaronder onopzettelijke doding van de heer I. G. en overtreding van artikel 12.3.1, eerste alinea, van het Wegverkeersreglement. De appelrechters erkennen dat de strafrechter tot deze beslissing kwam omdat hij oordeelde dat het niet als voldoende bewezen kon aanvaard worden dat de eiser de bestuurder van de bromfiets was en zich derhalve had schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde inbreuken. De appelrechters nemen evenwel aan dat de eiser ten onrechte stelt dat de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist dat hij de bromfiets niet bestuurde, nu in de motivering van het strafrechtelijk oordeel nergens wordt aangegeven dat de eiser niet de bestuurder van de bromfiets was of dat het zou bewezen zijn dat de bromfiets bestuurd werd door de heer I. G.. De strafrechter heeft geoordeeld dat, omwille van de tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen en het gebrek aan uitsluitsel hieromtrent in het verslag van de aangestelde gerechtsdeskundige, het niet als voldoende bewezen kon aanvaard worden dat de eiser de bestuurder van de bromfiets was. Op grond van deze feitelijke omstandigheid werd de eiser door de Correctionele Rechtbank te Hasselt op strafrechtelijk gebied vrijgesproken. De appelrechters oordelen dat deze uitspraak van de correctionele rechtbank ten aanzien van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt wel degelijk gezag van gewijsde heeft doch dat zulks niet tot gevolg heeft dat de burgerlijke rechtbank niet meer kan oordelen dat de eiser een inbreuk beging op de strafwet met betrekking tot het betrokken verkeersongeval. De appelrechters oordelen dat de strafrechter niet zeker en noodzakelijk heeft beslist dat de eiser geen bestuurder doch wel passagier was nu de vrijspraak gesteund is op twijfel omtrent deze hoedanigheid. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde bindt de burgerlijke rechter niet alleen als deze uitspraak doet over de vordering tot schadevergoeding ex delicto maar ook in andere burgerlijke zaken waarin de vordering op een misdrijf steunt. Dit betekent dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde ten aanzien van de strafrechter uitwerking heeft indien de beslissing van de strafrechter hetzelfde feit betreft als wat in het burgerlijk geschil tot de betwisting behoort. De appelrechters nemen zulks aan nu zij oordelen dat in beginsel de beslissing van de Correctionele Rechtbank te Hasselt van 14 januari 1999 gezag van gewijsde heeft. Bovendien dekt het gezag van gewijsde het feit ongeacht de kwalificatie. De omstandigheid dat het betrokken verkeersongeval in de procedure voor de strafrechter als een misdrijf werd omschreven belet niet dat het in onderhavige procedure op grond van artikel 29bis WAM-wet en de verantwoordelijkheid van de heer I. G. gaat om hetzelfde feit, met name het verkeersongeval dat zich op 29 april 1996 te Heusden-Zolder heeft voorgedaan. De burgerlijke rechter kan overigens niet aan de bindende kracht van wat de strafrechter omtrent het feit heeft beslist ontsnappen door te pogen aan het feit een andere kwalificatie te geven. De appelrechters stellen vast dat de eiser op strafrechtelijk gebied werd vrijgesproken doch oordelen dat zij hierdoor niet dienen aan te nemen dat de eiser geen bestuurder doch wel passagier op de bromfiets was. De burgerlijke rechter is evenwel gehouden door wat de strafrechter zeker en noodzakelijk besliste, met name door het dictum en door de redenen die daarvan de noodzakelijke grondslag uitmaakt. In onderhavige zaak werd de eiser op strafrechtelijk gebied vrijgesproken omdat het niet bewezen was dat de eiser bestuurder was van de bromfiets die in het ongeval betrokken was. Uit het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt blijkt dat de dragende reden van deze vrijspraak bestaat uit het gegeven dat, omwille van de tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen en het gebrek aan uitsluitsel hieromtrent in het verslag van de gerechtsdeskundige, het niet als voldoende bewezen kon aanvaard worden dat de eiser de bestuurder van de bromfiets was. De feitelijke omstandigheid dat er onvoldoende elementen toelieten om de eiser als bestuurder aan te merken dient derhalve ongetwijfeld als een noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke vrijspraak te worden aangezien. De omstandigheid dat de vrijspraak op strafrechtelijk gebied gesteund is op twijfel omtrent deze hoedanigheid heeft geenszins voor gevolg dat de burgerlijke rechter in het kader van de betwisting voor de burgerlijke rechtbank de mogelijkheid zou kunnen openlaten dat de eiser wel degelijk als bestuurder dient te worden beschouwd. Het gezag van het strafrechtelijk gewijsde geldt immers ongeacht de motieven van de vrijspraak en derhalve ook bij vrijspraak op grond van twijfel. De appelrechters oordelen weliswaar dat zij niet meer kunnen oordelen dat de eiser een inbreuk beging op de strafwet doch zij beperken hierbij ten onrechte de draagwijdte van het gezag van het strafrechtelijk gewijsde. Nu de omstandigheid dat er twijfel bestaat nopens de vraag of de eiser als bestuurder kan worden aangezien de dragende reden is van de strafrechtelijke vrijspraak enerzijds en het gezag van het strafrechtelijk gewijsde blijft gelden, ongeacht de motieven van de vrijspraak anderzijds vermochten de appelrechters bij hun beoordeling, en dit ongeacht de beslissing nopens de bewijslast, niet meer de mogelijkheid open te laten dat de eiser toch als bestuurder van het voertuig zou kunnen worden aangezien. De appelrechters oordelen dat de eiser er niet in slaagt te bewijzen dat hij zelf op het ogenblik van het ongeval passagier van de betrokken bromfiets was, noch dat de bromfiets bestuurd werd door de heer I. G.. Op deze feitelijke gronden oordelen de appelrechters dat de vordering van de eiser gericht tegen de eerste en de tweede verweerster op grond van artikel 29bis WAM-wet ongegrond dient verklaard te worden en dat de vordering van de eiser gericht tegen de eerste verweerster op grond van het feit dat haar verzekerde verantwoordelijk zou zijn voor het kwestieuze ongeval eveneens ongegrond dient te worden verklaard (bestreden vonnis, blz. 13, punt 3.5). Hierdoor houden de appelrechters de mogelijkheid open dat de eiser als bestuurder van de betrokken bromfiets dient te worden aangezien. Nu de eiser op strafrechterlijk gebied wegens twijfel omtrent deze omstandigheid vrijgesproken is en deze omstandigheid de dragende reden is van de vrijspraak, vermochten de appelrechters niet meer de mogelijkheid open te laten dat de eiser als bestuurder dient te worden aangezien. Door derhalve, niettegenstaande de door de appelrechters aangenomen vrijspraak op strafrechtelijk gebied te oordelen dat de eiser er niet in slaagt te bewijzen dat hijzelf op het ogenblik van het ongeval passagier van de betrokken bromfiets was, noch dat de bromfiets bestuurd werd door de heer G. en de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis WAM-wet en op grond van de aansprakelijkheid van de verzekerde van de eerste verweerster ongegrond dient te worden verklaard verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van het algemeen beginsel betreffende het gezag van gewijsde in strafzaken op de burgerlijke vordering, artikel 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 29bis van de WAM-wet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters oordelen dat de vordering van de eiser op grond van artikel 29bis WAM-wet ongegrond is aangezien de eiser niet aantoont dat hij zelf op het ogenblik van het ongeval passagier van de betrokken bromfiets was, noch dat de bromfiets bestuurd werd door I.G.. Met betrekking tot de bewijslast op grond van artikel 29bis WAM-wet oordelen de appelrechters dat de eiser niet alleen moet aantonen dat hij schade heeft geleden door een verkeersongeval en de verzekeraar van wie hij vergoeding vordert verzekeraar is van de eigenaar, bestuurder of houder van het betrokken motorrijtuig doch dat hij tevens dient aan te tonen dat hij één van de personen is die zich op artikel 29bis van de WAM-wet kan beroepen. Dit heeft volgens de appelrechters tot gevolg dat de eiser diende aan te tonen dat hij geen bestuurder was, nu in het kader van artikel 29bis van de WAM-wet geen vermoeden geldt van het niet zijn van de bestuurder. Met betrekking tot de bewijslast oordelen de appelrechters als volgt: "2.
- Inzoverre de vordering van de eiser in hoger beroep gericht is tegen (de eerste verweerster) en (de tweede verweerster) op grond van artikel 29bis WAM-wet, dient aangetoond te worden dat alle vereisten voor de toepassing van dit artikel vervuld waren. Dit artikel, zoals van toepassing op het ogenblik van het ongeval, luidde: ‘§
- Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. (...) (...) §
- De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel. (...) 2.
- Er is geen betwisting over het gegeven dat de bewijslast wat betreft de punten 2.1 en 2.2 bij de eiser in hoger beroep rust. Wat betreft punt 2.3 stelt de eiser in hoger beroep dat hij, om beroep te kunnen doen artikel 29bis WAM-wet, enkel gehouden is aan te tonen dat hij bij een verkeersongeval, waarbij de door de gedaagden in hoger beroep verzekerde voertuigen betrokken waren, lichamelijke schade leed. Het behoort, volgens hem, aan de verzekeringsmaatschappijen om het bewijs bij te brengen van de exceptie die zij inroepen, namelijk dat hij bestuurder van de bromfiets was. Gedaagden in hoger beroep argumenteren daarentegen dat degene die de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst inroept, het bewijs dient te leveren zowel van de gebeurtenis zelf als van het feit dat het risico, zoals het zich heeft voorgedaan, niet uitgesloten was. Artikel 29bis, 2°, WAM-wet dient, volgens hen, als een uitsluiting van dekking beschouwd te worden, waarbij de bewijslast rust bij de verzekerde of de begunstigde. 2.
- Het toepassingsgebied van de vergoedingsregeling van artikel 29bis WAM-wet wordt beperkt doordat slechts een bepaalde categorie van personen recht heeft op vergoeding, hetgeen blijkt uit de samenlezing van de eerste en tweede paragraaf van dit artikel. Vergoedingsgerechtigd op grond van artikel 29bis WAM-wet is elk slachtoffer dat geen bestuurder was. De verzekerde die jegens zijn verzekeraar doet gelden dat hij recht heeft op een betaling, moet niet enkel de schade bewijzen, maar ook de gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf en moet aantonen dat het verzekeringscontract wel degelijk in dat schadegeval voorziet en het niet uitsluit (Cass., 5 januari 1995, R.W., 1995-96, 29; Cass., 7 juni 2001, R.W., 2001-02, 890). De persoon die een schadevergoeding overeenkomstig artikel 29bis WAM-wet vordert, dient aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden om deze vergoeding te bekomen (artikel 1315, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit betekent dat hij niet alleen moet aantonen dat hij schade heeft geleden door een verkeersongeval en de verzekeraar van wie hij vergoeding vordert verzekeraar is van de eigenaar, bestuurder of houder van het betrokken motorrijtuig, doch dat hij tevens dient aan te tonen dat hij één van de personen is die zich op artikel 29bis WAM-wet kan beroepen. Dit heeft tot gevolg dat hij dient aan te tonen dat hij geen bestuurder was. In het kader van artikel 29bis WAM-wet geldt geen vermoeden van het niet zijn van een bestuurder (vgl. Pol.Brugge 17 februari 2003, R.W., 2004-2005, 1512; Pol.Brugge 15 oktober 2002, De Verz. 2003, 774, noot J. Bogaert). De bewijslast voor de toepasselijkheid van artikel 29bis WAM-wet ligt derhalve bij de eiser in hoger beroep". Grieven Overeenkomstig artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen kunnen slachtoffers en hun rechthebbenden met betrekking tot schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels of overlijden, een recht op vergoeding laten gelden lastens de verzekeraar die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig dekt. Overeenkomstig paragraaf 1 in fine van artikel 29bis WAM-wet moet worden aangenomen dat het hier gaat om een principiële bij wet ingevoerde vergoedingsplicht. In paragraaf 2 van artikel 29bis WAM-wet wordt bepaald dat de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van dat artikel tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt. De appelrechters oordelen, met verwijzing naar twee uitspraken van de Politierechtbank te Brugge, dat de persoon die een schadevergoeding vordert overeenkomstig artikel 29bis WAM-wet ook dient aan te tonen dat hij geen bestuurder was. Zodoende dient de persoon die zich op artikel 29bis WAM-wet beroept het negatief bewijs te leveren van het feit dat hij geen bestuurder is. Vermits de uitsluiting van de bestuurder in artikel 29bis WAM-wet een exceptie betreft op een algemene regel dient diegene die deze exceptie inroept, met name de verzekeraar hiervan ook het bewijs te leveren. Nu de appelrechters oordelen dat de vordering van de eiser ongegrond is omdat hij niet aantoont dat hij ten tijde van het ongeval geen bestuurder van het voertuig was verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het gezag van het gewijsde in strafzaken verhindert dat de feiten, die het voorwerp van de strafrechtelijke beslissing uitmaakten, opnieuw worden betwist naar aanleiding van een latere procedure voor de burgerlijke rechter. Dit gezag van rechterlijk gewijsde geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk is beslist door de strafrechter met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser bij vonnis van de Politierechtbank te Hasselt van 22 oktober 1998, dat na hoger beroep en bij ontstentenis van cassatieberoep in kracht van gewijsde is getreden, vrijgesproken werd van de betichtingen: - onopzettelijke doding van I.G.; - overtreding van artikel 12.3.1., alinea 1, van het Wegverkeersreglement (niet verlenen van voorrang van rechts); - een bromfiets op de openbare weg te hebben bestuurd met een passagier, dit zonder de vereiste minimumleeftijd van 18 jaar te hebben bereikt; - als bestuurder van een bromfiets meer personen te hebben vervoerd dan het aantal zitplaatsen waarvoor het voertuig was uitgerust; - een voertuig in het verkeer te hebben gebracht waarvan de uitrusting en de organen niet altijd in goede staat van werking of voortreffelijk onderhouden waren. Het bestreden vonnis stelt ook vast dat de strafrechter tot deze beslissing kwam omdat hij oordeelde dat, omwille van de tegenstrijdigheden in de diverse verklaringen en het gebrek aan uitsluitsel hieromtrent in een verslag van een deskundige, het niet als voldoende bewezen kon aanvaard worden dat Y. de bestuurder van de bromfiets was en zich derhalve schuldig had gemaakt aan de hem ten laste gelegde strafrechtelijke inbreuken.
- Uit die gegevens volgt niet noodzakelijk en zeker dat, volgens de strafrechter, de eiser geen bestuurder maar wel passagier was van het voertuig.
- Door te beslissen dat in deze omstandigheden en ondanks de vrijspraak van de eiser voor de strafrechter, de eiser in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis WAM-wet moet aantonen dat hij geen bestuurder was, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Krachtens artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals te dezen van toepassing, wordt bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet. Krachtens paragraaf 2 van dit artikel, zoals te dezen van toepassing, kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel.
- Door het invoeren van dit artikel 29bis, heeft de wetgever de verzekeraar willen verplichten tot vergoeding van de andere slachtoffers dan de bestuurder van het in het ongeval betrokken motorrijtuig, en zijn rechthebbenden.
- Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen, moet de partij die schadevergoeding vordert op grond van voormeld artikel 29bis bewijzen dat het schadegeval beantwoordt aan het in dit artikel omschreven risico. Het behoort dus aan deze partij om het bewijs te leveren dat zij een door artikel 29bis beschermd slachtoffer of rechthebbende is en dienvolgens dat zij niet de bestuurder is van het in het ongeval betrokken motorrijtuig, of zijn rechthebbende. Het middel, dat van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 796,44 euro jegens de eisende partij en op de som van 139,00 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 april 2008 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090424.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110207.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110630.9 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.061 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031218.26 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111222.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div