id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.8 Rolnummer: C.07.0368.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 660 - laatst gezien 2026-07-03 04:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het spoedeisend karakter wordt door de kortgedingrechter beoordeeld op het ogenblik van zijn uitspraak
(1).
(1)Cass., 11 mei 1998, AR C.95.0068.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980511.5, A.C., 1998, nr 231. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Spoedeisend karakter - Beoordeling - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Fiche 2 Het voorlopig karakter van de maatregelen die de kortgedingrechter neemt, laat hem toe die maatregelen in te trekken of te wijzigen wanneer zich nieuwe of gewijzigde omstandigheden voordoen
(1), voor zover het geschil zelf nopens de voorlopige maatregelen bij hem aanhangig is.
(1)Cass., 18 april 2002, AR C.99.0114.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020418.8, A.C., 2002, nr
- Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Maatregelen - Voorlopig karakter - Gevolg - Intrekking of wijziging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 584, eerste lid Fiches 3 - 5 Wanneer de kortgedingrechter dient te oordelen nopens een incident bij de uitvoering van een door hem bevolen deskundigenonderzoek, is het geschil zelf nopens de gevorderde voorlopige maatregelen niet bij hem aanhangig; hij heeft in die omstandigheden niet te oordelen over het spoedeisend karakter van de gevorderde maatregelen. Thesaurus CAS: KORT GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Incident - Beoordeling - Spoedeisend karakter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, eerste lid Thesaurus CAS: AANHANGIG GEDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Kort geding - Deskundigenonderzoek - Incident Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, eerste lid Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving Vrije woorden: Kort geding - Incident - Beoordeling - Spoedeisend karakter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 973, eerste lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0368.N
- B. T.,
- R. M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, en van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, en van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. en ten aanzien van
- STAD SINT-TRUIDEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, Kazernevest 13,
- BURGEMEESTER VAN DE STAD SINT-TRUIDEN, met kantoor te 3800 Sint-Truiden, Kazernevest 13, tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 januari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 17, 19, 23, 24, 25, 584 in het bijzonder lid 1 en lid 3, 793, 798 lid 1, 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320, 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 17, §1, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door de wet van 19 juli 1991; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen
- Bij het bestreden arrest "ontvangt" het hof van beroep het door de verweerders ingestelde hoger beroep en verklaart het "gegrond": het doet de bestreden beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 3 juni 1999 teniet en, opnieuw recht doende, verklaart het de oorspronkelijke hoofdvordering gegrond en "zegt voor recht dat de deskundige binnen zijn opdracht handelt indien hij, na de sloping door (de eisers), zijn opdracht, zoals bepaald in de beschikking van 25 juni 1998 verder zet; het arrest beveelt (de eisers) op straffe van een dwangsom van 10.000 frank per dag weigering na betekening van onderhavig arrest, aan de deskundige toegang tot hun perceel gelegen te Sint-Truiden, Hamelstraat 21 te geven ten einde het de deskundig mogelijk te maken, vaststellingen te doen, zoals bepaald in de beschikking van 25 juni 1998". Het bestreden arrest verklaart de tegenvorderingen ongegrond en veroordeelt de eisers tot de kosten.
- Het arrest steunt op volgende redenen (p.3 midden t/m p.5, lid 1): "(...) Dat het voorwerp van het geschil tussen partijen betrekking heeft op de uitvoering van een vorige beschikking van 25 juni 1998, waarbij met betrekking tot het pand van (de eisers) sub 1 en 2, gelegen te Sint-Truiden, Hamelstraat 21, een deskundigenmaatregel werd bevolen; dat (de verweerders) dit pand willen doen beschermen omwille van de monumentale waarde ervan terwijl (de eisers) dit pand wegens verval volledig wensten te slopen; dat (de verweerders) bij voormelde beschikking de aanstelling van een deskundige verkregen ten einde ondermeer te onderzoeken welke dringende maatregelen noodzakelijk waren voor het behoud van het gebouw; dat er met de uitvoering van deze beschikking problemen ontstonden ingevolge de volledige sloping van het gebouw door (de eisers); dat (de eisers) aan de deskundige de toegang tot hun perceel weigerden om, zoals gevraagd door (de verweerders), na de volledige sloping een nieuw plaatsbezoek te doen; dat volgens (de eisers) (de verweerders) geen belang meer zouden hebben om onderhavige vordering in te stellen om reden dat het definitief klasseringsbesluit, waarop (de verweerders) zich steunden om de expertisemaatregel te verkrijgen, ingevolge arrest van de Raad van State van 29 juni 1998 ondertussen is geschorst; dat bovendien ingevolge de afbraak van het pand het voorwerp van de expertise er sinds 6 februari 1999 niet meer zou zijn; dat de aan de deskundige gegeven opdracht duidelijk zou zijn en niet voor interpretatie vatbaar; (...) Dat in deze de hoogdringendheid niet meer aan de orde is; dat deze reeds werd beoordeeld bij de beschikking van 25 juni 1998 en (de eisers) daarin hebben berust; dat nu de deskundige voor een probleem stond omtrent de toegang tot het pand en de uitgestrektheid van zijn opdracht (de verweerders) zich tot de kortgedingrechter dienden te wenden om over dit incident te doen beslissen; (...) Dat het nut van het bevolen deskundigenonderzoek als zodanig thans niet in vraag kan worden gesteld gelet op het gezag van gewijsde van de beschikking van 25 juni 1998; dat de tegenvordering van (de eisers) in dit verband dan ook ongegrond blijft; (...) Dat (de verweerders) terecht willen verkrijgen dat de deskundige ook bevoegd zou zijn om na de sloping van het pand van 6 februari 1999 over te gaan tot de beschrijving van het puin; dat blijkbaar (de eisers) zijn overgegaan tot volledige sloping; dat nu dezen niet bereid zijn om verder mee te werken aan de deskundigenopdracht om reden dat de verrichtingen geen deel zouden uitmaken van de aan de deskundige gegeven opdracht, (de verweerders) zich terecht opnieuw tot de kortgedingrechter hebben gewend; (...) Dat door het schorsingsbesluit van de Raad van State de beschikking van 25 juni 1998 niet ongedaan wordt gemaakt; dat onderhavige vordering zich duidelijk situeert binnen deze beschikking; dat (de verweerders) ontegensprekelijk belang hebben bij de bewaring van de typische bouwelementen van de gevel om deze bij eventuele heropbouw te gebruiken; dat hun belang des te groter is nu zij de voortzetting van de annulatieprocedure hebben gevorderd en er reden kan zijn dat de schorsing niet wordt gehandhaafd; (...) Dat (de eisers) ten onrechte een nieuw plaatsbezoek onmogelijk hebben gemaakt; dat gelet op het streven van (de verweerders) om de bescherming van het pand van (de eisers) te verkrijgen het niet onredelijk is dat zij wensen de heropbouwmogelijkheden van het pand te laten onderzoeken en te laten vaststellen wat reeds afgebroken werd en wat werd bewaard; dat de omstandigheid dat het pand werd gesloopt niet belet dat de deskundige zijn onderzoeksverrichtingen kan voltooien; dat overigens bij het verlenen van de opdracht reeds geanticipeerd werd op de verdere afbraak aangezien uitdrukkelijk tot de opdracht behoorde "Te beschrijven wat afgebroken werd en wat werd bewaard en de heropbouwmogelijkheden te onderzoeken en te beschrijven; in het bijzonder te onderzoeken of (de eisers) de verplichting opgelegd in het besluit van 7 maart 1998 van de Burgemeester ‘om bij de afbraak de typische bouwelementen van de gevels te bewaren om deze bij de heropbouw eventueel te kunnen gebruiken' hebben nageleefd". Grieven Eerste onderdeel
- Schending van de artikelen 19, 23, 24, 25, 584 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. 1.
- Met betrekking tot de "hoogdringendheid" waarvan de eisers het gebrek hadden ingeroepen (appelconclusie p. 2-3) overweegt het bestreden arrest (p. 4, lid 2): "dat in deze de hoogdringendheid niet meer aan de orde is; dat deze reeds werd beoordeeld bij de beschikking van 25 juni 1998 en (de eisers) daarin hebben berust; dat nu de deskundige voor een probleem stond omtrent de toegang tot het pand en de uitgestrektheid van zijn opdracht, (de verweerders) zich tot de kortgedingrechter dienden te wenden om over dit incident te doen beslissen"; "(...) dat het nut van het bevolen deskundigenonderzoek als zodanig thans niet in vraag kan worden gesteld gelet op het gezag van gewijsde van de beschikking van 25 juni 1998; dat de tegenvordering van (de eisers) in dit verband dan ook ongegrond blijft". 1.
- De urgentie is een voorwaarde voor de materiële bevoegdheid van de rechter in kortgeding optredend krachtens artikel 584, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij maakt ook een wezenlijk bestanddeel uit van de gegrondheid van een vordering in kortgeding ingeleid op de voet van artikel 584, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek. De voorwaarde van urgentie raakt de openbare orde zodat de rechter, desnoods ambtshalve, moet onderzoeken of zij vervuld is hetgeen niet afhangt van de instemming van partijen. De rechter die krachtens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek in kort geding recht spreekt, beoordeelt het vereiste spoedeisend karakter op het ogenblik van zijn uitspraak en die regel geldt krachtens de artikelen 584 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, ook voor de rechter die in hoger beroep moet oordelen over een zaak waarin een beslissing in kort geding werd gewezen. 1.
- Het feit dat de hoogdringendheid werd beoordeeld in een vroegere beschikking van de kortgedingrechter waarin de eisers zouden hebben "berust" ontslaat de kortgedingrechter en de beroepsrechter niet van het onderzoek van de urgentievereiste in een latere procedure ter beslechting van een incident bij de uitvoering van de eerdere beschikking. Noch het definitief karakter - in de zin van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek - van de eerste beschikking noch het gezag van gewijsde in de zin van de artikelen 23, 24 en 25 van het Gerechtelijk Wetboek verhinderen dergelijk onderzoek van de urgentievereiste door de rechter in hoger beroep. 1.
- Door de exceptie van gebrek aan hoogdringendheid af te wijzen omdat de hoogdringendheid "niet meer aan de orde is" daar zij "reeds werd beoordeeld bij de beschikking van 25 juli 1998 en (de eisers) daarin hebben berust" en "gelet op het gezag van gewijsde van de beschikking van 25 juni 1998" "het nut van het bevolen deskundigenonderzoek als zodanig thans niet meer in vraag kan worden gesteld, heeft het arrest de hierboven, onder nr. 1.2 en 1.3, ingeroepen regels en onderliggende wetsbepalingen geschonden. Tweede onderdeel
- Schending van artikel 17, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. 2.
- Zoals blijkt uit de boven onder nr. 11.2 weergegeven motivering van het bestreden arrest oordeelt het hof van beroep, na vastgesteld te hebben (arrest p. 3 onderaan) dat "volgens (de eisers) (de verweerders) geen belang meer zouden hebben om onderhavige vordering in te stellen om reden dat het definitief klasseringsbesluit waarop (de verweerders) zich steunden om de expertisemaatregel te verkrijgen, ingevolge arrest van de Raad van State van 29 juni 1998 ondertussen is geschorst" (p. 4, lid 5), "door het schorsingsbesluit van de Raad van State de beschikking dd. 25 juni 1998 niet ongedaan wordt gemaakt; dat onderhavige vordering zich duidelijk situeert binnen deze beschikking; dat (de verweerders) ontegensprekelijk belang hebben bij de bewaring van de typische bouwelementen van de gevel om deze bij eventuele heropbouw te gebruiken; dat hun belang des te groter is nu zij de voortzetting van de annulatieprocedure hebben gevorderd en er reden kan zijn dat de schorsing niet wordt gehandhaafd". 2.
- Bij vermelde kortgeding-beschikking van 25 juni 1998 werd, volgens de vaststellingen in het bestreden arrest (p. 3, lid 4) een deskundigenmaatregel bevolen teneinde m.b.t. het pand van eisers ondermeer te onderzoeken welke dringende maatregelen noodzakelijk waren voor het behoud van het gebouw. 2.
- Zo deze beschikking inderdaad niet "ongedaan" is gemaakt door het arrest van de Raad van State van 29 juni 1998 waarbij de tenuitvoerlegging van het klasseringsbesluit m.b.t. het pand van eiseres werd geschorst, betekent dit echter niet dat hetgeen op grond van die kortgeding-beschikking nog niet is uitgevoerd, ook na de schorsing uitvoerbaar blijft. 2.
- De schorsing van een administratieve rechtshandeling conform artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft immers tot gevolg dat de geschorste rechtshandeling niet meer ten uitvoer kan worden gelegd: zij kan door het betrokken bestuur niet meer als feitelijke of juridische basis van zijn optreden worden aangewend. Een verdere uitvoering is onwettig. 2.
- De schorsingovereenkomstig artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State - van de tenuitvoerlegging van het besluit houdend "bescherming" van het pand van de eisers hield derhalve in dat verweerders de verdere uitvoerig van de expertiseverrichtingen, bevolen door de kortgeding - beslissing van 25 juni 1998, niet meer in rechte konden nastreven. Gezien de rechtsgevolgen en het gezag verbonden aan het schorsingsarrest van de Raad van State, ontbrak hiertoe het krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste rechtmatig belang voor het instellen van de verweerders' betwiste rechtsvordering. 2.
- Door te oordelen dat, niettegenstaande het tussengekomen schorsingsarrest van 29 juni 1998 van de Raad van State, de verweerders "ontegensprekelijk belang" behielden om de expertiseverrichtingen opgelegd bij kortgeding-beschikking van 25 juni 1998 verder te zetten ter "bewaring van de typische bouwelementen van de gevel om deze bij eventuele heropbouw te gebruiken", heeft het arrest de rechtsgevolgen van dit schorsingsarrest miskend, derhalve artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State alsook artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. Derde onderdeel
- Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikelen 793 en 798, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet. 3.
- In hun beroepsconclusie, regelmatig neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 12 augustus 1999 (p.7) stelden de eisers dat de vordering van de verweerders niet ontvankelijk was in zover ze ertoe strekte de beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 25 juni 1998 te horen "uitleggen" terwijl, overeenkomstig artikel 798, lid 1, van het Gerechtelijk wetboek, "tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, (...) de vordering tot uitlegging niet kan worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie verstreken zijn". De eisers onderstreepten dat de beschikking van 25 juni 1998 "geen kracht van gewijsde (had) bekomen" en dat zij "het niet eens (waren) met verdere (expertise) opdrachten of vorderingen tot "uitlegging". De eisers besloten hieruit dat "aan de formele vereisten van artikel 798 van het Gerechtelijk Wetboek (...) niet (was) voldaan" en de vordering van de verweerders derhalve onontvankelijk was. 3.
- Het arrest oordeelt (p. 4): - dat "onderhavige vordering zich duidelijk situeert binnen deze beschikking (van 25 juin 1998); "dat (de verweerders) terecht willen verkrijgen dat de deskundige ook bevoegd zou zijn om na de sloping van het pand van 6 februari 1999 over te gaan tot de beschrijving van het puin" (...); -"dat (...) het niet onredelijk is dat (de verweerders) wensen de heropbouwmogelijkheden van het pand te laten onderzoeken en te laten vaststellen wat reeds afgebroken werd en wat werd bewaard"; -"dat de omstandigheid dat het pand werd gesloopt niet belet dat de deskundige zijn onderzoeksverrichtingen kan voltooien; dat overigens bij het verlenen van de opdracht reeds geanticipeerd werd op de verdere afbraak aangezien uitdrukkelijk tot de opdracht behoorde: ‘Te beschrijven wat afgebroken werd en wat werd bewaard en de heropbouwmogelijkheden te onderzoeken en te beschrijven; in het bijzonder te onderzoeken of gedaagden de verplichting opgelegd in het besluit van 7 maart 1998 van de Burgemeester' om bij de afbraak de typische bouwelementen van de gevels te bewaren om deze bij de heropbouw eventueel te kunnen gebruiken hebben nageleefd"; 3.
- Het arrest heeft aldus de beschikking van 25 juni 1998 geïnterpreteerd in de door de verweerders gewenste zin, zonder echter te antwoorden op de in conclusie ingeroepen onontvankelijkheid van de verweerders' vordering wegens het niet vervuld zijn van de in artikel 798 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarde. Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het aldus artikel 149 van de Grondwet dat de rechter verplicht zijn beslissingen met redenen te omkleden hetgeen o.m. de verplichting inhoudt te antwoorden op de door partijen in hun conclusies ingeroepen middelen. Door aldus in te gaan op de gevraagde uitlegging, met miskenning van de door artikel 798, lid 1, van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarde, heeft het arrest ook deze wetsbepaling geschonden. 3.
- Door te oordelen dat de opdracht van de deskundige, zoals bepaald in de beschikking van 25 juni 1998 niet alleen betrekking had op de uitgevoerde gedeeltelijke afbraak van het gebouw doch zich ook uitstrekte tot hetgeen, na de datum van de beschikking doorgevoerde sloping van andere delen van het gebouw, heeft het arrest de beschikking van 25 juni 1998 uitgelegd bij een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen van deze beschikking die, zoals blijkt uit de in het arrest (p. 5, lid 1) overgenomen passages alleen betrekking had op de beschrijving van wat afgebroken werd en wat werd bewaard (zie de beschikking van 25 juni 1998, p. 7, nr. 5 en het bestreden arrest, p. 5, lid 1) en derhalve niet op hetgeen eventueel in de toekomst zou afgebroken worden. Door de precieze bewoordingen van de opdracht van de deskundige, zoals geformuleerd in de beschikking van 25 juni 1998, te interpreteren in die zin dat deze opdracht ook reeds "anticipeerde" op de "verdere afbraak" waartoe de opdracht zich derhalve ook uitstrekte, heeft het arrest derhalve de bewijskracht die toekomt aan deze beschikking geschonden door ze uit te leggen op een wijze die onverenigbaar is met haar bewoordingen, meer bepaald de omschrijving van de opdracht van de deskundige op p.7, nr. 5 van de beschikking van 25 juni
- Aldus houdt het arrest schending in van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek overeenkomstig dewelke de rechter de bewijskracht van akten moet eerbiedigen hetgeen inhoudt dat hij ze niet mag uitleggen op een wijze die onverenigbaar is met hun bewoordingen. 3.
- Het arrest dat aanneemt dat uit de in het arrest (p. 5, lid 1) en hierboven (nr. 3.2) geciteerde opdracht van de deskundige (p.7, punt 5 van de beschikking van 25 juni 1998) blijkt dat hierbij "geanticipeerd werd op de verdere afbraak" antwoordt niet op de beroepsconclusie van de eisers (p. 17-18) waarin deze op omstandige wijze lieten gelden dat en waarom er van dergelijke "anticipatie" "GEEN SPRAKE" was (beroepsconclusie, p. 18, lid 2). De eisers voerden inderdaad aan (beroepsconclusie p. 17) dat de betreffende opdracht van de deskundige "duidelijk" ging over "wat reeds voor de beschikking van 25 juni 1998 afgebroken was ("werd" afgebroken")", nl. het "achterhuis" ("westelijke en noordelijke gevel") van het gebouw. Het arrest dat overweegt dat bij het verlenen van de opdracht in de beschikking van 25 juni 1998 "reeds geanticipeerd" werd op de verdere afbraak", antwoordt niet op bovenvermeld middel uit de conclusie waarin de eisers dergelijke beweerde "anticipatie" op gemotiveerde wijze betwistten. Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter ertoe verplicht zijn beslissingen met redenen te omkleden hetgeen onder meer inhoudt dat hij dient te antwoorden op de door partijen in hun conclusies ingeroepen middelen. 3.
- Zoals de eisers in hun beroepsconclusie (p. 8) aanvoerden, laat artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek niet toe onder de mom van "uitlegging" van een beslissing, de daarin gevestigde rechten te wijzigen of uit te breiden, in voorliggend geval de bij beschikking van 25 juni 1998 geformuleerde deskundigen opdracht uit te breiden tot in de toekomst uitgevoerde afbraakwerken. Zoals blijkt uit wat voorafgaat (nrs. 3.
- en 3.5.) heeft het arrest de beschikking van 25 juni 1998 uitgelegd op een wijze die, in strijd met de bewoordingen ervan, de opdracht van de deskundige, in het nadeel van eiseres, uitbreidt. Door dergelijke uitbreiding van de deskundigenopdracht toe te staan heeft het arrest de rechten, zoals vastgelegd in de beschikking van 25 juni 1998, gewijzigd en aldus artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Het spoedeisend karakter wordt door de kortgedingrechter beoordeeld op het ogenblik van zijn uitspraak. Het voorlopig karakter van de maatregelen die hij neemt, laat de kortgedingrechter toe die maatregelen in te trekken of te wijzigen wanneer er zich nieuwe of gewijzigde omstandigheden voordoen, voor zover het geschil zelf nopens de voorlopige maatregelen bij hem aanhangig is.
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 973, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervullen de deskundigen hun opdracht onder toezicht van de rechter. Wanneer de kortgedingrechter, overeenkomstig voormeld artikel 973, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dient te oordelen nopens een incident bij de uitvoering van een door hem bevolen deskundigenonderzoek, is het geschil zelf nopens de gevorderde voorlopige maatregelen niet bij hem aanhangig. De kortgedingrechter heeft in die omstandigheden niet te oordelen over het spoedeisend karakter van de gevorderde maatregelen.
- Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De appelrechter stelt vast dat in het besluit van de burgemeester van 7 maart 1998 aan de eisers de verplichting werd opgelegd om bij de afbraak de typische bouwelementen van de gevels te bewaren om deze bij wederopbouw eventueel te kunnen gebruiken.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de expertiseverrichtingen die werden opgelegd bij de beschikking van 25 juni 1998, louter steunden op het klasseringsbesluit, waarvan de tenuitvoerlegging door de Raad van State werd geschorst, steunt op een onvolledige lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- De appelrechter stelt vast dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders ertoe strekt de eisers te bevelen hun medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 25 juni 1998 aan de deskundige gegeven opdracht en hen te verplichten toegang te verlenen tot hun perceel teneinde het de deskundige mogelijk te maken vaststellingen inzake het afbraakmateriaal te verrichten. Hij oordeelt dat: - het geschil betrekking heeft op de uitvoering van een vorige beschikking in kort geding van 25 juni 1998, waarbij met betrekking tot het pand van de eisers, gelegen te Sint-Truiden, Hamelstraat 21, een deskundigenonderzoek werd bevolen; - de eisers ten onrechte een nieuw plaatsbezoek onmogelijk hebben gemaakt; - de verweerders zich tot de rechter in kort geding dienden te wenden om over dit incident bij de uitvoering van het deskundigenonderzoek te doen beslissen, omdat de deskundige voor een probleem stond omtrent de toegang tot het pand en de uitgestrektheid van zijn opdracht; - de omstandigheid dat het pand werd gesloopt niet belet dat de deskundige zijn onderzoeksverrichtingen kan voltooien; - de verweerders terecht vorderen dat de bevoegdheid van de deskundige om, na de sloping van het pand op 6 februari 1999, over te gaan tot de beschrijving van het puin, zou worden vastgesteld; - de vordering van de verweerders zich duidelijk situeert "binnen deze beschikking" van 25 juni
- De appelrechter, die aldus oordeelt dat de oorspronkelijke vordering van de verweerders er enkel toe strekt een incident bij de uitvoering van de bij een eerdere beschikking bevolen deskundigenonderzoek te doen beslechten en aldus te kennen geeft dat deze vordering niet strekt tot uitlegging in de zin van artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek, diende niet meer te antwoorden op het verweer van de eisers dat de vordering niet ontvankelijk was wegens het niet vervuld zijn van de formele vereisten voor een vordering tot uitlegging. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
- De appelrechter oordeelt dat bij het verlenen van de opdracht overigens reeds werd geanticipeerd op de verdere afbraak, aangezien uitdrukkelijk tot de opdracht behoorde: "Te beschrijven wat afgebroken werd en wat werd bewaard en de heropbouwmogelijkheden te onderzoeken en te beschrijven; in het bijzonder te onderzoeken of (de eisers) de verplichting opgelegd in het besluit van 7 maart 1998 van de burgemeester ‘om bij de afbraak de typische bouwelementen van de gevels te bewaren om deze bij de heropbouw eventueel te kunnen gebruiken' hebben nageleefd".
- De appelrechter verwerpt en beantwoordt aldus de conclusie van de eisers waarin zij aanvoeren dat de opdracht van de deskundige slechts betrekking had op wat reeds vóór de beschikking van 25 juni 1998 werd afgebroken. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- Door het in randnummer 8 vermelde oordeel, geeft de appelrechter van de beschikking van 25 juni 1998 geen uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en miskent hij de bewijskracht ervan niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
- De appelrechter oordeelt, zonder de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de beschikking van 25 juni 1998, dat de vordering van de verweerders zich duidelijk situeert "binnen deze beschikking". In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechter de opdracht van de deskundige heeft uitgebreid, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Vordering tot bindendverklaring
- De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 599,00 euro jegens de eisende partijen en op de som van 236,27 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130208.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980511.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020418.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div