id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.9 Rolnummer: C.08.0136.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 649 - laatst gezien 2026-07-03 02:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De omstandigheid dat, wanneer hij die het levensonderhoud verstrekt tot zodanige staat komt dat hij het geheel of gedeeltelijk niet meer kan verschaffen, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, ontheffing of vermindering ervan gevorderd kan worden, sluit de toepassing niet uit van de algemene regel, volgens welke de uitkeringsplichtige zich niet vrijwillig in een situatie mag stellen die het hem mogelijk maakt aan zijn wettelijke verplichting te ontsnappen
(1)Zie Cass., 17 okt. 2005, AR C.04.0057.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051017.3, A.C., 2005, nr 515. Thesaurus CAS: LEVENSONDERHOUD UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Levensonderhoud - hulp GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Privé-leven Vrije woorden: Ouders t.o.v. kinderen - Ontheffing of vermindering - Voorwaarde - Eerbied voor het privéleven en het gezinsleven - Verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1, eerste lid, 203bis, en 209 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 17 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Levensonderhoud - hulp GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Privé-leven Vrije woorden: Eerbied voor het privéleven en het gezinsleven - Levensonderhoud - Ouders t.o.v. kinderen - Ontheffing of vermindering - Voorwaarde - Verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1, eerste lid, 203bis, en 209 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 17 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Levensonderhoud - hulp GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Privé-leven Vrije woorden: Eerbied voor het privéleven en het gezinsleven - Levensonderhoud - Ouders t.o.v. kinderen - Ontheffing of vermindering - Voorwaarde - Verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1, eerste lid, 203bis, en 209 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 17 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Levensonderhoud - hulp GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Privé-leven Vrije woorden: Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - Artikel 17 - Eerbied voor het privéleven en het gezinsleven - Levensonderhoud - Ouders t.o.v. kinderen - Ontheffing of vermindering - Voorwaarde - Verband Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 203, § 1, eerste lid, 203bis, en 209 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 17 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0136.N B. M., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 20 maart 2008 onder nummer G.07.0109.N, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J. H., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 22 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; - de artikelen 203, §1, 203bis, 209, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart eisers hoger beroep ongegrond, en bevestigt, binnen de perken ervan, de beschikking a quo waarbij de eiser werd veroordeeld tot betaling, aan verweerster, vanaf 7 oktober 2003, ten titel van onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen, van 250 euro voor dochter N. en 200 euro voor zoon J., onverminderd kindervergoeding, betaalbaar op voorhand en draagbaar ten huize van de verweerster, gekoppeld aan het in¬dexcijfer der kleinhandelsprijzen, met ontvangstmachtiging ten voordele van verweerster, op volgende gronden: "Beoordeling Thans blijft enkel de onderhoudsbijdragen door (de eiser) voor zijn kinderen verschuldigd ter discussie. Hij verzet zich tegen het betalen van de toegekende onderhoudsbijdrage voor N. van 250 euro en voor J. van 200 euro per maand aangezien hij over geen eigen inkomsten zou beschikken: In het verzoekschrift biedt hij een herleide bijdrage aan voor de periode tussen 1 oktober 2003 en 1 augustus 2004 waarvan de begroting wordt overgelaten aan de wijsheid van het (hof van beroep). Hij stelt voor recht te zeggen vanaf 13 augustus 2004 tot 31 december 2004 gehouden te zijn een onderhoudsbijdrage te voldoen van 65 euro per maand en per kind met de verplichting om zodra zijn inkomsten in de tussentijd een bedrag van 1.000 euro netto per maand bereiken een bijdrage van 100 euro per maand en per kind, om dan nadien nader recht te horen doen bij gebreke aan spontane en passende bij¬drage van hem. De oorzaken van en de schuld aan de feitelijke scheiding tussen partijen zijn in het kader van de beoordeling omtrent de onderhoudsbijdrage voor de kinde¬ren irrelevant, zoals trouwens ook de beslissingen van de Vrederechter die oordeelt in het kader van tijdelijke moeilijkheden tussen partijen. Wel is het juist dat gedurende al die jaren (de verweerster) de enige constante factor geweest is in dit gezin die de volledige zorg van de opvang van de kinderen op zich genomen heeft. Omtrent de inkomsten van partijen. (De eiser) had tot 1997 een bedrijf onder de naam Task bvba met enkele perso¬neelsleden en één vennoot. Dit bedrijf deed aan bedrijfsondersteunend advies voor standenbouw en winkelinrichtingen. Ingevolge een ooginfectie werd hij in een tijdspanne van 6 maanden geleidelijk blind zodat hij gedwongen werd zijn aandelen in deze zaak over te dragen. Na een moeizaam wederopbouw van zijn beroepsactiviteiten werd hij vanaf juni 2003 geconfronteerd met een ern¬stige rugaandoening die tot verlamming van zijn linkerbeen aanleiding gaf, waardoor acuut een operatie zich opdrong. De postoperatieve problemen brachten met zich mee dat hij sedert 2 augustus 2003 een uitkering geniet van de socialistische mutualiteit ten bedrage van 601,62 euro per maand, waardoor hij in het jaar 2003 slechts een belastbaar inkomen bezat van 2 278,18 euro op jaarbasis. De medische kosten liepen hoog op, waardoor zijn persoonlijke uitgaven buiten verzekering tot 200 euro per maand bedroegen. Op datum van 1 april 2005 is hij voor onbepaalde duur erkend als invalide met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. Sedertdien zou hij van de mu¬tualiteit geen ziekte-uitkering meer ontvangen hebben. De verzorgende arts bevestigt dat (de eiser) van juli 2003 tot op datum van 23 januari 2006 werkonbe¬kwaam was gezien het chronische en invaliderende karakter van zijn ziekte. Hij heeft in de periode van 1 februari tot 30 september 2005 een bijstand van 1.231,36 euro getrokken van het OCMW te Bonheiden als tussenkomst in de opleg voor medicijnen, waarvan een attest bijgebracht is. Volgens een attest op datum van 9 januari 2006 van de behandelende arts in de VU Brussel beantwoorden het ziekteverloop en de klachten in principe aan de criteria van een chronisch vermoeidheidsyndroom (Chronic Fatigue Syn¬drome), wat zou kunnen wijzen op een darmdysbiose na een hepatitis B. De heer M.B.ontkent niet te zijn gaan samenwonen met zijn vriendin D.V.D.A te Bonheiden, Oude Baan 72, wat alleszins voor hem een kostenbesparend gevolg heeft. In de oprichtingsakte van de coöpe¬ratieve vennootschap Verpleegdienst Van der Auwera & Co staat hij trouwens als stille vennoot vermeld. (De verweerster) is tewerkgesteld als verpleegster in het ziekenhuis ‘Hoge Beuken' te Hoboken en verdient een maandelijkse som van netto ongeveer 1.560 euro. Aangezien (de eiser) nooit tussengekomen is in de onkosten beweert zij na aftrek van alle vaste kosten slechts 351 euro per maand over te hebben om van te leven. Bovendien begint haar gezondheidstoestand sterk te lijden ingevolge deze aanslepende problematiek die haar er toe noopt halftijds te gaan werken. (De verweerster) ontkent verder ten stelligste het feit dat (de eiser) geen enkel recht zou kunnen laten gelden op enige sociale uitkering en/of vervangingsinkomen zoals hij komt te beweren ten gevolge van de inkomsten van zijn vriendin. Omtrent de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. (De eiser) was tot 2 juli 2003 zelfstandige en in 2000 en 2003 genoot hij op eigen verzoek vrijstelling van bijdrage als gehuwde persoon op basis van artikel 37, §1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende het algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Naar aanleiding van de stopzetting op 2 juli 2003 van zijn zelfstandige activiteit vroeg (de eiser) gelijkstelling te verkrijgen als zelfstandige in bijberoep wegens ziekte. Vermits hij geen bijdrage betaald heeft in 2003 ingevolge zijn vrijstellingsaanvraag had hij echter geen recht op ziekte-uitkering. Bij beslissing van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 3 juni 2005 werd dit principe bevestigd. (De eiser) zou aan deze toestand maar een einde kunnen stellen door zich terug gedurende minstens één kwartaal als zelfstandige te laten inschrijven. Voor (de verweerster) verhindert zijn arbeidsongeschiktheid niet dat hij zou verzaken aan de toepassing van dit artikel 37 en zich voor één kwartaal kan laten inschrijven. Het feit blijft echter dat zijn gezondheidstoestand een herinschrijving als zelfstandige niet toelaat. Dit belet echter niet dat hem een inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend kan worden als persoon met een handicap van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke en psychische toestand zijn verdienvermogen heeft vermin¬derd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefe¬nen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen. Volgens schrijven van FOD Sociale Zekerheid van 7 december 2006 wordt, alhoewel (de eiser) aan de medische voorwaarden voldoet, met ingang van 1 april 2005 elke inkomstenvervangende tegemoetkoming evenwel geweigerd of afgeschaft aangezien het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten, het bedrag van de wettelijk voorziene tegemoetkoming te boven gaat. Het totaal van de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt van het jaar 2004 overstijgt immers dit bedrag. Om een toekenning te bekomen van de inkomensvervangende tegemoetko¬ming wordt namelijk het gedeelte van de inkomsten dat de grensbedragen overschrijdt afgetrokken van de basisbedragen van de tegemoetkoming. Onder inkomen wordt dan verstaan de belastbare inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt. Derhalve hypothekeert (de eiser) door zijn eigen houding, zolang hij blijft samenwonen met zijn huidige vriendin, elke mogelijkheid waarover hij kan beschikken om zich een uitkering te verwerven. ln die omstandigheden zijn er dan ook geen redenen voorhanden om de bestreden beschikking wat betreft de toege¬kende onderhoudsbijdragen te wijzigen" (arrest pp. 5-9). Grieven Eerste onderdeel 1. Naar luid van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding, in iedere stand van het geding tot de ontbinding van het huwe¬lijk, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de per¬sonen, op het levensonderhoud en op de goederen, zowel van de partijen als van de kinderen. Krachtens artikel 602, eerste lid, 2°, van hetzelfde wetboek, neemt het hof van beroep kennis van het hoger beroep tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen, onder meer, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Overeenkomstig artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek, die¬nen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen, en loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind indien de opleiding niet voltooid is. Artikel 203bis, van het Burgerlijk Wetboek schrijft voor dat elk van de ouders, onverminderd de rechten van het kind, van de andere ouder diens bijdrage kan vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1, van hetzelfde wetboek. Luidens artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek, kan hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, ontheffing of vermindering van het levenson¬derhoud gevorderd worden, wanneer hij die het verstrekt of hij die het geniet, tot zodanige staat komt dat de ene het niet meer kan verschaffen of de andere het niet meer nodig heeft. 2. Om de respectieve middelen van de ouders te bepalen, moet de rechter onder meer rekening houden met de lasten die op een van hen rusten. Onder de middelen van de ouders moet niet alleen worden verstaan deze waarover zij werkelijk beschikken, maar ook hun mogelijkheden tot het verwerven van inkomsten, zowel uit arbeid, goederen, als vervangende inkomsten, zodat de rechter virtuele inkomsten in hoofde van de ouder(
- s)kan weerhouden. De inkomsten en lasten van de ouders en de behoeften van het kind zijn deze in de periode waarop het onderhoudsgeld betrekking heeft, wat bevestigd wordt door de veranderlijkheid van de onderhoudsuitkering, zoals bepaald door artikel 209 van het Burgerlijk Wetboek. De onderhoudsplichtige mag zich echter niet vrijwillig in een si¬tuatie hebben gesteld die het hem mogelijk zou maken aan zijn wettelijke on¬derhoudsverplichting te ontsnappen. Slechts de omstandigheden die door de onderhoudsplichtige zijn gewild om zijn inkomsten te verminderen om aldus aan de onderhoudsplicht te ontsnappen, kunnen wegens vrijwilligheid worden geweerd. 3. Het bestreden arrest doet uitspraak over de met ingang van ok¬tober 2003 door de verweerster gevorderde onderhoudsbijdrage van eiser in de kosten van onderhoud van de kinderen van partijen, met name N. B. (geboren 20 april 1984) en J. B. (geboren 12 juli 1989). Wat betreft de middelen van eiser blijkt uit de vaststellingen van het arrest: - dat de eiser van augustus 2003 tot maart 2005 een ziekte-uitkering genoot van de mutualiteit ten belope van 601,62 euro per maand; - dat de eiser, nadat hij op 1 april 2005 voor onbepaalde duur erkend werd als invalide met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct., geen ziekte-uit¬kering meer zou ontvangen; - dat de eiser in de periode van 1 februari tot 30 september 2005 een bijstand van 1.231,30 euro trok van het OCMW als tussenkomst in de opleg voor medicijnen; - dat de eiser met zijn vriendin samenwoont, wat voor hem "een kostenbesparend gevolg" heeft. Wat betreft de mogelijkheden van eiser verwerpt het arrest vooreerst de door de verweerster aangevoerde mogelijkheid van eiser om een ziekte-uitkering te bekomen. Opdat de eiser deze zou kunnen genieten is vereist dat hij zich voor één kwartaal als zelfstandige zou inschrijven. Zijn gezond¬heidstoestand laat echter, volgens de appelrechters, "een herinschrijving als zelfstandige niet (toe)". Wat betreft de mogelijkheid van de eiser om als een persoon met een handicap een "inkomensvervangende tegemoetkoming" te bekomen, stellen de appelrechters vast dat eiser aan de medische voorwaarden hiervoor voldoet, maar dat de uitkering hem met ingang van 1 april 2005 werd gewei¬gerd "aangezien het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten, het bedrag van de wettelijk voorziene tegemoetkoming te boven gaat (
- nu)het totaal van de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt van het jaar 2004 dit bedrag (overstijgt)". Aldus blijkt uit de vaststellingen van het arrest dat de eiser niet over beroepsinkomsten of een inkomensvervangende uitkering beschikt, noch over enige andere inkomsten, althans sinds 1 april 2005. Niettemin zien de appelrechters geen redenen om de veroorde¬ling van eiser in de beschikking a quo, tot betaling, vanaf 7 oktober 2003, ten titel van onderhoudsbijdrage voor de kinderen van partijen, van 250,00 euro voor de dochter N. en 200 euro voor de zoon J., te wijzigen. Zij steunen deze beslissing op de overweging dat de eiser "door zijn eigen houding", m.n. "zolang hij blijft samenleven met zijn huidige vriendin", elke mogelijkheid waarover hij kan beschikken om zich een uitkering te verwerven "hypothekeert". Aldus nemen de appelrechters, impliciet doch zeker, aan dat de eiser zich vrijwillig bevindt in een toestand die hem belet een inko¬mensvervangende tegemoetkoming te ontvangen. 4. Nu uit het bestreden arrest niet blijkt dat de eiser op bedrieglijke wijze zijn huidige samenlevingsvorm zou gekozen hebben, m.n. om aan zijn onderhoudsverplichtingen opzichtens zijn kinderen te ontsnappen, kon het de omstandigheid dat de eiser geen inkomenvervangende tegemoetkoming ontvangt omwille van het blijven samenwonen met zijn vriendin, niet wettig weren uit de begroting van het onderhoudsgeld op de gronden die het bevat (schending van de artikelen 203, §1, 203bis en 209 van het Burgerlijk Wetboek, en de ar¬tikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Door, op de gronden die het bevat, te oordelen dat de eiser "elke mogelijkheid om zich een uitkering te verwerven" "hypothekeert", en om die reden de beslissing a quo te bevestigen, geeft het bestreden arrest ook te kennen dat het de eiser verwijt samen te wonen met zijn vriendin in plaats van niet samen te wonen met haar (en een tegemoetkoming te verwerven), zodat het de eisers recht op privé-leven en gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 22, van de Grondwet, artikel 8, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 17, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, miskent (schending van artikel 22 van de Grondwet, arti¬kel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981), en dienvolgens niet wettig eisers middelen begroot bij de beoordeling van de gevorderde onderhoudsgelden en niet wettig oordeelt dat de eiser in staat is een onderhoudsuitkering te verschaffen (schending van de artikelen 203, §1, 203bis en 209 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Zelfs indien het bestreden arrest het blijven samenwonen van de eiser met zijn vriendin lastens de eiser kon weerhouden als omstandigheid waardoor de eiser vrijwillig "elke mogelijkheid waarover hij kan beschikken om zich een uitke¬ring te verwerven (hypothekeert)", quod non, dan nog laten de vaststellingen die het bevat niet toe te besluiten dat de eiser onderhoud, zoals toegekend, kan verschaffen. De onderhoudsuitkering ten behoeve van de kinderen moet door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende over de voorlo¬pige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en door het hof van beroep, uitspraak doende, op grond van artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, over het hoger beroep tegen de beschikking van de voorzitter, worden begroot op grond van de voorwaarden en criteria vervat in de artikelen 203, §1, 203bis en 209 van het Burgerlijk Wetboek, zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk als hernomen aangezien. Het bestreden arrest beslist enerzijds dat het samenwonen van de eiser met zijn vriendin het "hypothekeren" van "elke mogelijkheid een uitkering te verwerven" betekent, maar neemt anderzijds ook aan dat het samenwonen van de eiser met zijn vriendin voor de eiser een "kostenbesparend gevolg" heeft. Deze vaststellingen lieten de appelrechters niet toe het door de eerste rechter begrote onderhoudsgeld zondermeer te bevestigen, nu hieruit niet blijkt dat indien de eiser niet zou samenwonen met zijn vriendin en een inko¬mensvervangende tegemoetkoming zou ontvangen, maar dus ook niet meer zou genieten van het kostenbesparend samenwonen, hij wel in de mogelijkheid zou zijn om de onderhoudsgelden te betalen. De appelrechters dienden immers bij de begroting van het onderhoudgeld ook rekening te houden met de lasten die op de eiser zouden rusten indien hij niet zou samenwonen, en het bestreden arrest bevat ook geen enkel onderzoek naar de omvang van de inkomsten waarover de eiser werkelijk zou kunnen beschikken indien hij niet samenwonend zou zijn. Door aldus na te laten de onderhoudsuitkering te begroten op grond van de inkomsten waarover de eiser werkelijk zou kunnen beschikken, rekening houdende met zijn lasten, miskent het bestreden arrest de artikelen 203, §1, 203bis en 209, van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens kon het bestreden arrest, uit de feitelijke vaststellingen die het bevat, niet zonder schending van het wettelijk begrip feitelijk vermoeden, de middelen van de eiser in het kader van de begroting van het onderhoudsgeld voor de kinderen bepalen, nu deze feiten niets zeggen over de omvang van de inkomsten waarover de eiser werkelijk zou kunnen beschikken, rekening houdende met de lasten die op hem rusten indien hij niet samenwonend zou zijn, zodat het bestreden arrest uit de feiten die het vaststelt een gevolg afleidt dat op grond daarvan onmogelijk kan worden verantwoord (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel Zelfs indien het bestreden arrest het blijven samenleven van de eiser met zijn vriendin lastens de eiser kon weerhouden als een vrijwillig feit dat inkomstenbeperkend werkt en buiten beschouwing moet gelaten worden voor de be¬groting van het onderhoudgeld, en indien de vaststellingen die het arrest bevat zouden volstaan om lastens de eiser vanaf 1 april 2005 de middelen te weerhouden nodig om het onderhoudsgeld, zoals toegekend, te betalen, quod non, dan nog is de beslissing niet naar recht verantwoord. De onderhoudsuitkering ten behoeve van de kinderen moet door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, uitspraak doende over de voorlo¬pige maatregelen lopende het echtscheidingsgeding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en door het hof van beroep, uitspraak doende, op grond van artikel 602, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, over het hoger beroep tegen de beschikking van de voorzitter, worden begroot op grond van de voorwaarden en criteria, vervat in de artikelen 203, §1, 203bis en 209 van het Burgerlijk Wetboek, zoals weergegeven in het eerste onderdeel en hier uitdrukkelijk als hernomen aangezien. De omstandigheid dat de eiser te dezen, door zijn eigen houding, zolang hij blijft samenwonen met zijn huidige vriendin, "elke mogelijkheid waarover hij kan beschikken om zich een uitkering te verwerven (hypothekeert)", dekt slechts, zoals blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het bestreden arrest, de periode vanaf 1 april 2005, met name het tijdstip waarop de eiser als invalide met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. is erkend. Nu de rechter de inkomsten, mogelijkheden en lasten van de aangesproken ouder moet onderzoeken in de periodes waarop het gevorderde on¬derhoudsgeld betrekking heeft, kunnen de overwegingen die het arrest bevat aangaande het hypothekeren van eisers mogelijkheden tot het verwerven van een uitkering, de beslissing tot bevestiging van de beschikking a quo waarbij de eiser werd veroordeeld tot betaling van onderhoudsgelden ten belope van 250 euro en 200 euro met ingang van 7 oktober 2003, niet naar recht verantwoorden. Door derhalve, op de gronden die het bevat betreffende de eisers mo¬gelijkheden tot het verwerven van een uitkering vanaf 1 april 2005, de eiser te veroordelen tot betaling van onderhoudsuitkeringen ten behoeve van de kinderen vanaf 7 oktober 2003, miskent het bestreden arrest de artikelen 203, §1, 203bis en 209 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 602, eerste lid, 2°, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 203, §1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Krachtens artikel 203bis, van dit wetboek, kan, onverminderd de rechten van het kind, elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, §1. Krachtens artikel 209, van hetzelfde wetboek, kan, wanneer hij die het levensonderhoud verstrekt of hij die het geniet, tot zodanige staat komt dat de ene het niet meer kan verschaffen of de andere het niet meer nodig heeft, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, ontheffing of vermindering ervan gevorderd worden. 2. De omstandigheid dat voormeld artikel 209, bepaalt dat ontheffing of verminde¬ring van het levensonderhoud kan worden gevorderd, wanneer hij die het verstrekt het geheel of gedeeltelijk niet meer kan verschaffen, sluit de toepassing niet uit van de algemene regel, volgens welke de uitkeringsplichtige zich niet vrijwillig in een situatie mag stellen die het hem mogelijk maakt aan zijn wettelijke verplichting te ontsnappen. 3. Die regel moet gelezen worden in samenhang met het recht van eenieder op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, zoals dit gewaarborgd wordt door de artikelen 22 van de Grondwet, 8 EVRM en 17 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 4. De appelrechters oordelen dat: - blijkens een brief van de FOD Sociale Zekerheid van 7 december 2006 aan de eiser met ingang van 1 april 2005 elke inkomstenvervangende tegemoetkoming wordt geweigerd, daar het totaal van de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt het bedrag van de wettelijk voorziene tegemoetkoming te boven gaat; - de eiser derhalve door zijn eigen houding, zolang hij blijft samenwonen met zijn huidige vriendin, elke mogelijkheid waarover hij kan beschikken om zich een uitkering te verwerven hypothekeert; - er dan ook geen redenen voorhanden zijn om de bestreden beschikking wat betreft de toegekende onderhoudsgelden te wijzigen. 5. Door aldus te oordelen dat het verder samenwonen van de eiser met zijn huidi¬ge vriendin een aan hem toe te schrijven omstandigheid is, die, nu hij hierdoor het recht verbeurt op enige inkomstenvervangende tegemoetkoming, een wijzi¬ging van de op hem rustende onderhoudsbijdrage belet, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven 6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het akte neemt van de afstand van het rechtsmiddel wat betreft het exclusief ouderlijk gezag, de verblijfre¬geling van het kind en het vervreemdingsverbod van de goederen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 april 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns E. Stassijns E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.9 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140102.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051017.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div