id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.14 Rolnummer: P.08.1853.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-07-02 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor zover het bestuur bij het parket een herstelvordering inzake stedenbouw formuleert, neemt het openbaar ministerie bij het uitoefenen van de strafvervolging deze herstelvordering waar voor de strafrechter, zodat, indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt "tegen alle schikkingen op strafgebied", ook de herstelvordering aanhangig is in hoger beroep
(1).
(1)Cass., 11 sept. 2001, AR P.99.0324.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010911.11, A.C., 2001, nr 455 met concl. O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Herstelvordering - Hoger beroep van het openbaar ministerie Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelvordering - Hoger beroep van het openbaar ministerie Fiches 3 - 4 De beslissing van de strafrechter die de beklaagde op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur beveelt de plaats in de vorige toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, is geen straf naar Belgisch recht maar een maatregel van burgerlijke aard; het voorschrift van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is op deze beslissing noch op de dwangsom die de appelrechter eraan toevoegt, toepasselijk
(1).
(1)Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Herstelvordering - Aard van de maatregel - Gevolg - Eenparigheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelvordering - Aard van de maatregel - Gevolg - Eenparigheid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.08.1853.N J M E S, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 14 maart 2007 en 26 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 65, § 1, Stedenbouwwet, artikel 149, § 2, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 138, tweede lid (thans artikel 138bis) Gerechtelijk Wetboek en artikel 202 Wetboek van Strafvordering: gelet op het hoger beroep van het openbaar ministerie dat enkel gericht was "tegen alle schikkingen op strafgebied", oordelen de appelrechters ten onrechte dat ook de herstelvordering van het bestuur bij hen aanhangig was.
- Voor zover het bestuur bij het parket een herstelvordering formuleert, neemt het openbaar ministerie bij het uitoefenen van de strafvervolging deze herstelvordering waar voor de strafrechter. Indien het openbaar ministerie hoger beroep instelt "tegen alle schikkingen op strafgebied" is ook de herstelvordering aanhangig in hoger beroep. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest is dubbelzinnig gemotiveerd waar het beslist dat de herstelvordering geen straf is, daar deze beslissing alleen wettig is zo daarmee beslist is dat ze geen straf is volgens de Belgische interne wet, maar onwettig is zo daarmee beslist is dat ze geen straf is in de zin van de autonome betekenis van artikel 6.1 EVRM, zoals dit blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Het bestreden arrest oordeelt dat "deze vraagstelling uitgaat van de verkeerde premisse dat de herstelvordering een straf zou zijn" nog vόόr het Europees Hof voor de Rechten van de Mens besliste dat de herstelmaatregel een straf uitmaakt in de zin van artikel 6.1 EVRM. Het blijkt aldus niet dat de appelrechters in dezelfde zin als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordelen, wel integendeel: zij oordelen dat ook in de zin van artikel 6.1 EVRM de herstelvordering geen straf uitmaakt. Dit antwoord is niet dubbelzinnig. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden eindarrest verzwaart het opgelegde herstel door er een, in eerste aanleg niet opgelegde dwangsom van 250 euro per dag vertraging aan toe te voegen zonder dat eenparigheid van de leden wordt vastgesteld.
- De beslissing van de strafrechter die de beklaagde op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur beveelt de plaats in de vorige toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, is geen straf naar Belgisch recht maar een maatregel van burgerlijke aard. Het voorschrift van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is op deze beslissing noch op de dwangsom die de appelrechter eraan toevoegt, toepasselijk. Het middel faalt naar recht. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het bestreden eindarrest verantwoordt niet wettig zijn beslissing dat er ter zake geen overschrijding van de redelijke termijn is door vast te stellen dat de herstelvordering geen straf is; in de zin van artikel 6.1 EVRM is het uitgesproken herstel in de vorige staat wel een "straf", in welk geval de redelijke termijn moet beoordeeld worden vanaf het tijdstip van de beschuldiging en niet slechts vanaf het begin van het geding.
- De appelrechters beoordelen de redelijke termijn "van bij de aanvang van de bouw", op welk ogenblik toen reeds door de overheden werd opgetreden. Aldus beoordelen zij, in overeenstemming met artikel 6.1 EVRM, de termijn vanaf het tijdstip van de beschuldiging en niet slechts vanaf het begin van het geding. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: gelet op het tijdsverloop tussen eensdeels, de berechting die aansleepte tot 26 november 2008, en anderdeels, (eerste grief) het opstellen van het aanvankelijk proces-verbaal (2 september 1985), (tweede grief) minstens het instellen van herstelvordering (5 november 1991) en alleszins (derde grief) de dagvaarding van de eiseres voor de correctionele rechtbank (6 maart 1995), oordelen de appelrechters ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden.
- De redelijke termijn wordt niet in abstracto bepaald maar concreet in het licht van de omstandigheden van de zaak. De grieven die ervan uitgaan dat voor de berekening van de termijn uitsluitend de duur van de termijn bepalend is, ongeacht de overige omstandigheden van de zaak die de rechter vaststelt, falen naar recht. Derde en vierde onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: alhoewel de eiseres daarover concludeerde, houden de appelrechters bij hun beoordeling van de redelijke termijn geen rekening met het feit dat de uitstellen mede veroorzaakt werden door de trage afhandeling door de overheid van de regularisatieaanvragen (derde onderdeel) alsook het feit dat gedurende meer dan vier jaar het proces van de eiseres niet behandeld werd (vierde onderdeel); ze laten na deze conclusie te beantwoorden en verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de vermelde conclusie van de eiseres, die dagtekent van 14 februari 2007, na het tussenarrest van 14 maart 2007 voor de anders samengestelde zetel van het hof van beroep die de zaak heeft hernomen, formeel werd hernomen. Het bestreden arrest moest aldus deze conclusie niet beantwoorden. In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag.
- Voor het overige komen de onderdelen op tegen de beoordeling van de feitenrechter of vereisen zij een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel herneemt de kritiek van het vorige middel, tweede tot vierde onderdeel, voor het geval de appelrechters terecht zouden hebben geoordeeld dat de herstelmaatregel geen "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het vorige middel blijkt dat de appelrechters, ongeacht elke betwisting over de aard van de herstelmaatregel, in overeenstemming met artikel 6.1 EVRM, de redelijke termijn doen aanvangen vanaf het tijdstip van de beschuldiging en niet slechts vanaf het tijdstip van de dagvaarding. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van beslissing
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 110,42 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 5 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010911.11 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150429.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div