← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090512.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090512.2 Rolnummer: P.09.0190.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-06-23 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-07-03 01:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, noch op het ogenblik dat zij kennis nam van de zaak ter gelegenheid van de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden, noch op het ogenblik van de regeling van de rechtspleging, de regelmatigheid van de procedure en van de bewijsverkrijging heeft onderzocht aan de hand van het open dossier, kan de feitenrechter niet weigeren het onderzoek te doen naar de opgeworpen niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op grond van de aangevoerde politionele provocatie. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Regeling van de rechtspleging - Geen onderzoek van de regelmatigheid van de procedure en van de bewijsverkrijging - Feitenrechter - Exceptie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op grond van politionele provocatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 235bis en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Regeling van de rechtspleging - Geen onderzoek van de regelmatigheid van de procedure en van de bewijsverkrijging - Feitenrechter - Exceptie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering op grond van politionele provocatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 127, 235bis en 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0190.N I G P, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie te Hasselt. II B M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, beiden tegen FN HERSTAL nv, met zetel te Herstal, Voie de Liège 33, burgerlijke partij, verweerster. III D F-S, beklaagde, eiseres. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 24 december

  1. De eiser G P voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser B M voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres D F-S voert geen middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  2. De eiser G P is vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten Al, B1 in de mate deze telastlegging meer of andere wapens vermeldt dan de in zijnen hoof-de bewezen verklaarde twintig GP's en één Glock, B2 in de mate deze telastleg-ging meer of andere wapens vermeldt dan de in zijnen hoofde bewezen verklaarde drie P90's en tien 5/7's, en B5 in de mate deze telastlegging meer of andere wa-pens vermeldt dan de in zijnen hoofde bewezen verklaarde drie P90's, twintig GP's en tien 5/7's.
  3. De eiser B M is vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten Al en Cl in de mate deze telastlegging meer of andere wapens vermeldt dan de in zijnen hoofde bewezen verklaarde twintig GP's.
  4. De eiseres D F-S is vrijgesproken voor de haar ten laste gelegde feiten A2, B1, B3 en B5 en voor de telastlegging B2 in de mate deze telastlegging meer of andere wapens vermeldt dan de in haren hoofde bewezen verklaarde twee P90's en negen 5/7's.
  5. Het bestreden arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de ver-weerster tegen de eisers G P en B M ongegrond. De cassatieberoepen tegen die beslissingen zijn bij gebrek aan belang niet ontvan-kelijk. Middel van de eiser II B M Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grond-wet, artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht van verdediging: de verwijzing door artikel 235ter, § 5, Wetboek van Strafvorde-ring naar artikel 235bis, §§ 5 en 6, Wetboek van Strafvordering houdt niet in dat de onontvankelijkheid van de strafvordering op grond van het bestaan van politio-nele provocatie niet meer kan ingeroepen worden voor het vonnisgerecht omdat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de afsluiting van het onderzoek de re-gelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie reeds onderzocht heeft overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering.
  7. Overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling ambtshalve of op verzoek van een der partijen de regelmatigheid van de procedure bij de regeling van de rechtspleging en in de andere gevallen waarin ze kennisneemt van de zaak. Uit artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de onregelmatighe-den, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, opnieuw door de feitenrechter kunnen worden onderzocht wanneer de middelen die worden aangevoerd, betrekking hebben op de bewijswaardering, maar niet wanneer zij de bewijsverkrijging betreffen. Het artikel 235ter Wetboek van Strafvordering voert een afzonderlijke rechtsple-ging in waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling enkel de regelmatigheid be-oordeelt van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voor zover ze daartoe het vertrouwelijk dossier, bedoeld in de artikelen 47septies en 47nonies Wetboek van Strafvordering, moet controleren. De rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering doet geen af-breuk aan de eventuele toepassing van de rechtspleging van de artikelen 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering kennisneemt van de zaak en ter gelegenheid van de controle van het vertrouwelijk dossier geroepen wordt uitspraak te doen over de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure met inbegrip van het onder-zoek van de wettigheid en de regelmatigheid van de observatie en infiltratie aan de hand van het strafdossier en de gevolgen daarvan op het verdere verloop van de procedure, moet zij een debat openen overeenkomstig artikel 235bis, § 3, Wet-boek van Strafvordering. Zij dient dan overeenkomstig dit artikel een debat op te-genspraak te houden over dit geschilpunt dat de regelmatigheid van de procedure betreft, en daarover uitspraak te doen.
  8. De appelrechters stellen vast dat: - de kamer van inbeschuldigingstelling op vordering van de procureur-generaal de verplichte controle op de toepassing van de bijzondere opsporingstechnie-ken infiltratie en observatie heeft gedaan bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek en beslist heeft dat geen onregelmatigheden werden vastgesteld met betrekking tot de bijzondere opsporingstechnieken observatie en infiltratie die in dit gerechtelijk onderzoek werden aangewend; - krachtens artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering gronden van niet-ontvankelijkheid die door de kamer van inbeschuldigingstelling reeds werden onderzocht, niet meer kunnen opgeworpen worden voor de feitenrechter behal-ve wanneer ze na het debat voor de kamer van inbeschuldigingstelling zijn ont-staan, wat te dezen niet het geval is; - de feitenrechter zelf niet kan belast worden met de controle op de toepassing en regelmatigheid van de bijzondere opsporingstechnieken observatie en infiltratie vermits hij geen kennis kan nemen van het vertrouwelijk dossier en hij de ge-bruikte opsporingstechnieken en de argumenten van de partijen ter zake niet kan toetsen aan de inhoud van het vertrouwelijk dossier.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling het debat heeft heropend om over de regelmatigheid van de procedure en de bewijsverkrijging uitspraak te doen na onderzoek van het open strafdossier, noch dat de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging is tussengekomen. Met de voormelde redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat zij niet kunnen oordelen over de aangevoerde politionele provocatie, niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Derde middel van de eiser I G P
  10. Het middel is om dezelfde redenen als vermeld in ro 6 tot 8 gegrond. Overige grieven van de eisers I en II
  11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing leiden. Zij behoeven geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 EVRM; - artikel 149 Grondwet; - artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; - de artikelen 235bis en 235ter Wetboek van Strafvordering.
  12. Om de redenen, vermeld in in ro 6 tot 8, is ook de beslissing over de straf-vordering ten laste van de eiseres III, in de mate dat zij schuldig werd verklaard, niet naar recht verantwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de eisers vrijspreekt en de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster tegen de eisers I en II ongegrond verklaart. Verwerpt de cassatieberoepen van de eisers voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers in de helft van de kosten van hun cassatieberoep en laat de overige helft daarvan ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Begroot de kosten in het geheel op 354,09 euro waarvan de eisers I, II en III elk 118,03 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 12 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090512.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140528.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.