id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:A
Art. 5
, vierde lid
Art. 7
, eerste lid Fiche 2 De Dioxinewet en de uitvoeringsbesluiten moeten gekaderd worden in het door de Europese Commissie opgelegde verbod van overcompensatie en de budgettaire mogelijkheden van de Belgische Staat; het feit dat slechts bepaalde schade van de ondernemingen wordt vergoed, sluit aldus niet uit dat de vergoeding afhankelijk wordt gesteld van verzaking aan alle schade die van de Belgische Staat zou kunnen gevorderd worden. Thesaurus CAS: LANDBOUW UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - ECONOMISCH OVERHEIDSBELEID - Overheidssteun PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Gevaarlijke stoffen - Algemeen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Landbouw en visserij Vrije woorden: Dioxinecrisis - Vergoeding - Bepaalde schade - Voorwaarde - Verzaking aan elke schadevordering tegen de Staat - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 03-12-1999 - Art. 16
Art. 5
, vierde lid
Art. 7, eerste lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr.
C.08.0489.N GOLD MEAT BELGIUM, naamloze vennootschap, met kantoor te 3550 Heusden-Zolder, Industrieweg 6, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Guldenvlieslaan 87,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoor te 1040 Brussel, Handelsstraat 78-80,
- INSTITUUT VOOR VETERINAIRE KEURING, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 56,
- FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, met kantoor te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 30, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 105, 108 en 159 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 2, 2°, 3, 4, 5, 7, 8 en 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (hierna: Dioxinewet); - artikel 5, lid 4, van het koninklijk besluit van 25 juni 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden; - artikel 7, lid 1, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong; - de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aanqevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond en verwerpt de door de eiseres tegen de verweerders ingestelde vordering tot schadevergoeding omwille van de door haar op 19 september 2001 en 12 april 2002 ondertekende bedingen van afstand van verhaal, dit na de door de eiseres ingeroepen exceptie van onwettigheid van de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 waarop de afstand van verhaal was gesteund, te hebben verworpen op grond van de volgende motieven: "2° Aangaande de wettelijkheid van de koninklijke besluiten van 25 januari 2000
- Het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoeding voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op Belgisch grondgebied bevinden bepaalt in artikel 5, 4de lid: (...) Het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong bepaalt in artikel 7: (...)
- (De eiseres) diende twee aanvraagdossiers in conform de geciteerde koninklijke besluiten van 25 januari 2000, en zulks resp. bij brieven van 20 september 2001 en 12 april
- In de eerste aanvraag ondertekende (de eiseres) deze verklaring: "Op basis en overeenkomstig het artikel 5, §4, van het hogergenoemde koninklijk besluit van 25 januari 2000, verklaar ik afstand te doen van elk verhaal in rechte tegen de (eerste, tweede en derde verweerder) met betrekking tot de voedingswaren waarvoor ik de vergoeding ontvang in toepassing van dit besluit". De tweede aanvraag houdt de verklaring in: "een definitieve en onvoorwaardelijke afstand te doen van elk verhaal in rechte tegen de (eerste en tweede verweerder) met betrekking tot de voedingsmiddelen waarvoor ik een vergoeding ontvang". (De eiseres) ontving op resp. 27 november 2001 en 28 mei 2002 de tegemoetkomingen van respectievelijk 118.624,29 euro en 185.074,65 euro.
- Stelling van (de eiseres): (De eiseres) stelt dat de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 onwettig zijn en krachtens artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden verklaard. De koninklijke besluiten zouden immers geen wettelijke steun vinden in artikel 16 van de Dioxinewet, welke bepaling geen bijzondere delegatie aan de Koning gaf om de toekenning van steun te koppelen aan de voorwaarde van afstand verhaal in rechte tegen de (eerste, tweede en derde verweerder), en om aldus het gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregime uit artikel 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek buiten spel te zetten. De Belgische Staat zou zich volgens (de eiseres) evenmin kunnen beroepen op artikel 108 van de Grondwet. De afstandsregeling uit de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 beperkt volgens (de eiseres) op onevenredige wijze haar recht van vrije toegang tot de rechter en is bijgevolg strijdig met artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 4 van het BUPO-Verdrag. (De eiseres) besluit dat de litigieuze afstandsverklaringen die in uitvoering van de koninklijke besluiten werden ondertekend buiten toepassing moeten worden verklaard en zonder gevolg moeten blijven.
- Artikel 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis in 1999 of Dioxinewet (B.S. 11 december 1999) bepaalt: (...) Dit artikel is met ingang van 1 juli 1999 in werking getreden. Ten andere bepalen artikel 7 en 8 van de wet: (...)
- (De eiseres) maakt vooreerst een onderscheid tussen de steunmaatregelen zoals resp. bepaald bij artikel 4 en artikel 16 van de Dioxinewet. De steunmaatregelen zoals bepaald bij artikel 4, waarop artikel 7 van toepassing is, zouden enkel en alleen ten gunste van landbouwbedrijven zijn bestemd. Deze stelling is weinig ter zake dienend nu artikel 3, 1°, van de wet bepaalt dat de Koning "voor de toepassing van de wet en tegen de voorwaarden die hij vaststelt, ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van andere producten van dierlijke oorsprong die voorkomen op de lijst opgenomen (...), (kan) gelijkstellen met landbouwbedrijven".
- Artikel 16 van de Dioxinewet verleent duidelijk aan de Koning de bevoegdheid om bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit de voorwaarden vast te leggen tot toekenning van voorschotten of vergoedingen aan ondernemingen zoals (de eiseres). De uitvoerende macht heeft slechts bevoegdheden die toegewezen zijn door de wet of door de Grondwet. Te dezen heeft de Dioxinewet de bevoegdheden toegewezen om de voorwaarden tot toekenning van voorschotten of vergoedingen te bepalen. De toewijzing van bevoegdheden aan de uitvoerende macht moet inderdaad steeds beperkend worden geïnterpreteerd. De voorafgaande ondertekening van een afstandsverklaring door de begunstigde maakt echter duidelijk een voorwaarde uit die de Koning in toepassing van artikel 6 van de Dioxinewet wettelijk in de litigieuze koninklijke besluiten van 25 januari 2000 kon bepalen en het was daarom niet vereist, mede gelet op artikel 7 en 8 van de wet, dat artikel 16 van de Dioxinewet nog benadrukte dat de Koning de toekenning van steunmaatregelen afhankelijk kon stellen van een afstandsverklaring. Een verschillende behandeling van de begunstigden in het kader van respectievelijk artikel 4 en artikel 16 van de Dioxinewet, waarbij de koppeling van de steun aan de voorwaarde van afstand in rechte uitsluitend voor de landbouwbedrijven zou worden toegepast, zou bovendien indruisen tegen het gelijkheidsbeginsel.
- (...) (...)" (arrest, p. 13 t/m 16, randnrs. 18 tin -123). Grieven Eerste onderdeel De wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (Dioxinewet) bevat een hoofdstuk II, "Schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis", enerzijds, en een hoofdstuk IV, "Andere steunmaatregelen", anderzijds. De regeling vervat in hoofdstuk II (artikelen 4 t/m 8) betreft een vergoedingsregeling voor de landbouwbedrijven, in de zin van artikel 2, 2° van de wet, die schade hebben geleden tengevolge van de dioxinecrisis. Artikel 4, eerste lid, bepaalt dat "binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voorwaarden bepaald een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, de Staat steun kan toekennen aan landbouwbedrijven ten einde alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden tengevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door andere of federale overheidssteun". Uit voormeld artikel 4, gelezen in samenhang met artikel 5, blijkt dat de schade die voor vergoeding in aanmerking komt alle mogelijke vormen van schade kan uitmaken, voor zover er een oorzakelijk verband bestaat tussen die schade en de dioxinecrisis (artikel 5, 1°) en voor zover die schade niet gedekt wordt door reeds verkregen federale of regionale overheidssteun en vergoedingen krachtens verzekeringspolissen of ingevolge de aansprakelijkheid van derden (artikel 5, 2°). In artikel 7 wordt de toekenning van die ruime steun van artikel 4 uitdrukkelijk onderworpen aan de voorwaarde van afstand van elk verhaal tegen de Staat. Artikel 7, eerste lid, bepaalt uitdrukkelijk dat "steun met toepassing van artikel 4 niet kan worden uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis, noch, zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van rechtsvordering heeft betekend aan de Staat". Verder laat artikel 8 ook toe dat omtrent de vergoeding van de schade die de steun tot doel heeft te dekken, dadingen worden aangegaan. Hieruit volgt dat de wetgever in hoofdstuk II een volwaardige steunregeling beoogde uit te werken voor landbouwbedrijven die schade hadden geleden tengevolge van de dioxinecrisis, doch met de nodige garanties om overcompensatie te vermijden. De federale wetgeving was hiertoe bevoegd in het kader van zijn residuaire bevoegdheid inzake hulp aan landbouwbedrijven (zie artikel 6, §1, V van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De regeling vervat in hoofdstuk IV (artikelen 15 en 16) betreft een steunregeling voor andere ondernemingen, en meer bepaald voor ondernemingen die industriële of commerciële activiteiten uitoefenen met betrekking tot producten van dierlijke oorsprong en die zich tengevolge van de dioxinecrisis geconfronteerd zagen met de vernietiging, de inbeslagname of het uit handel nemen van hun producten van dierlijke oorsprong om redenen van volksgezondheid. Artikel 16 bepaalt dat "binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voorwaarden bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, de Staat voorschotten of vergoedingen kan toekennen aan ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis". Uit voormelde wetsbepaling blijkt dat deze steunmaatregel enkel die schade beoogt te dekken die rechtstreeks verbonden is aan het verlies van hun producten door de tengevolge van de dioxinecrisis genomen gezondheidsmaatregelen van vernietiging, beslag of het uit de handel nemen. Andere vormen van schade tengevolge van de dioxinecrisis worden niet door de steunregeling van artikel 16 gedekt. Anders dan voor de steunregeling van artikel 4, wordt voor de steunregeling van artikel 16 niet voorzien in bijkomende wetsbepalingen die de steun afhankelijk stellen van bijzondere voorwaarden. Meer bepaald wordt voor de steunregeling van artikel 16 niet voorzien in de voorwaarde van afstand van elk verhaal tegen de Staat. Hieruit volgt dat de wetgever in hoofdstuk IV voor de andere ondernemingen die schade hebben geleden tengevolge van de dioxinecrisis enkel een beperkte steunregeling beoogde te voorzien, kaderend in de maatregelen die de federale staat tengevolge van de dioxinecrisis inzake volksgezondheid had genomen. Buiten de volksgezondheid heeft de federale wetgever immers geen bevoegdheid om steun te verlenen aan ondernemingen in moeilijkheden andere dan landbouwbedrijven (zie artikel 6, §1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). Uit al het voorgaande volgt dat noch de tekst, noch de ratio legis van de dioxinewet toelaten de steun van artikel 16 te onderwerpen aan de voorwaarde dat de begunstigde onderneming afstand moet doen van elk verhaal tegen de Staat wegens diens aansprakelijkheid in de dioxinecrisis. Hieruit volgt dat de Koning niet vermocht de vergoeding van artikel 16 van de dioxinewet afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de begunstigde onderneming op onvoorwaardelijke en onherroepelijke wijze afstand zou doen van elk verhaal tegen de Belgische Staat. De enkele omstandigheid dat artikel 16 van de Dioxinewet bepaalt dat de in die bepaling geviseerde voorschotten of vergoedingen kunnen worden toegekend "tegen de voorwaarden bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit", vormt hiertoe geen voldoende rechtsgrond. De voormelde zinsnede van artikel 16 (die trouwens evenzeer in artikel 4 is ingeschreven) is immers de uitdrukking van de verordenende bevoegdheid die de Koning krachtens artikel 108 van de Grondwet heeft. Artikel 108 van de Grondwet bepaalt dat "de Koning de verordeningen maakt en de besluiten neemt die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen". Zo voormelde grondwetsbepaling de Koning toelaat om ook voorwaarden of maatregelen uit te vaardigen die niet uitdrukkelijk in de wet zijn ingeschreven, toch laat die grondwetsbepaling enkel toe die maatregelen of voorwaarden uit te vaardigen die natuurlijk uit de geest van de wet voortvloeien. De Koning gaat zijn bevoegdheid te buiten wanneer hij verordenende bepalingen uitvaardigt die in strijd zijn met de tekst en de geest van de wet. Nu de tekst noch de ratio legis van de Dioxinewet toelaten de steunmaatregel van artikel 16 van de wet afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de begunstigde onderneming afstand doet van elk verhaal tegen de Staat, kon de Koning dit ook niet op grond van zijn verordenende bevoegdheid doen. Dit geldt des te meer nu een verzaking aan het recht van verhaal een afwijking inhoudt van het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM) en van het recht op volledige schadeloosstelling (artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). Dit is nochtans wat de Koning heeft gedaan in de twee koninklijke besluiten van 25 januari 2000 tot uitvoering van artikel 16 van de Dioxinewet (zie artikel 5, lid 4, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en artikel 7, lid 1, van het koninklijk besluit. van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong). Het bestreden arrest oordeelt echter dat de voormelde bepalingen uit de betreffende koninklijke besluiten van 25 januari 2000 wettig zijn, en dus ook de daarop gesteunde verzakingen aan elk verhaalsrecht tegen de Staat die de eiseres op 19 september 2001 en 12 april 2002 heeft ondertekend bij het aanvaarden van de vergoedingen gesteund op artikel 16 van de Dioxinewet. Uit het arrest blijkt dat de appelrechters de wettigheid van de koninklijke besluiten heeft afgeleid uit het feit dat de Dioxinewet in zijn artikel 7 voorzag in een afstand van verhaal en in zijn artikel 8 voorzag in de mogelijkheid tot het sluiten van dadingen, gekoppeld aan het feit dat artikel 16 de Koning toeliet de voorwaarden voor toekenning van de vergoeding te bepalen (arrest p. 16, eerste al.). Nu noch de tekst noch de ratio legis van de dioxinewet toelieten dat de beperkte steunmaatregel van artikel 16 zou onderworpen worden aan de voorwaarde van afstand van elk verhaal tegen de Staat, zoals uitdrukkelijk voorzien voor de ruime vergoedingsregeling van artikel 4, kon het bestreden arrest niet zonder miskenning van de Dioxinewet, noch zonder miskenning van de verordenende bevoegdheid van de Koning, oordelen dat de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 wettig waren (schending van de artikelen 4, 5, 7, 8 en 16 van de Dioxinewet van 3 december 1999, enerzijds, en van de artikelen 105 en 108 van de gecoördineerde Grondwet, anderzijds). Het bestreden arrest kon bijgevolg evenmin op wettige wijze toepassing maken van die koninklijke besluiten en dus de door de eiseres tegen de overheid ingestelde aansprakelijkheidsvordering verwerpen wegens de door de eiseres ondertekende verzakingen aan elk verhaalsrecht tegen de Staat (schending van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, van artikel 5, lid 4, van het koninklijk besluit van 25 juni 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden, van artikel 7, lid 1, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, evenals van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Artikel 4 van de Dioxinewet van 3 december 1999 voorziet in een schadeloosstelling van "landbouwbedrijven" die beoogt "alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis". Die schadeloosstelling wordt in artikel 7 van de Dioxinewet uitdrukkelijk onderworpen aan de voorwaarde van afstand van elk verhaal. Artikel 16 van dezelfde wet voorziet in een steunregeling waarbij voorschotten of vergoedingen worden toegekend aan "ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis". Die steun wordt niet onderworpen aan de voorwaarde van afstand van verhaal. Overeenkomstig artikel 2, 2°, van de Dioxinewet moet onder "landbouwbedrijf" worden verstaan "elke onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de teelt van pluimvee, varkens of runderen of de productie van eieren of melk". Andere ondernemingen, waaronder vleesverwerkende bedrijven zoals de eiseres, zijn niet als landbouwbedrijven te beschouwen, tenzij ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van de Dioxinewet en ze krachtens voormeld artikel 3 door de Koning werden gelijkgesteld met "landbouwbedrijven". Zonder die uitdrukkelijke gelijkschakeling, zijn de vleesverwerkende bedrijven hoe dan ook niet te beschouwen als landbouwbedrijven, waardoor ze geen aanspraak kunnen maken op de vergoedingsregeling van artikel 4 van de Dioxinewet, maar hoogstens op de steunregeling van artikel 16 van diezelfde wet. Tussen partijen bestond er geen betwisting over het feit dat geen enkel koninklijk besluit voor de toepassing van de Dioxinewet de vleesverwerkende bedrijven, zoals de eiseres, heeft gelijkgesteld met landbouwbedrijven. Ook het bestreden arrest stelt dit niet vast. Evenmin bestond er betwisting tussen partijen over het feit dat de door de eiseres ontvangen vergoedingen op grond van artikel 16 van de Dioxinewet waren toegekend en aldus enkel een compensatie waren voor het verlies van haar producten, zonder andere schade te dekken. In zoverre het bestreden arrest zijn oordeel over de wettigheid van de koninklijke besluiten van 20 januari 2000 en over de geldigheid van de daarop gesteunde door de eiseres ondertekende bedingen van afstand van verhaal, mede zou hebben gesteund op de vaststelling dat artikel 3 van de Dioxinewet de Koning toeliet ondernemingen zoals de eiseres gelijk te schakelen met "landbouwbedrijven" (arrest p. 15 derde laatste al.) (quod non), zonder vast te stellen dat de Koning ook effectief van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, is het arrest evenmin wettig verantwoord (schending van de artikelen 2, 2°, 3, 4, 7 en 16 van de Dioxinewet). Derde onderdeel Artikel 4 van de Dioxinewet van 3 december 1999 voorziet in een schadeloosstelling van "landbouwbedrijven" die beoogt "alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven hebben geleden ten gevolge van de dioxinecrisis". Die schadeloosstelling wordt in artikel 7 van de Dioxinewet uitdrukkelijk onderworpen aan de voorwaarde van afstand van elk verhaal. Artikel 16 van dezelfde wet voorziet in een steunregeling waarbij voorschotten of vergoedingen worden toegekend aan "ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis". Die steun wordt niet onderworpen aan de voorwaarde van afstand van verhaal. De beginselen inzake gelijkheid voor de wet (artikel 10 van de Grondwet) en inzake niet-discriminatie in het genot van de rechten en vrijheden (artikel 11 van de Grondwet) impliceren dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, wat beoordeeld wordt in het licht van het nagestreefde doel en de teweeg gebrachte gevolgen. Het verschil in behandeling tussen de landouwbedrijven bedoeld in artikel 4 van de Dioxinewet, enerzijds, en de andere ondernemingen bedoeld in artikel 16 van dezelfde wet, anderzijds, is te verantwoorden doordat de eerste categorie bedrijven aanspraak kan maken op vergoeding van alle vormen van schade tengevolge van de dioxinecrisis, voor zover er een oorzakelijk verband bestaat tussen die schade en de dioxinecrisis (artikel 5, 1°) en voor zover die schade niet gedekt wordt door reeds verkregen federale of regionale overheidssteun en vergoedingen krachtens verzekeringspolissen of ingevolge de aansprakelijkheid van derden (artikel 5, 2°), terwijl de tweede categorie ondernemingen slechts aanspraak kan maken op een compensatie voor het verlies van hun producten door de tengevolge van de dioxinecrisis genomen gezondheidsmaatregelen van vernietiging, beslag of het uit de handel nemen. Gelet op voormeld verschil in omvang en doel van de beide steunregelingen, verzet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zich er niet tegen dat de landouwbedrijven afstand moeten doen van elk verhaal tegen de overheid alvorens volledige schadeloosstelling te krijgen, terwijl de andere ondernemingen dat niet moeten doen vooraleer het verlies van hun producten gecompenseerd te zien. In zoverre het bestreden arrest zijn oordeel over de wettigheid van de koninklijke besluiten van 20 januari 2000 en over de geldigheid van de daarop gesteunde door de eiseres ondertekende bedingen van afstand van verhaal, mede zou hebben gesteund op de idee dat een verschillende behandeling tussen de landbouwbedrijven die aanspraak maken op de vergoeding van artikel 4 van de Dioxinewet, enerzijds, en de ondernemingen die aanspraak maken op de steunregeling van artikel 16, anderzijds, zou indruisen tegen het gelijkheidsbeginsel (arrest p. 16, tweede al.) (quod non), is het bestreden arrest evenmin wettig verantwoord (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en van de artikelen 4, 5, 7 en 16 van de Dioxinewet). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1044, 1045, en 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 16 van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (hierna: Dioxinewet); - de artikelen 2, 3, 4 en 5, inzonderheid lid 4, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden; - de artikelen 3, 4 en 7, inzonderheid lid 1, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong; - het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk afstand van recht strikt dient uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere interpretatie vatbaar zijn. Aangevochten beslissingen Na de door de eiseres op 19 september 2001 en 12 april 2002 ondertekende bedingen van afstand van verhaal geldig te hebben verklaard, verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van de eiseres ongegrond en verwerpt het alle door haar gevraagde schadevergoeding, ook in zoverre deze een vergoeding van andere schade dan het verlies van goederen en de daaraan verbonden kosten beoogde. Ondanks het feit dat de vergoeding van die andere (indirecte) schade in totaal ondergeschikte orde was gevraagd, en dus voor het geval de afstand van recht geldig zou worden verklaard, gaat het bestreden arrest niet in op die ondergeschikte vordering, minstens geeft het geen enkel motief waarom ook die ondergeschikte vordering diende verworpen. Grieven Eerste onderdeel In haar "aanvullende en syntheseconclusie in beroep" had de eiseres in hoofdorde vergoeding gevraagd van alle schade die zij tengevolge van het foutief optreden van de overheid tijdens de dioxinecrisis had opgelopen. In het kader hiervan had de eiseres de geldigheid van de door haar ondertekende bedingen van afstand van recht in ruil voor een vergoeding op grond van artikel 16 van de Dioxinewet betwist wegens de onwettigheid van de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 waarop die afstand was gesteund, minstens wegens bedrog, dwaling of gekwalificeerde benadeling. In diezelfde conclusie (p. 156 t/m 160) had de eiseres in totaal ondergeschikte orde, en dus voor het qeval de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 toch wettig zouden worden geacht en de door de eiseres ondertekende bedingen van afstand van recht toch geldig zouden worden verklaard, gevorderd dat haar hoe dan ook een vergoeding voor de indirecte schade uit het foutief overheidsoptreden tijdens de dioxinecrisis zou worden toegekend. In dat kader had de eiseres aangevoerd dat de door haar ondertekende afstand van verhaal in ruil voor een vergoeding op grond van artikel 16 van de Dioxinewet immers enkel betrekking kon hebben op de schade die rechtstreeks verbonden was aan de verloren gegane voedingsmiddelen, met name de waarde van de producten en de kosten van stockage, transport en destructie, maar niet op andere schade zoals omzetdaling, reputatieschade, enz. De eiseres steunde zich hiervoor op de tekst en het doel van artikel 16 van de Dioxinewet en van haar uitvoeringsbesluiten van 25 januari 2000, waaruit de rechtstreekse band bleek tussen de voedingsmiddelen en de vergoeding (de eiseres' aanvullende en syntheseconclusie in beroep p. 156 t/m 160). Het bestreden arrest onderzoekt enkel of het kan ingaan op de hoofdvordering van de eiseres strekkende tot volledige schadeloosstelling door de geldigheid van de kwestieuze afstand van verhaal te onderzoeken in het licht van de door de eiseres opgeworpen onwettigheid van de koninklijke besluiten, enerzijds, en van de door de eiseres aangevoerde wilsvernietigende gebreken, anderzijds. Het bestreden arrest onderzoekt echter geenszins in welke mate de afstand van verhaal slechts aan een gedeeltelijke schadeloosstelling zou kunnen worden gekoppeld en in welke mate de eiseres bijgevolg nog aanspraak zou kunnen maken op de vergoeding van andere schade dan deze die rechtstreeks aan het verlies van de voedingswaren kan worden gekoppeld. Het bestreden arrest laat aldus na uitspaak te doen over de in totaal ondergeschikte orde geformuleerde vordering van de eiseres tot vergoeding van indirecte schade, zodat het schendinq inhoudt van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Minstens geeft het bestreden arrest geen motieven op waarom die vordering van de eiseres wordt verworpen, noch antwoordt het op het door de eiseres gemaakte onderscheid tussen de directe en indirecte schade op grond waarvan zij haar totaal ondergeschikte vordering liet steunen. Hierdoor is het bestreden arrest minstens niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Krachtens het terzake geldend algemeen rechtsbeginsel, dient afstand van recht strikt uitgelegd en kan zij slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn (zie ook de artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit is niet anders voor de afstand van verhaal die aan de begunstigde van de in artikel 16 van de Dioxinewet bedoelde steun wordt opgedragen krachtens artikel 5, inzonderheid lid 4, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en krachtens artikel 7, inzonderheid lid 1, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. De draagwijdte van de verzaking aan het verhaalsrecht tegen de Staat moet bijgevolg bepaald worden in functie van het doel en de omvang van de vergoeding waaraan die verzaking is gekoppeld. De steun aan ondernemingen waarin artikel 16 van de Dioxinewet van 3 december 1999 voorziet, beoogt enkel het verlies van producten van dierlijke oorsprong tengevolge van maatregelen van vernietiging, beslag of het uit de handel nemen te compenseren. In de uitvoeringsbesluiten van 25 januari 2000 wordt nader gepreciseerd dat de ondernemingen op grond van artikel 16 van de Dioxinewet enkel aanspraak kunnen maken op een (gedeeltelijke) vergoeding van de waarde van de verloren gegane voedingsmiddelen en op een (volledige) vergoeding van de opslagkosten, de vernietigingskosten, de laboratoriumkosten en de transportkosten (de artikelen 2, 3, en 4 van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en de artikelen 3, en 4 van het koninklijk besluit. van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong). De bepalingen die de verzaking aan elk verhaalsrecht tegen de overheid voorschrijven, spreken uitdrukkelijk van een afstand van verhaal door de eigenaar van de voedingsmiddelen "met betrekking tot de voedingsmiddelen waarvoor hij de vergoeding ontvangt" (artikel 5, lid 4, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden en artikel 7, lid 1, van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling naar aanleiding van de dioxinecrisis voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong). Uit dit alles volgt dat de afstand van verhaal waartoe de eigenaar van de verloren gegane voedingsmiddelen moet overgaan om de voormelde vergoeding te ontvangen, enkel betrekking heeft op aanspraken tot vergoeding van schade die rechtstreeks verbonden is aan het verlies van de voedingsmiddelen, en niet op andere (onrechtstreekse) schade tengevolge van een mogelijk foutief overheidsoptreden tijdens de dioxinecrisis. Het is niet betwist dat de vergoeding die de eiseres ontving, gesteund was op artikel 16 van de Dioxinewet en slechts betrekking had op de schade verbonden aan de vernietiging van haar vleeswaren. De verklaringen van afstand van verhaal, ondertekend op 19 september 2001 en 12 april 2002, waren ook uitdrukkelijk in die zin opgesteld dat de eiseres verklaarde afstand te doen van elk verhaal in rechte tegen de Belgische Staat en het Instituut voor Veterinaire Keuring "met betrekking tot de voedingsmiddelen waarvoor (zij) de vergoeding (ontvangt) in toepassing van dit besluit" (zie bijgevoegde stukken). De door de eiseres ondertekende bedingen van afstand van recht kunnen dan ook enkel betrekking hebben op aanspraken voor de schade verbonden aan de vernietiging van haar producten en niet voor andere, indirecte schade. In de mate het bestreden arrest steunt op de door de eiseres ondertekende verklaringen van afstand van verhaal om elke vordering van eiseres te verwerpen, ook deze strekkende tot vergoeding van andere schade dan deze rechtsreeks verbonden aan de vernietiging van haar producten, geeft het bestreden arrest aan de verzaking van recht waartoe eiseres op grond van de koninklijke besluiten van 25 januari 2000 is overgegaan, een draagwijdte die in strijd is met de Dioxinewetgeving zelf (schending van alle in het middel aangeduide wetbepalingen uit de dioxinewet en haar uitvoeringsbesluiten), met de strikte uitlegging van afstand van recht (schending van het terzake geldend algemeen rechtsbeginsel van de artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek), en zelfs met de bewoordingen van de kwestieuze verklaringen van afstand van recht (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1108, 1109 t/m 1118, 1131 t/m 1133, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond en verwerpt de door haar tegen de verweerders ingestelde vordering tot schadeloosstelling omwille van de afstand van verhaalsrecht die de eiseres op 19 september 2001 en 12 april 2002 had ondertekend dit na de door de eiseres ingeroepen dwaling, bedrog en gekwalificeerde benadeling te hebben verworpen op grond van volgende motieven: "3° Aangaande de beweerde nietigheid van de afstand van verhaal
- (De eiseres) stelt dat indien zij kennis had gehad van het bestaan van het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie van 5 oktober 1999 en van de brief van 22 mei 2001 van de Belgische Staat aan de Europese Commissie op het ogenblik van de ondertekening van de verklaringen van afstand van verhaal, zij dan deze verklaringen niet zou hebben ondertekend. De verklaringen van afstand van recht werden volgens (de eiseres) daarentegen bekomen door bedrog doordat de Belgische Staat opzettelijk verkeerde informatie verschafte. Minstens zou er sprake zijn van gekwalificeerde benadeling.
- Het met redenen omkleed advies van 5 oktober 1999 van de Europese Commissie besluit dat de Belgische Staat de Commissie te laat in kennis heeft gesteld van de dioxineverontreiniging en een overtreding op artikel 10 van het Verdrag heeft gepleegd. De brief van de Belgische Staat van 22 mei 2001 kadert in de procedure van beroep wegens niet-nakoming tegen een lidstaat in de zin van artikel 226 (ex artikel 169) van het EG-Verdrag. In deze brief verklaarde de Belgische Staat "thans te verklaren" akkoord te gaan met het standpunt van de Commissie i.v.m. de interpretatie van de bepalingen van de Richtlijnen 89/662 en 90/425 (de voorwaarden van de meldingsplicht door de lidstaten). Deze brief is volgens (de eiseres) een duidelijk "mea culpa" en een erkenning van inbreuk op de meldingsplicht, minstens een toegeving van de Belgische Staat die verklaarde zich "thans" te scharen achter de interpretatie van de Europese Commissie nopens de voorwaarden waarin de lidstaten melding dienen te maken van een contaminatie, dit is bij een zelfs potentieel risico van contaminatie.
- (De eiseres) benadrukt dat de Belgische Staat nog bij brieven van 9 juli 2001 en latere datum iedere fout ontkende en zelfs bij deze brief van 9 juli 2001 geschreven heeft: De Europese Commissie heeft recent beslist af te zien van vorderingen tegen de Belgische Staat naar aanleiding van de dioxinecrisis. Goldmeat besluit dat zij aldus bedrieglijk ertoe aangezet werd om de verklaringen van afstand van verhaal te ondertekenen. De door de Belgische Staat verstrekte verkeerde informatie zou haar immers hebben overtuigd dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen de overheid geen kansen op welslagen vertoonde zodat zij besliste de afstandsverklaringen te ondertekenen.
- De informatie in de brief van 9 juli 2001 was strikt gezien niet verkeerd: objectief gezien, had de Europese Commissie inderdaad verzaakt aan een procedure van beroep wegens niet-nakoming tegen België. Dit impliceert echter niet dat de Commissie oordeelde dat er geen verwijt was te richten tegen deze lidstaat m.b.t. de naleving van de meldingsplicht. (De eiseres) houdt echter terecht voor dat deze informatie misleidend was, in die zin dat Goldmeat hieruit verkeerd kon afleiden dat de Commissie had besloten dat de Belgische Staat geen inbreuk had gepleegd. Ten andere heeft Goldmeat ook nagelaten informatie in te winnen bij de Europese Commissie naar de redenen van de verzaking aan de procedure voor het Hof van Justitie.
- Het komt echter niet geloofwaardig voor dat Goldmeat haar beslissing om afstand te doen van verhaal in rechte tegen de overheid op grond van deze misleidende informatie nam. Op dit ogenblik had Goldmeat immers kennis genomen via de pers van de door de Europese Commissie ingestelde procedure, wat zij zelf in haar conclusie toegeeft. Zij moest aldus op de hoogte zijn van de verweten inbreuk, o.m. van laattijdige melding van de dioxineproblematiek. De briefwisseling tussen partijen bevestigt dat Goldmeat goed op de hoogte was van de discussies op Communautair vlak. Goldmeat had in deze periode bovendien kennis genomen, minstens moeten nemen, van de bekendgemaakte besluiten van het parlementair onderzoek m.b.t. de dioxinecrisis en van het besluit van de parlementaire commissie m.b.t. sommige "ernstige tekortkomingen" van het bestuur en sommige ambtenaren, o.m. i.v.m. de meldingsplicht: (...) Het gegeven dat de Belgische Staat bij brief van 22 mei 2001 zijn foutief handelen zou hebben toegegeven kon in deze omstandigheden onmogelijk (de eiseres) ertoe aanzetten geen verklaring van afstand te ondertekenen. Zulke beslissing heeft een vennootschap met internationale structuur als Goldmeat kennelijk in het licht van veel meer elementen genomen. Er wordt hierbij rekening gehouden met de omstandigheid dat Goldmeat aanvankelijk expliciet voorbehoud had uitgedrukt over het instellen van een procedure "tegen de Belgische Staat, het IVK en/of het Ministerie van Landbouw" en dat zij al lang veel informatie had verzameld over de dioxinecrisis en haar oorzaken. Het is in deze omstandigheden dat (de eiseres) in kennis van zaken besliste een aanvraag tot overheidssteun in te dienen en om in zeer duidelijke woorden en zonder enig voorbehoud definitief afstand van verhaal tegen de overheid te doen. Goldmeat was zich ook duidelijk bewust van de gevolgen van haar afstand van verhaal. De brief van 9 juli 2001 van de Belgische Staat of de houding van deze partij vóór de ondertekening van deze verklaringen heeft geen beslissende rol gespeeld. Noch deze brief, noch de algemene berichtgeving van de Belgische Staat in zijn voorafgaande contacten met (de eiseres) waren doorslaggevend voor het ondertekenen van de verklaringen van afstand van verhaal tegen de overheid. De Belgische Staat heeft, met andere woorden, geen kunstgrepen aangewend die (de eiseres) in dwaling hebben gebracht. Het wordt alleszins in de concrete context van de zaak niet aangetoond dat Goldmeat haar toestemming om deze verklaringen te ondertekenen, niet zou hebben gegeven indien de Belgische Staat kennis had gegeven van de litigieuze informatie. Noch het bedrog in hoofde van de Belgische Staat, noch de dwaling in hoofde van Goldmeat worden bewezen." (arrest p. 18 t/m 21). Grieven Bedrog is oorzaak van nietigheid wanneer er sprake is van kunstgrepen door een contractpartij en die kunstgrepen een invloed hebben gehad op de wilsovereenstemming van de wederpartij (artikelen 1109 en 1116 van het Burgerlijk Wetboek). Gekwalificeerde benadeling leidt tot nietigheid van de overeenkomst of tot schadeloosstelling wanneer er sprake is van misbruik door een contractpartij van de omstandigheden van inferioriteit waarin zijn wederpartij zich bevindt en dat misbruik de wederpartij gedetermineerd heeft om te contracteren (zie de artikelen 1382 en 1382 die de culpa in contrahendo beheersen, de artikelen 1109 t/m 1118 van het Burgerlijk Wetboek inzake de wilsgebreken, en de artikelen 1108, 1131 t/m 1133 over de ongeoorloofde oorzaak). De vraag of er sprake is van bedrog met invloed op de wilsovereenstemming van de wederpartij of van misbruik van de omstandigheden van inferioriteit met determinerend effect op de contractsluiting, is afhankelijk van de aard van de omstandigheden waarin partijen hebben gecontracteerd. Zonder acht te slaan op alle concrete omstandigheden waarin de contractpartijen hebben gehandeld, kan de rechter zich geen oordeel vellen noch over het bestaan van kunstgrepen of misbruik van omstandigheden, noch over de invloed ervan op de contractsluiting. Eerste onderdeel In haar "aanvullende en syntheseconclusie in beroep" had de eiseres aangevoerd dat er in hoofde van de overheid wel degelijk sprake was van bedrieglijke kunstgrepen, minstens van misbruik van de eiseres' onwetendheid over de toegeving van de Belgische Staat ten aanzien van de Europese Commissie en van de eiseres' nood aan liquide middelen, en dat die kunstgrepen of dat misbruik eiseres ertoe had aangezet de bedingen van afstand van recht in ruil voor vergoeding te ondertekenen. Tot staving van haar stelling had de eiseres niet alleen aangevoerd dat de Belgische Staat bij brief van 9 juli 2001 had meegedeeld dat de Europese Commissie beslist had af te zien van vorderingen tegen de Belgische Staat naar aanleiding van de dioxinecrisis, zonder hierbij te preciseren dat die beslissing het gevolg was van het feit dat de Belgische Staat zich bij brief van 21 mei 2001 had geschikt naar het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie. Tevens had eiseres aangevoerd dat, op het ogenblik dat de litigieuze brief naar eiseres werd verstuurd, verweerders op de hoogte waren van de zeer precaire financiële toetstand waarin eiseres zich bevond (de eiseres' aanvullende en syntheseconclusie in beroep p. 93, al. 5 en 6 en p. 102), de verweerders de omvang van de door de eiseres geleden schade via het verslag van deskundige Abrams kenden (p. 93, al. 3 en p. 102), en de verweerders tenslotte ook wisten dat de eiseres tot dan toe een afwachtende houding had aangenomen in functie van de resultaten van de lopende onderzoeken inzake het overheidsoptreden in de dioxinecrisis (p. 102, al. 3). Het bestreden arrest verwijst naar de kennis die de eiseres uit persartikelen en uit het parlementair onderzoek had of moest hebben, naar haar internationale structuur en naar "veel meer elementen", niet nader gepreciseerd, die eiseres bij haar beslissing zou hebben betrokken, doch zonder ook maar met één woord te reppen over de hoger vermelde omstandigheden, namelijk de kennis die de verweerders hadden van de precaire financiële toestand van de eiseres, van de omvang van de door de eiseres geleden schade en van het belang van de resultaten van de lopende onderzoeken op de houding van de eiseres. Bij gebrek aan antwoord op dit verweer uit de conclusie van de eiseres, is het bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Zonder acht te slaan op alle concrete omstandigheden waarin de eiseres en de verweerders handelden vooraleer de steunregeling met afstand van recht definitief af te sluiten, konden de appelrechters zich geen oordeel vellen noch over het bestaan van kunstgrepen of misbruik van omstandigheden, noch over de invloed of de rol ervan op de door de eiseres ondertekende verzaking aan elk verhaalsrecht tegen de overheid. Door desondanks toch te oordelen dat de beslissing van de eiseres om aan elk verhaalsrecht tegen de overheid te verzaken niet door enige kunstgreep of misbruik van omstandigheden was beïnvloed of gedetermineerd, is het bestreden arrest niet wettig verantwoord (miskenning van het wettelijk begrip bedrog en dus schending van de artikelen 1109 en 1116 van het Burgerlijk Wetboek, en miskenning van het rechtsbegrip gekwalificeerde benadeling en dus schending van de artikelen 1108, 1109 t/m 1118, 1131 t/m 1133, 1382 en1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- In hoofdstuk II van de wet van 3 december 1999 betreffende de steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, hierna de Dioxinewet, wordt de "schadeloosstelling van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis" geregeld. Artikel 4, eerste lid, van dit hoofdstuk bepaalt: binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voorwaarden bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, kan de Staat steun toekennen aan landbouwbedrijven teneinde alle of een deel van de schade te dekken die deze bedrijven geleden hebben tengevolge van de dioxinecrisis, in de mate waarin deze schade niet wordt gedekt door andere of federale overheidssteun. Het in dit hoofdstuk II voorkomende artikel 7, eerste lid, bepaalt: steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk recht en aan elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis, noch, zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van rechtsvordering heeft betekend aan de Staat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt: de eventuele verzaking gebeurt op het ogenblik dat de begunstigde volledig inzicht heeft in het bedrag van de steun die hem door de Staat wordt aangeboden.
- Hoofdstuk IV van de Dioxinewet regelt de "andere steunmaatregelen". In dit hoofdstuk IV bepaalt artikel 16: binnen de grenzen toegestaan door de Commissie krachtens artikel 87 van het Verdrag en tegen de voorwaarden bepaald bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, kan de Staat voorschotten of vergoedingen toekennen aan ondernemingen wier producten van dierlijke oorsprong zijn vernietigd, in beslag genomen of uit de handel genomen ingevolge maatregelen die de Belgische overheid heeft genomen in het kader van de dioxinecrisis.
- Noch artikel 4, eerste lid, noch artikel 16 van de Dioxinewet leggen de Koning de verplichting op de schade te vergoeden, maar bieden Hem hiertoe de mogelijkheid. Artikel 4 laat de Koning toe, door een bij een in de ministerraad overlegd besluit, voor landbouwbedrijven alle of een deel van de schade te vergoeden en artikel 16 laat enkel toe de schade van ondernemingen te vergoeden wegens verlies van hun producten. Deze artikelen laten de Koning toe, bij een in de ministerraad overlegd besluit, zelf alle voorwaarden van de vergoedingen te bepalen, mits naleving van artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en mits voor de landbouwbedrijven alle of een deel van de schade kan worden vergoed en voor de andere ondernemingen enkel de vernietigde, in beslag genomen of uit de handel genomen producten. Deze artikelen sluiten niet uit dat de Koning, met het oog op de budgettaire mogelijkheden en om overcompensatie door artikel 87 verboden te vermijden, de vergoeding afhankelijk stelt van een onherroepelijke verzaking zonder voorbehoud aan elk recht en aan elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden tengevolge van de dioxinecrisis. Het feit dat de Dioxinewet de meer uitgewerkte vergoedingsregeling in hoofdstuk II, en in het bijzonder in artikel 5 van die wet, in artikel 7 uitdrukkelijk de vergoeding afhankelijk stelt van de voormelde verzaking en die vereiste van verzaking niet uitdrukkelijk in artikel 16 voorkomt, sluit niet uit dat de Koning, de bevoegdheid heeft zelf de modaliteiten van de mogelijke vergoeding te regelen, ook voor de van de landbouwbedrijven onderscheiden ondernemingen, rekening houdende met de budgettaire gevolgen en het vermijden van de door de Europese Commissie verboden overcompensatie, en voor het toekennen van vergoeding, de voorwaarde op te leggen van een onherroepelijke verzaking zonder voorbehoud aan elk recht en aan elke vordering tegen de Staat wegens de door de dioxinecrisis geleden schade. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
- De voormelde regeling in de in het onderdeel bekritiseerde in een ministerraad overlegde koninklijke besluiten van 25 januari 2000 houden niet in dat de ondernemingen, die vrij zijn al dan niet de op de geboden schaderegeling in te gaan, de toegang tot de rechter wordt ontzegd of het recht op volledige schadevergoeding wordt ontnomen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het arrest steunt bij zijn uitlegging van artikel 16 van de Dioxinewet en van de daarop gesteunde koninklijke besluiten van 25 januari 2000 niet op artikel 3 van de Dioxinewet, maar op de vrijheid van de Koning om de modaliteiten van de schadevergoeding zelf te regelen zoals hierboven gezegd onder randnummer
- In zoverre het onderdeel van de onderstelling uitgaat dat het arrest wel op dit artikel 3 steunt, mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel gaat uit van de onderstelling dat het arrest steunt op het gelijkheidsbeginsel.
- Het arrest oordeelt op bladzijde 16 onder randnummer 23: "een verschillende behandeling van de begunstigden in het kader van resp. artikel 4 en artikel 16 van de Dioxinewet, waarbij de koppeling van de steun aan de voorwaarde van afstand in rechte uitsluitend voor de landbouwbedrijven zou worden toegepast, zou ‘bovendien' indruisen tegen het gelijkheidsbeginsel". Het onderdeel komt op tegen een overtollige reden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Op de bladzijden 7 en 8 van het arrest, onder randnummer 5, stelt het arrest vast dat de eiseres de in het onderdeel bedoelde meer ondergeschikte vordering heeft gesteld. Op bladzijde 11, stelt het arrest onder randnummer 13 vast dat de eiseres definitieve en onvoorwaardelijke afstand heeft gedaan van elk verhaal in rechte tegen de Belgische Staat en de derde verweerster.
- Het arrest oordeelt op bladzijde 17, onder randnummer 28: - de eiseres had kennis van het verslag van 8 mei 2000 van de gerechtsdeskundige Abrams die de volledige schade, zowel de directe als de indirecte schade, omstandig had beschreven en begroot; - de eiseres had bijgevolg een volledig inzicht in de door haar geleden schade; - de eiseres was bijgevolg bij machte om de schade te vergelijken met het bedrag van de tegemoetkoming die zij in het kader van de steunregeling zou ontvangen; - de eiseres kon dus met kennis van zaken beslissen of zij al dan niet de afstandverklaring zou ondertekenen.
- Het arrest beslist aldus over de in het onderdeel bedoelde meer ondergeschikte vordering en verwerpt die met opgave van redenen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- De Dioxinewet en de uitvoeringsbesluiten moeten gekaderd worden in het door de Europese Commissie opgelegde verbod van overcompensatie en de budgettaire mogelijkheden van de Belgische Staat. Aldus sluit het feit dat slechts bepaalde schade van de ondernemingen wordt vergoed, niet uit dat de vergoeding afhankelijk wordt gesteld van verzaking aan alle schade die van de Belgische Staat zou kunnen gevorderd worden. In zoverre het onderdeel er van uitgaat dat de beperking van de vergoedbare schade, inhoudt dat de bedoelde verzakingen door de eiseres beperkt zouden moeten worden tot het vorderen van dergelijke schade, kan het niet worden aangenomen.
- Door de bedoelde verzakingen van de eiseres in die zin uit te leggen dat zij alle schade betreffen die tegenover de Belgische Staat kan gevorderd worden, geeft het arrest van die verzakingen een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Uit de antwoorden in de randnummers 12 en 13 volgt dat het arrest met de in het middel bekritiseerde uitlegging van de verzakingen, het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht beperkend moet worden uitgelegd, niet miskent. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- De appelrechters geven met de in randnummer 33 op de bladzijden 19, 20 en 21 van het arrest vermelde redenen de feitelijke gegevens aan op grond waarvan zij bedrog door de verweerders en dwaling door de eiseres bij de verzakingen verwerpen. Door aldus de feitelijke gegevens aan te geven waarop zij hun beslissing laten steunen, verwerpen zij de daarmee strijdige en andere bij conclusie door de eiseres aangevoerde feitelijke gegevens. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, slaan de appelrechters met de in voormeld randnummer 17 vermelde redenen acht op de in het onderdeel bedoelde omstandigheden waarin de eiseres met de verzakingen heeft ingestemd. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters op die omstandigheden geen acht slaan, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 911,30 euro jegens de eisende partij en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141226.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div