← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.3 Rolnummer: C.08.0427.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-02 23:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de nietigheid van een dading over een geding dat reeds is beëindigd door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan de partijen of een van hen geen kennis droegen, is niet vereist dat de bedoelde partij tevens partij was in het geding dat tot de rechterlijke beslissing aanleiding heeft gegeven. Thesaurus CAS: DADING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: Nietigheid - Door een vonnis beëindigd geding - Geen kennis door een of meerdere partijen - Voorwaarde - Partij Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2056, eerste lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0427.N L.N.S., naamloze vennootschap, met zetel te 3580 Beringen, Lochtemansweg 23, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen B.M.T., naamloze vennootschap, met zetel te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Kortrijksesteenweg 1097B, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest, en in aanwezigheid van AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 20 september 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1319, 1320, 1322, 2044 en 2056 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist dat de vordering van de eiseres tegen de eerste en tweede verweerster in uitvoering van een tussen hen afgesloten dading ongegrond is, dit op grond van volgende motivering: "

  1. b)dading na 13.9.2001 (De eiseres) stelt dat de dading, zelf(
  2. s)tot stand gekomen op 24.9.2001, uitwerking moet krijgen. Uit de bewoordingen zelf van de beoogde dadingsovereenkomst blijkt dat partijen een gerechtelijke uitspraak wilden vermijden en anders dan gesteld was zulks wel mogelijk door het hof tijdens de termijn van beraad in kennis te stellen van de tot stand gekomen dading. Door de uitspraak op 13.9.2001 is het geschil geledigd zodat omtrent de beëindiging van het geschil zoals in de litigieuze overeenkomst overeengekomen, geen dading meer kon gesloten worden bij gebreke aan voorwerp. Dat partijen na een in kracht van gewijsde getreden arrest nog een dading kunnen sluiten is wellicht juist maar dergelijke dading kan dan enkel betrekking hebben op een betwisting/geschil aangaande de uitvoering van de uitspraak niet op de in het arrest vastgelegde rechten. Artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt verder dat een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen nietig is. Het arrest van 13.9.2001 is een uitspraak die kracht van gewijsde heeft. (NV Axa) was geen partij in de procedure en stelt zonder op dit punt te zijn tegengesproken, niet op de hoogte te zijn geweest van deze uitspraak toen zij de overeenkomst op 24.9.2001 ondertekende. In zover uitvoering van een dadingsovereenkomst wordt gevorderd blijft de vordering ongegrond". Grieven Eerste onderdeel Artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek, eerste lid, bepaalt het volgende: "Een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen, is nietig". Daaruit volgt dat partijen een dading in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek kunnen afsluiten over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan of door een arrest, op voorwaarde dat zij er kennis van hebben. Door te beslissen dat na het arrest van 13 september 2001 partijen geen dading over het geding, dat bij dit arrest werd beslecht, konden afsluiten bij gebrek aan voorwerp, schendt het bestreden arrest de artikelen 2044 en 2056 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel In de tekst van de dadingovereenkomst tussen partijen staat niet dat partijen een gerechtelijke uitspraak wilden vermijden, zodat het bestreden arrest door te beslissen dat uit de bewoording van de dadingovereenkomst tussen partijen blijkt dat partijen een gerechtelijke uitspraak wilden vermijden, de bewijskracht van de dadingsovereenkomst schendt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel Zelfs indien uit de bewoording van de dadingsovereenkomst blijkt dat partijen een gerechtelijke uitspraak wilden vermijden, belet dit niet dat, zoals gesteld in het eerste onderdeel, partijen geldig een dading konden afsluiten over een geding dat reeds beëindigd is door een arrest. Door het tegendeel te beslissen, schendt het bestreden arrest de artikelen 2044 en 2056 van het Burgerlijk Wetboek. Vierde onderdeel Nergens in haar conclusie heeft de tweede verweerster gesteld dat zij niet op de hoogte was van het arrest van 13 september 2001 toen zij de dading op 24 september 2001 ondertekende. Door te beslissen dat de tweede verweerster stelt niet op de hoogte te zijn geweest van deze uitspraak (= het arrest van 13 september 2001) toen zij de dading op 24 september 2001 ondertekende, schendt het bestreden arrest de bewijskracht van alle conclusies van de tweede verweerster in deze zaak en in het bijzonder van de "beroepsbesluiten" van de tweede verweerster (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Vijfde onderdeel Geen van de partijen, in het bijzonder niet de tweede verweerster, heeft in conclusies gesteld dat de dading nietig zou zijn in toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek. Door ambtshalve toepassing te maken van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek en de dading als nietig te beschouwen zonder aan de eiseres de gelegenheid te bieden zich hieromtrent te verdedigen, schendt het bestreden arrest de rechten van verdediging van de eiseres (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging). Aan de eiseres werd aldus onder meer niet de mogelijkheid verschaft aan te tonen dat de tweede verweerster kennis had van het arrest van 13 september 2001 toen zij op 24 september 2001 de dading ondertekende. Zesde onderdeel De toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek veronderstelt dat een partij in een geding dat beëindigd is door een beslissing dat in kracht van gewijsde is gedaan een dading over dit geding afsluit zonder kennis te hebben van die beslissing. Het bestreden arrest stelt vast dat de tweede verweerster geen partij was in de procedure die aanleiding gaf tot het arrest van 13 september 2001 (zie tevens p. 3 van het bestreden arrest). Verder blijkt uit het bestreden arrest (punt e, pagina's 8 en 9) dat het bestreden arrest zelf het geding tussen de tweede verweerster en de eiseres beslecht, geding dat evenwel het voorwerp uitmaakte van de dading. Door niettemin de dading nietig te beschouwen in toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek omdat de tweede verweerster op 24 september 2001 de dading ondertekende zonder op de hoogte te zijn van het arrest van 13 september 2001 (waarbij zij geen partij was en dat niet het geding tussen de eiseres en de tweede verweerster beslecht), maakt het bestreden arrest een verkeerde toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek (schending van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1034, 1108, 1126 tot en met 1130, en 2044 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist dat de vordering van de eiseres tegen de eerste en tweede verweerster in uitvoering van een tussen hen afgesloten dading, minstens van een tussen hen bestaande gemeenrechtelijke overeenkomst, ongegrond is, dit op grond van volgende motivering: "
  3. b)dading na 13.9.2001 (De eiseres) stelt dat de dading, zelf tot stand gekomen op 24.9.2001, uitwerking moet krijgen. Uit de bewoordingen zelf van de beoogde dadingsovereenkomst blijkt dat partijen een gerechtelijke uitspraak wilden verwijden en anders dan gesteld was zulks wel mogelijk door het hof tijdens de termijn van beraad in kennis te stellen van de tot stand gekomen dading. Door de uitspraak op 13.9.2001 is het geschil geledigd zodat omtrent de beëindiging van het geschil zoals in de litigieuze overeenkomst overeengekomen, geen dading meer kon gesloten worden bij gebreke aan voorwerp. Dat partijen na een in kracht van gewijsde getreden arrest nog een dading kunnen sluiten is wellicht juist maar dergelijke dading kan dan enkel betrekking hebben op een betwisting/geschil aangaande de uitvoering van de uitspraak niet op de in het arrest vastgelegde rechten. Artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek. bepaalt verder dat een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen nietig is. Het arrest van 13.9.2001 is een uitspraak die kracht van gewijsde heeft. (De tweede verweerster) was geen partij in de procedure en stelt zonder op dit punt te zijn tegengesproken, niet op de hoogte te zijn geweest van deze uitspraak toen zij de overeenkomst op 24.9.2001 ondertekende. In zover uitvoering van een dadingsovereenkomst wordt gevorderd blijft de vordering ongegrond.
  4. c)gemeenrechtelijke overeenkomst? Voor ogen moet gehouden worden dat de betwisting niet de vraag behelst of de beoogde overeenkomst beantwoordt aan de vereisten van een dading - dit was het geval - maar wel of deze dading tot stand gekomen was hetgeen niet het geval is. (De eiseres) kan uit de beoogde overeenkomst van dading geen recht putten op betaling van de som van 17.307,85 euro stellende dat zij en nv B.M.T. hun instemming hadden betuigd met de voorgenomen dading nu dergelijke instemming rechtstreeks gekoppeld was aan het bekomen van een betaling van 250.000 frank vanwege nv Axa, verbintenis die nv Axa niet op geldige wijze heeft kunnen opnemen. De wederzijdse toegevingen zijn immers karakteristiek voor het verwezenlijken van een dading zodat deze in haar geheel moet beschouwd worden. De stelling van (de eiseres) dat uit deze niet gerealiseerde dading een andere overeenkomst kan gedistilleerd worden, denatureert volkomen de gemeenschappelijke bedoeling van partijen. Dat (de eerste verweerster) haar aanbod over te gaan tot het sluiten van de overeenkomst - waarmee dan de dading wordt bedoeld - heeft ingetrokken na uitspraak van het arrest is alleszins geen fout in hare hoofde waarbij dient opgemerkt te worden dat uit de stukken niet blijkt van wie ‘het aanbod' te transigeren uitging". Grieven Eerste onderdeel Het is tegenstrijdig te beslissen, enerzijds, dat de overeenkomst tussen partijen beantwoordt aan de vereisten van een dading en, anderzijds, dat de vordering strekkende tot uitvoering van de dading ongegrond is omdat de dading niet kon worden gesloten bij gebreke aan voorwerp en nietig is in toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek. Dat immers indien de overeenkomst tussen partijen beantwoordt aan de vereisten van een dading, de dading een voorwerp heeft in de zin van de artikelen 1108, 1126 tot en met 1130 van het Burgerlijk Wetboek en niet nietig is. Dergelijke tegenstrijdigheid in motieven maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet, minstens van de artikelen 1108, 1126 tot en met 1130 en artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek dat de dading definieert. Tweede onderdeel Het is tegenstrijdig te beslissen, enerzijds, dat de dading niet tot stand is gekomen en, anderzijds, dat de dading nietig is in toepassing van artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek, wat veronderstelt dat zij wel tot stand was gekomen. Dergelijke tegenstrijdigheid in motieven maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet, minstens van artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek waaruit volgt dat de nietigheid van een overeenkomst moet worden gevorderd en dus dat de overeenkomst eerst tot stand moet zijn gekomen. Derde onderdeel Een dading in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek impliceert een akkoord tussen partijen die wederzijdse toegevingen doen. Het bestreden arrest beslist, enerzijds, dat de dading niet tot stand is gekomen en, anderzijds, dat eiseres "uit de beoogde overeenkomst van dading geen recht (kan) putten" omdat " (de wederzijdse toegevingen (...) karakteristiek (zijn) voor het verwezenlijken van een dading zodat deze in haar geheel moet worden beschouwd". Die laatste beslissing houdt in dat er ten deze een dading is in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek. Het bestreden arrest, door te beslissen dat geen dading tot stand is gekomen, schendt artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek. Vierde onderdeel In haar tweede conclusie (samenvattende) in graad van beroep, gedateerd van 28 maart 2007, voerde de eiseres aan dat de brieven van de eerste verweerster van 5 en 6 september 2001 minstens moeten worden beschouwd als een aanbod om over te gaan tot het sluiten van een overeenkomst. In die conclusie verweet de eiseres aan de eerste verweerster dit aanbod 12 dagen later, na tussenkomst van het arrest van 13 september 2001, te hebben ingetrokken terwijl de eerste verweerster de plicht had dit aanbod gedurende een redelijke termijn te handhaven. Volgens de eiseres kan die intrekking niet in aanmerking worden genomen met als gevolg dat de overeenkomst tot stand is gekomen (pagina's 16-17). Het bestreden arrest oordeelt dat de eerste verweerster geen fout heeft begaan door haar aanbod in te trekken na uitspraak van het arrest. Het bestreden arrest geeft evenwel geen enkel motief aan voor de beslissing dat de eerste verweerster geen fout heeft begaan door haar aanbod na uitspraak van het arrest te hebben ingetrokken en antwoordt niet op de conclusie van de eiseres waarin zij stelde dat de intrekking van het aanbod veel te vroeg gebeurde, te weten zonder de redelijke termijn voor de handhaving van een aanbod te respecteren (schending van artikel 149 van de Grondwet). Vijfde onderdeel De beslissing dat de eerste verweerster geen fout beging door haar aanbod in te trekken, houdt noodzakelijk in dat de eerste verweerster een aanbod tot het afsluiten van een overeenkomst heeft gedaan, zodat het daarmee tegenstrijdig is te oordelen dat uit de stukken niet blijkt van wie het aanbod uitging (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Luidens artikel 2056, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, is een dading over een geding dat reeds is beëindigd door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan de partijen of een van hen geen kennis droegen, nietig. 2. Het arrest stelt vast dat: - het geschil tussen de eiseres en de eerste verweerster het voorwerp was van een geding voor het Hof van Beroep te Antwerpen; - nadat dit hof de zaak in beraad had genomen, de eiseres en eerste verweerster in de loop van de maand juni 2001 een dadingovereenkomst sloten die eerst "definitief" zou zijn indien zij ook door de tweede verweerster werd ondertekend; - het hof van beroep uitspraak heeft gedaan op 13 september 2001 en dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan; - de tweede verweerster de dadingovereenkomst ondertekende op 24 september 2001; - de tweede verweerster bij deze ondertekening niet op de hoogte was van het arrest van 13 september 2001. 3. De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat de dading nietig is aangezien zij werd aangegaan nadat het geschil werd beëindigd door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing waarmee een der partijen niet bekend was, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 4. De dadingovereenkomst bepaalt dat de partijen "de nodige stappen zullen (...) ondernemen tot doorhaling van de procedure hangende voor het Hof van Beroep te Antwerpen". 5. Door de dadingsovereenkomst in die zin uit te leggen dat eruit blijkt dat de partijen een gerechtelijke uitspraak wilden vermijden, geeft het van die overeen-komst een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 6. De appelrechters sluiten niet uit dat de partijen met kennis van zaken een dading kunnen sluiten nadat het geschil is beëindigd door een rechterlijke beslissing, maar oordelen dat de dading nietig is op grond van artikel 2056, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, omdat zij werd aangegaan door een partij die op dat tijdstip geen kennis had van de rechterlijke beslissing. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 7. De appelrechters steunen ter zake niet op de conclusie van de tweede verweerster, zodat zij de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 8. De rechter vermag de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen ambtshalve aan te vullen, op voorwaarde echter dat hij geen geschil opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn overgelegd en dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en hierbij het recht van verdediging niet miskent. 9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat tussen de partijen betwisting bestond over de rechtsgeldigheid van de dadingovereenkomst ten gevolge van het arrest van 13 september 2001 waardoor het geschil tussen de partijen definitief werd beslecht en de eiseres in haar conclusie zelf verwees naar artikel 2056 van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Zesde onderdeel 10. Artikel 2056, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, luidens welk een dading over een geding dat reeds is beëindigd door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan de partijen of een van hen geen kennis droegen, nietig is, vereist niet dat de bedoelde partij tevens partij was in het geding dat tot de rechterlijke beslissing aanleiding heeft gegeven. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel 11. De appelrechters oordelen zonder de aangevoerde tegenstrijdigheid en zonder schending van de overige aangevoerde wetsbepalingen dat de partijen een dadingovereenkomst hebben gesloten, maar dat deze nietig is wegens het bepaalde in artikel 2056, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Derde onderdeel 12. Het onderdeel vertoont geen belang gelet op het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 13. De appelrechters steunen hun oordeel dat aan de eerste verweerster geen fout kan worden verweten, zowel op het feit dat de weigering van de eerste verweerster om de dadingovereenkomst te finaliseren een gevolg is van het tussengekomen arrest als omdat niet blijkt "van wie ‘het aanbod' te transigeren uitging". Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing, mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 14. De appelrechters oordelen niet dat de eerste verweerster een aanbod heeft gedaan, maar gaan slechts in op een door de eiseres gemaakte hypothese. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 901,67 euro jegens de eisende partij en op de som van 301,82 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.