id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.5 Rolnummer: C.08.0029.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Overige - Handelsrecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 628 - laatst gezien 2026-07-03 05:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het gedeelte van de verticale overeenkomst dat buiten het toepassingsgebied van de Groepsvrijstellingsverordening valt, wordt niet a priori als onwettig beschouwd, maar moet afzonderlijk worden onderzocht aan de hand van alle ter beschikking staande gegevens en rekening houdend met de economische en juridische context van de overeenkomst; in een dergelijk geval is de betrokken voorwaarde slechts nietig voor zover ze tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar wordt beperkt, de handel tussen de lidstaten in merkbare mate ongunstig kan beïnvloeden en een vrijstelling krachtens artikel 81, derde lid, EG-Verdrag niet kan rechtvaardigen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten Vrije woorden: Mededinging - Verticale overeenkomst - Wettigheid - Beoordeling - Voorwaarde - Nietigheid Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 22-12-1999 - Art. 5 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - INTERNATIONAAL RECHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten Vrije woorden: Europese Unie - Mededinging - Verticale overeenkomst - Wettigheid - Beoordeling - Voorwaarde - Nietigheid Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 22-12-1999 - Art. 5 Fiches 3 - 4 De rechter mag, krachtens het beschikkingsbeginsel, het voorwerp van de vordering niet ambtshalve wijzigen, hetzij, door ze uit te breiden, hetzij, door ze door een andere te vervangen
(1)Cass., 16 maart 2006, AR C.04.0267.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.6, A.C., 2006, nr 155. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten Vrije woorden: Door partijen aangevoerde feiten en redenen - Opdracht van de rechter - Ambtshalve aanvullen der redenen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken - Nieuw middel HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Europees mededingingsrecht - Vertikale overeenkomsten Vrije woorden: Door partijen aangevoerde feiten en redenen - Opdracht van de rechter - Ambtshalve aanvullen der redenen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0029.N BROUWERIJ HAACHT, naamloze vennootschap, met zetel te 3190 Boortmeerbeek, Provinciesteenweg 28, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen B.M., verweerster, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 29 november 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep hervormt de beslissing van de eerste rechter dat er geen sprake is van een merkbare beperking van de mededinging op Europees niveau, op grond van de volgende overwegingen: "2. Marktaandeel en parallelle overeenkomsten Voor de beoordeling van de al dan niet geldigheid van exclusieve drankafnameovereenkomsten moet het marktaandeel van de betrokken partijen, in casu van Brouwerij Haacht, bepaald worden rekening houdend met alle producten (nationale en internationale bieren, wijnen, waters en andere niet-alcoholische dranken), ten einde na te gaan of door de opgelegde exclusiviteit de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig kan worden beïnvloed en de vrije concurrentie op merkbare wijze beperkt. In haar conclusie verwijst Brouwerij Haacht naar een door de Confederatie van Belgische Brouwers opgestelde vergelijking van productiecijfers in hectolitergraad waaruit blijkt dat zij vóór 1992 een marktaandeel had van 5,25 pct. van de nationale biermarkt, tussen 1992 en 1993 van 5,23 pct., tussen 1993 en 1994 van 5,23 pct., tussen 1994 en 1995 van 5,48 pct., tussen 1995 en 1996 van 5,49 pct. en tussen 1996 en 1997 van 5,34 pct. telkens enkel berekend op haar eigen productie, die 3.000.000 hl overtrof. Bovendien legt Brouwerij Haacht de exclusieve afname op van tal van andere nationale en internationale bieren en andere dranken. Daarvan wordt enkel voor Palm reeds een marktaandeel op productiebasis opgegeven van 5,78 pct. in 1992 en 1993. Uit een document opgesteld door de Europese Commissie op 29 september 2000 blijkt dat in de sector horeca en pils horeca het marktaandeel van de Brouwerij Haacht schommelt tussen 5 pct. en 8 pct. en dit voor de jaren 1992 tot en met 1998 andermaal enkel berekend op haar eigen productie. Bovendien staat vast dat de Brouwerij Haacht met talrijke andere horecazaken soortgelijke parallelle exclusieve drankafnameovereenkomsten heeft afgesloten. Het gezamenlijk effect daarvan op de handel tussen de lidstaten en de mededinging moet dan ook in overweging worden genomen, zoals reeds beslist werd door het Europese Hof van Justitie in Brasserie de Haacht, zaak 23/67, arrest van 12 december 1967, Jurispr. 1967, blz. 512; Bilger, zaak 43/69, arrest van 18 maart 1970, Jurispr. 1970, blz. 127 en Delimitis t/Henninger Bréu, zaak C-89/234, arrest van 28 februari 1991, Jurispr. 1991, blz. 935. Rekening houdend met al deze gegevens mag derhalve worden aangenomen dat het marktaandeel van de Brouwerij Haacht in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg. Het hof van beroep komt derhalve tot de vaststelling dat de eerste rechter ten onrechte heeft beslist dat "voornamelijk gelet op het gering marktaandeel van Brouwerij Haacht en ondanks een relatief hoog bindingspercentage, de marktafscherming door de betrokken overeenkomsten te klein is opdat er sprake zou zijn van een merkbare mededingingsbeperking op Europees niveau" en dat bijgevolg "de tussen partijen afgesloten drankafnameovereenkomsten niet dienen getoetst te worden aan de Verordening nr. 1984/83 van de Europese Commissie". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet. 1. Het hof van beroep stelt vast dat de overeenkomsten tussen de eiseres en de verweerster economisch en juridisch één geheel vormen en beoordeelt vervolgens het marktaandeel van de eiseres, "ten einde na te gaan of door de opgelegde exclusiviteit de handel tussen de lidstaten van de Europese Unie ongunstig kan worden beïnvloed en de vrije concurrentie op merkbare wijze beperkt". Het hof vermeldt de productiecijfers in hectoliter van de Confederatie van Belgische Brouwers die de eiseres zelf meedeelde en voegt daaraan toe dat de eiseres de exclusieve afname van tal van andere nationale en internationale bieren en dranken oplegt. Vervolgens verwijst het arrest naar een document opgesteld door de Europese Commissie op 29 september 2000 waaruit volgens het hof blijkt dat voor de jaren 1992 t.e.m. 1998 het marktaandeel van de eiseres in de sectoren horeca en pils horeca schommelt tussen 5 en 8. Volgens het hof (van beroep) staat het ook vast dat de eiseres met talrijke andere horecazaken soortgelijke parallelle exclusieve afnameovereenkomsten heeft gesloten, zodat het gezamenlijk effect daarvan op de mededinging eveneens in overweging moet worden genomen: Op basis van deze gegevens neemt het hof (van beroep) dan aan dat het marktaandeel van eiseres in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg. 2. De eiseres beriep zich voor het hof van beroep op de bekendmaking 2001/C 368/07 van de Commissie inzake de overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 81, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (‘De minimis-bekendmaking'). De eiseres gaf in haar conclusie aan dat zij de verlaagde drempel van 5 pct. in artikel 8 van de "de minimis-bekendmaking" op zichzelf van toepassing achtte maar dat zij anderzijds artikel 9 van diezelfde bekendmaking kon inroepen. Dit laatste artikel bepaalt dat volgens de Commissie een overeenkomst de mededinging niet beperkt indien de drempel van 5 pct. gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren met niet meer dan twee procentpunten overschreden wordt. Volgens de eiseres overschreed haar marktaandeel niet met meer dan twee procentpunt de drempel van 5 pct. gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren en kon zij dus genieten van de "de minimis-bekendmaking" van de Commissie. 3. Het hof van beroep stelt onder verwijzing naar een document opgesteld door de Europese Commissie op 29 september 2000 vast dat voor de jaren 1992 t.e.m. 1998 het marktaandeel van de eiseres in de sectoren horeca en pils horeca schommelt tussen 5 en 8 pct. en neemt aan dat het marktaandeel van Brouwerij Haacht in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg. Het hof van beroep antwoordt echter niet op het verweer van de eiseres dat zij het voordeel van artikel 9 van de "de minimis-bekendmaking" van de Commissie kon inroepen, dat inhield dat een overeenkomst de mededinging niet beperkt indien de drempel van 5 pct. gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren met niet meer dan twee procentpunten overschreden wordt. In zover het arrest aldus het marktaandeel van de eiseres vaststelt en de invloed daarvan op de mededinging beoordeelt zonder te antwoorden op het verweer van de eiseres afgeleid uit de "de minimis-bekendmaking", is het niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet. 4. Voor de beslissing dat het marktaandeel van de eiseres in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg, verwijst het hof van beroep ook naar "de soortgelijke parallelle exclusieve afnameovereenkomsten die de eiseres met talrijke andere horecazaken heeft gesloten". Volgens het hof van beroep moet het gezamenlijk effect daarvan op de mededinging eveneens in overweging worden genomen. Het hof van beroep laat evenwel in het ongewisse waaruit wordt afgeleid dat de eiseres met talrijke andere horecazaken soortgelijke parallelle exclusieve afnameovereenkomsten zou hebben gesloten. De overweging dat de eiseres "met talrijke andere horecazaken soortgelijke parallelle exclusieve afnameovereenkomsten" zou hebben gesloten is dermate vaag en algemeen dat ze het Hof niet toelaat enige wettigheidscontrole uit te oefenen. In zover het arrest voor de beslissing dat het marktaandeel van de eiseres in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg verwijst naar de soortgelijke parallelle exclusieve afnameovereenkomsten die de eiseres met talrijke andere horecazaken zou hebben gesloten, is het derhalve evenmin regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 81, in het bijzonder lid 3, van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957, gewijzigd bij Verdrag van 7 februari 1992, goedgekeurd bij de wet van 26 november 1992, bekrachtigd bij Verdrag van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998, verder ‘EG-Verdrag' genoemd; - artikel 5 van de Verordening (EG), nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. 1999 L 336/21, hierna de ‘Groepsvrijstellingsverordening' genoemd. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep onderzoekt of de overeenkomsten die de eiseres met de verweerster sloot en die volgens het arrest een merkbare invloed hebben op de mededinging, onder één van de groepsvrijstellingen vallen. Het hof van beroep neemt met de eiseres aan dat in voorliggend geval de Verordening (EG), nr., 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen geldt. Het hof beoordeelt de overeenkomsten tussen de eiseres en de verweerster in het licht van deze groepsvrijstellingsverordening en stelt vast dat de bedongen exclusieve drankafnameplicht met een looptijd van 10 jaar onder artikel 5 van de Verordening valt. Het beoordeelt de toepassing van deze bepaling als volgt: "Op deze termijn van 5 jaar is een uitzondering voorzien. Deze termijn geldt niet indien de contractgoederen of - diensten door de afnemer worden verkocht in de gebouwen en op de terreinen die eigendom zijn van de leverancier of door hem worden gehuurd van een derde, niet met de afnemer verbonden partij. In dit geval mag de duurtijd van het niet-concurrentiebeding de periode gedurende dewelke de afnemer de gebouwen en terreinen in gebruik heeft, evenaren. De Brouwerij Haacht legt niet het bewijs voor dat de herberg in kwestie haar eigendom is of door haar wordt gehuurd van een derde niet met de afnemer verbonden partij zodat in casu de termijn van 5 jaar zijn volle rechtskracht blijft behouden. Reeds hoger werd uiteengezet dat de overeenkomsten als één geheel dienen aangezien te worden en zodoende een looptijd hebben van 10 jaar, wat strijdig is met voornoemd artikel 5. Wanneer echter een overeenkomst een clausule bevat in strijd met artikel 5 van de Verordening dient, ingevolge de scheidbaarheidsregel vervat in dit artikel, enkel deze clausule nietig te worden verklaard en blijft de rest van de overeenkomst genieten van de groepsvrijstelling. Hierin verschilt artikel 5 van artikel 4 van diezelfde Verordening waarin tevens uitsluitingsgronden zijn opgenomen, de zogenaamde ‘hardcore' restricties, waarvan het bestaan de rechtsgeldigheid van de hele overeenkomst aantasten. De aangegane overeenkomsten zijn derhalve enkel nietig in zoverre hierin voorzien is dat de exclusieve afnameverplichtingen meer dan 5 jaar gelden". Grieven Schending van artikel 81, in het bijzonder lid 3, van het EG-Verdrag en van artikel 5 van de Groepsvrijstellingsverordening. 1. Het eerste lid van artikel 5 van de Groepsvrijstellingsverordening bepaalt dat "de in artikel 2 voorziene vrijstelling niet van toepassing is op elk van de volgende in verticale overeenkomsten vervatte verplichtingen:
- a)elk direct of indirect niet-concurrentiebeding, wanneer het van onbepaalde duur is of de duur ervan vijf jaar overschrijdt; (...)". 2. Het hof van beroep stelt in voorliggend geval vast dat de bedongen exclusieve afnameplicht met een looptijd van 10 jaar onverenigbaar is met artikel 5 van de groepsvrijstellingsverordening en leidt daaruit het volgende af: "Wanneer echter een overeenkomst een clausule bevat in strijd met artikel 5 van de Verordening dient, ingevolge de scheidbaarheidsregel vervat in dit artikel, enkel deze clausule nietig te worden verklaard en blijft de rest van de overeenkomst genieten van de groepsvrijstelling. Hierin verschilt artikel 5 van artikel 4 van diezelfde Verordening waarin tevens uitsluitingsgronden zijn opgenomen, de zogenaamde ‘hardcore' restricties, waarvan het bestaan de rechtsgeldigheid van de hele overeenkomst aantasten. De aangegane overeenkomsten zijn derhalve enkel nietig in zoverre hierin voorzien is dat de exclusieve afnameverplichtingen meer dan 5 jaar gelden". Verderop in het arrest, bij de beoordeling van de schade-eis van Brouwerij Haacht, overweegt het hof van beroep nogmaals dat "in 1998 de brouwerij immers niet van een groepsvrijstelling (genoot) daar op dat ogenblik de Verordening 1984/83 nog van toepassing was. Vanaf 1 juni 2000 genoot zij wel van een dergelijke groepsvrijstelling gelet op het van kracht worden van de Verordening (EG), nr., 2790/99 die echter niet-concurrentiebedingen van meer dan 5 jaar, behoudens een uitzondering die in casu niet geldt, als nietig beschouwt". 3. In haar conclusie voor het hof van beroep, voerde de eiseres aan dat de vaststelling dat een niet-concurrentiebeding niet voldoet aan de voorwaarden uiteengezet in artikel 5 van de Groepsvrijstellingsverordening enkel tot gevolg had dat de vrijstelling er niet op van toepassing is. Uit de onverenigbaarheid van een contractsclausule met de voorwaarden uiteengezet in de Verordening volgt niet als dusdanig dat deze clausule nietig is. Indien de rechter vaststelt dat de toepassingsvoorwaarden voor de groepsvrijstelling niet voldaan zijn, moet hij integendeel overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het EG-verdrag nagaan of de contractsclausule bijdraagt tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen (
- a)beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn en (
- b)de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Pas als de contractsclausule met artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag onverenigbaar is en dus geen individuele vrijstelling kan genieten, zal zij van rechtswege nietig zijn. De beslissing dat de contractsclausule niet onder artikel 5 van de groepsvrijstellingsverordening valt en op die enkele grondslag tot de nietigheid ervan besluit, is dan ook in strijd met artikel 81, in het bijzonder lid 3 van het EG-verdrag en met artikel 5 van de Groepsvrijstellingsverordening. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. De appelrechters oordelen op grond van de door hen vastgestelde gegevens dat het marktaandeel van de eiseres in 1992 nagenoeg 10 pct. bedroeg. 2. Zij verwerpen en beantwoorden zodoende het verweer van de eiseres afgeleid uit de "de minimis-bekendmaking" dat een overeenkomst de mededinging niet beperkt indien de drempel van 5 pct. gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren met niet meer dan twee procentpunten overschreden wordt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 3. De verwijzing naar het feit dat de eiseres soortgelijke overeenkomsten heeft gesloten met andere horeca-zaken, is niet vaag maar is een duidelijke feitelijke vaststelling die het hof van beroep niet nader hoefde toe te lichten. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Tweede middel 4. Artikel 81, lid 1, EG-Verdrag bepaalt dat onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden zijn, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: - het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; - het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; - het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; - het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; - het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. Artikel 81, lid 2, EG-Verdrag bepaalt dat de krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten van rechtswege nietig zijn. Krachtens artikel 81, lid 3, EG-Verdrag kunnen de bepalingen van artikel 81, lid 1, buiten toepassing worden verklaard: - voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen; - voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen; - voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen; die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen:
- a)beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,
- b)de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. 5. Op basis van de Verordening (EG) nr. 2790/99 van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, vallen deze overeenkomsten en gedragingen die aan bepaalde criteria beantwoorden, buiten het toepassingsgebied van artikel 81, lid 1, EG-Verdrag. Uit de richtsnoeren inzake verticale beperkingen, gepubliceerd in het Publicatieblad van de EG van 13 oktober 2000 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG, met name het arrest van 30 april 1998, Cabour SA, C-230/96, en van 13 juli 2006, Manfredi, gevoegde zaken C-295/04 - C-298/04, volgt dat het gedeelte van de verticale overeenkomst dat buiten het toepassingsgebied van de Groepsvrijstellingsverordening valt, niet a priori als onwettig wordt beschouwd, maar afzonderlijk moet worden onderzocht aan de hand van alle ter beschikking staande gegevens en rekening houdend met de economische en juridische context van de overeenkomst. In een dergelijk geval is de betrokken voorwaarde slechts nietig voor zover ze tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt merkbaar wordt beperkt, de handel tussen lidstaten in merkbare mate ongunstig kan beïnvloeden en een vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG-Verdrag niet kan rechtvaardigen. 6. Zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, oordelen de appelrechters dat de exclusieve afnameverplichtingen in de betrokken overeenkomsten onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG-Verdrag vallen, maar kunnen genieten van de groepsvrijstelling van Verordening (EG), nr. 2790/99. Zij oordelen verder dat de overeenkomsten terzake, die als een geheel dienen te worden beschouwd, echter een niet-concurrentiebeding bevatten in strijd met artikel 5 van Verordening (EG), nr. 2790/99. 7. Artikel 2 van Verordening (EG), nr. 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, bepaalt dat de onderneming die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, de bewijslast dient te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. 8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor het hof van beroep de bescherming heeft ingeroepen van artikel 81, lid 3, EG-Verdrag en heeft gepoogd aan te tonen dat terzake aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan. 9. De rechter mag, krachtens het beschikkingsbeginsel, het voorwerp van de vordering niet ambtshalve wijzigen, hetzij, door ze uit te breiden, hetzij, door ze door een andere te vervangen. De rechter vermag weliswaar de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen ambtshalve aan te vullen, op voorwaarde echter dat hij geen geschil opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd en dat hij noch het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering wijzigt. Bij arrest van 10 december 1995, van Schijndel, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93, wijst het Hof van Justitie van de EG erop dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter er niet toe verplicht ambtshalve een rechtsgrond in het geding te brengen ontleend aan schending van gemeenschapsbepalingen, wanneer hij voor het onderzoek van dat middel aan de hem passende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. 10. De appelrechters vermochten derhalve naar recht te oordelen dat de aangegane overeenkomsten (op grond van artikel 81, lid 2, EG-Verdrag) nietig zijn in zoverre hierin bepaald is dat de exclusieve afnameverplichtingen meer dan 5 jaar gelden. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 505,16 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100226.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050217.8 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060316.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181206.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div