← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.7 Rolnummer: C.08.0140.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 In het geval dat een in het artikel 1183/11° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde persoon weigert de eed bij de boedelbeschrijving af te leggen, wendt de notaris zich tot de vrederechter om een beschikking te verkrijgen waarbij de eedaflegging wordt opgelegd; de notaris treedt daarbij niet op in eigen belang, maar in het belang van de partijen bij een exacte samenstelling van de onverdeelde boedel

(1); de bij de onverdeeldheid betrokken partijen hebben er belang bij in de procedure tussen te komen om de vordering van de notaris te ondersteunen of te bestrijden, ook al kunnen zij zelf de eedaflegging niet vorderen; artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek sluit een tussenkomst in de door de notaris voor de vrederechter ingestelde procedure niet uit.
(1)Zie Th. VAN SINAY, Commentaar bij artikel 1184 Ger.W., in Gerechtelijk recht; artikelsgewijze commentaar, Kluwer, 2005, randnrs 2, 6 en 9; C. ENGELS, Artikel 1184 Ger. W.; het enig geval waarin alleen de notaris bevoegd is om zich tot de vrederechter te wenden, T. Not., 1975, 4-11; Th. VAN SINAY, noot onder Vred. Brasschaat, 11 april 2006, Afsluiting van inventaris en eedaflegging, T. Not., 2007, 90, nr I. Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Eed - Weigering - Vrederechter - Eiser - Notaris - Belang - Partijen - Tussenkomst - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, 1183, aanhef, en 11°, en 1184, eerste lid Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving Vrije woorden: Onverdeeldheid - Boedelbeschrijving - Eed - Weigering - Vrederechter - Eiser - Notaris - Belang - Partijen - Tussenkomst - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, 1183, aanhef, en 11°, en 1184, eerste lid Fiches 3 - 4 De in een rechtspleging overeenkomstig artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, door de partijen die reeds de eed hebben afgelegd, gevoerde verweer of de door hen in die rechtspleging afgelegde verklaringen zijn geen verklaringen in de zin van artikel 1183/8° van het Gerechtelijk Wetboek; hun tussenkomst laat hen niet toe bijkomende verklaringen in verband met de boedelbeschrijving af te leggen. Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Eed - Weigering - Vrederechter - Partijen - Tussenkomst - Verklaringen - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, 1183, 8°, en 1184 Thesaurus CAS: ERFENISSEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving Vrije woorden: Onverdeeldheid - Boedelbeschrijving - Eed - Weigering - Vrederechter - Partijen - Tussenkomst - Verklaringen - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, 1183, 8°, en 1184 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0140.N D. H., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. D.M. P., 2. D. D., 3. D. M., 4. D. R., 5. D. L., 6. D. A., verweerders, die allen woonplaats kiezen bij gerechtsdeurwaarder Anne Schaessens, met kantoor te 8400 Oostende, Canadaplein 1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 2 november 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 15, 17, 811, 812, 813, 814, 1183, 11° en 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart de vrijwillige tussenkomst van de verweerders 2 tot 6 in de procedure op derdenverzet ontvankelijk en bevestigt het aangevochten vonnis op derdenverzet in alle beschikkingen, op grond van de hiernavolgende overwegingen: "Overeenkomstig artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrijwillige tussenkomst geschieden voor alle gerechten, ongeachte (sic) de vorm van de rechtspleging met de enige beperking dat deze vrijwillige tussenkomst geen afbreuk kan doen aan reeds bevolen onderzoeksmaatregelen, de behandeling van de hoofdvordering niet mag vertragen en niet voor het eerste (sic) kan in graad van beroep indien deze strekt tot het bekomen van een veroordeling. De vrijwillige tussenkomst van (de verweerders 2 tot 6), zoals gesteld in eerste aanleg, voldoet aan de vereisten van artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 17-18 van het Gerechtelijk Wetboek, dat van openbare orde is, kan een vrijwillige tussenkomst slechts ontvankelijk zijn wanneer de vrijwillig tussenkomende partij blijk geeft van een belang en een hoedanigheid. Nu (de verweerders 2 tot 6) samen met (de eiseres) de kinderen zijn van de decujus D.M. en aldus een belang hebben bij afhandeling der inventaris, geven zij blijk van een hoedanigheid en een belang overeenkomstig artikel 17-18 van het Gerechtelijk Wetboek. Hun vrijwillige tussenkomst was derhalve ontvankelijk". "Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat (de verweerders 2 tot 6) reeds de eed hadden afgelegd en derhalve geen bijkomende verklaringen meer zouden kunnen afleggen bij het afsluiten van de inventaris. Alleen reeds door het feit dat zij bij deze inventaris werden betrokken en dienaangaande reeds de eed overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek hadden afgelegd blijkt voldoende dat zij een belang hebben bij de discussie nopens de vraag indien (de eiseres) eveneens diende de eed af te leggen. Evenmin kan (de eiseres) worden bijgetreden waar zij zich gegriefd weet door het feit dat (de verweerders 2 tot 6) naar aanleiding van hun vrijwillige tussenkomst bepaalde feitelijke gegevens zouden hebben aangevoerd, hetgeen een inbreuk zou uitmaken op bovenvermelde principe dat na de eedaflegging geen bijkomende verklaringen meer kunnen afgelegd worden. De verklaringen die (de verweerders 2 tot 6) lopende hun vrijwillige tussenkomst zouden hebben naar voor gebracht zijn geen verklaringen die werden of worden geacteerd bij de afhandeling der inventaris en vallen aldus niet onder de reeds afgelegde eed van (de verweerders 2 tot 6). Nu uit de overwegingen van het aangevochten vonnis duidelijk blijkt dat de eerste rechter zich niet heeft gesteund op eventuele nieuw aangevoerde feitelijke omstandigheden terwijl de besluiten van (de verweerders 2 tot 6) niet worden opgenomen in het proces-verbaal der inventaris dat wordt opgesteld door (de eerste verweerder), kan geen enkel onontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst worden weerhouden op grond van het feit dat de vrijwillig tussenkomende partij bepaalde feitelijke gegevens zou hebben aangevoerd binnen de procedure derdenverzet van (de eiseres)". Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 15, 17, 811-814 (in het bijzonder 812 en 813), 1183, 11° en 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Ook een vordering in tussenkomst in de zin van de artikelen 811 tot 814, in het bijzonder de artikelen 812 en 813 van het Gerechtelijk Wetboek, moet voldoen aan de van elkaar onderscheiden vereisten van hoedanigheid en belang. Krachtens artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek bevat de boedelbeschrijving, behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, ook: (...) 11°, de eed van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen. Indien moeilijkheden rijzen in verband met de boedelbeschrijving, is het de notaris die zich krachtens artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot de vrederechter wendt, die zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal. Krachtens artikel 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is het derhalve enkel de notaris die de vereiste hoedanigheid heeft om een vordering in te stellen voor de vrederechter, indien er een probleem rijst in verband met de boedelbeschrijving. Het recht om een betwisting nopens een eedaflegging in de zin van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de vrederechter voor te leggen werd aldus bij wet uitdrukkelijk toevertrouwd aan een ander persoon (de notaris) dan diegenen die mogelijks een belang hebben bij het opstellen van de boedelbeschrijving (de erfgenamen, zoals in casu de eiseres en de verweerders 2 tot 6). Uit het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van de verweerders 2 tot 6 blijkt dat dit ertoe strekte de beschikking van de vrederechter van 8 augustus 2006 waarbij de eiseres ertoe veroordeeld werd om de eed van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek af te leggen onder verbeurte van een dwangsom, te horen bevestigen ("Notaris beging dan ook geen enkele fout - wanneer hij haar vroeg de eed af te leggen in de gegeven omstandigheden ..." - "Dwangsom is eveneens terecht - in de gegeven omstandigheden - en de rechtspraak en rechtsleer zijn quasi unaniem dat de heer Vrederechter - de weigerachtige partijen kan verplichten tot de eedaflegging en dit verbeurte (sic) van een dwangsom", verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst de verweerders 2 tot 6, p. 2). In graad van beroep vorderden zij tevens dat eiseres veroordeeld zou worden tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verweerders 2 tot 6 de vereiste hoedanigheid hebben op grond van de vaststelling dat zij als kinderen van de decujus een belang hebben bij de afhandeling van de inventaris. Aldus schendt het vonnis de wettelijke begrippen "belang" en "hoedanigheid" door aan te nemen dat de verweerders 2 tot 6 de vereiste hoedanigheid hebben op grond van de vaststelling dat zij een belang hebben bij het instellen van de rechtsvordering in tussenkomst (schending van de artikelen 15 en 17 van het Gerechtelijk Wetboek). Aangezien enkel de eerste verweerder de vereiste hoedanigheid bezit om een vordering op grond van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek in te stellen, vermocht het vonnis evenmin wettig te oordelen dat de verweerders 2 tot 6 de vereiste hoedanigheid bezitten om vrijwillig tussen te komen in dit geding en dat hun tussenkomst derhalve ontvankelijk was (schending van alle in dit onderdeel aangeduide wetsbepalingen). Tweede onderdeel Schending van de artikelen 1183, 11° en 1184, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Bij verzoekschrift van 26 juli 2006 vatte de eerste verweerder de vrederechter teneinde eiseres te horen verplichten tot het afleggen van de eed in de zin van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek. In het kader van de vereffening van een nalatenschap kan de eed immers enkel worden opgedragen aan de personen die beantwoorden aan de wettelijke kwalificatie, hetgeen door de vrederechter in alle objectiviteit dient onderzocht en beoordeeld te worden. Door enkel de notaris toe te laten een dergelijke vordering in te stellen, heeft de wetgever anderen, waaronder de overige erfgenamen die mogelijks een belang hebben bij het horen afleggen van de eed, uitdrukkelijk geweerd uit deze procedure. Enkel ten aanzien van een procespartij zal de gerechtelijke beslissing met gezag van gewijsde bekleed zijn en een onweerlegbaar vermoeden van waarheid inter partes opleveren indien tegen de uitspraak geen rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend. Door de tussenkomst van de verweerders 2 tot 6 ontvankelijk te verklaren, werden zij procespartij. Zij kregen hierdoor de gelegenheid hun visie op het geschil kenbaar te maken en het ter ondersteuning van hun argumentatie noodzakelijk of nuttig geachte feitenmateriaal aan het oordeel van de rechter voor te leggen, daar waar artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek zulks uitsluit. Aldus kregen zij de gelegenheid nog verklaringen af te leggen in verband met de boedelbeschrijving, hoewel zij de eed van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek reeds hadden afgelegd en geen bijkomende verklaringen meer mogen worden afgelegd. Het vonnis oordeelt evenwel dat er geen bezwaar is tegen deze bijkomende verklaringen omdat de verweerders 2 tot 6 "een belang hebben bij de discussie nopens de vraag indien (de eiseres) eveneens de eed dient af te leggen", "(
  1. de)verklaringen die (de verweerders 2 tot 6) lopende hun vrijwillige tussenkomst zouden hebben naar voor gebracht (...) geen verklaringen (zijn) die werden of worden geacteerd bij de afhandeling der inventaris en (...) aldus niet (vallen) onder de reeds afgelegde eed van (de verweerders 2 tot 6)" en "(...) uit de overwegingen van het aangevochten vonnis duidelijk blijkt dat de eerste rechter zich niet heeft gesteund op eventuele nieuw aangevoerde feitelijke omstandigheden terwijl de besluiten van (de verweerders 2 tot 6) niet worden opgenomen in het proces-verbaal der inventaris dat wordt opgesteld door (de eerste verweerder)". Geen van deze gegevens is van aard om aan erfgenamen die niet de vereiste hoedanigheid hebben om tussen te komen in een procedure in verband met een boedelbeschrijving en die reeds de bij artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek geviseerde eed hebben afgelegd, toe te laten bijkomende verklaringen in het kader van een proces af te leggen. Door de verweerders 2 tot 6 als procespartijen toe te laten in het geschil tussen de eiseres en de instrumenterende notaris, en hen aldus de gelegenheid te geven bijkomende verklaringen af te leggen nadat zij reeds de eed hadden afgelegd, schendt het vonnis alle in het onderdeel geviseerde wetsbepalingen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 870, 1138, 2°, 1183, 11° en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van het "beschikkingsbeginsel". Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiseres wel degelijk onder de toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek valt en gehouden is de eed af te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en zulks op grond van de hiernavolgende overwegingen: "De verplichting overeenkomstig artikel. 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek opzichtens eenieder die in het bezit is geweest van voorwerpen van de decujus of die de plaatsen hebben bewoond dient zeer ruim te worden geïnterpreteerd en is toepasselijk op alle personen die zich in de mogelijkheid zouden geweten hebben om voorwerpen van de decujus in bezit te hebben gehad of de plaatsen te hebben betreden of eventueel kennis te hebben van verduistering, weze het door derden (...). Waar (de eiseres) een dochter was van de decujus is zij bij uitstek één der personen die in het bezit kan geweest zijn van goederen van haar moeder of die de plaatsen waar zij woonde kan hebben betreden. Weliswaar beweert (de eiseres) dat zij 38 jaren geleden werd verstoten en dat zij sindsdien alle contact met haar moeder had verbroken, doch deze eenzijdige bewering gaat van (de eiseres) zelf uit en wordt door geen enkel feitelijk en verifieerbaar element gestaafd. Deze verklaringen kunnen derhalve niet worden aangenomen als het bewijs naar recht dat (de eiseres) niet zou vallen onder toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek. Alleen door dienaangaande de eed af te leggen overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek kan aan deze eenzijdige verklaring geloofwaardigheid worden verleend vermits deze onder de garantie van de plechtmatige eed zou gelden tot bewijs van het tegendeel en onder de wetenschap dat ernstige sancties gelden mocht blijken dat terzake een valse eed zou zijn afgelegd. Waar aldus de eed overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt gevorderd van (de eiseres) als dochter van de decujus wiens nalatenschap wordt geïnventariseerd kan geenszins aangenomen worden dat de eed op lichtzinnige wijze zou worden opgelegd. Dit geldt des te meer nu juist (de eiseres) reeds onmiddellijk na het overlijden van haar moeder de zegellegging had gevorderd, hiermede aanvoerend dat zij twijfels heeft nopens de eerlijkheid waarop de nalatenschap zou worden afgehandeld." Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870, 1183, 11° en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: "Behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, bevat de boedelbeschrijving ook: (...) 11° de eed van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen". Niet iedereen die bij de boedelbeschrijving is betrokken, is ertoe gehouden deze eed af te leggen, doch enkel diegenen die "in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben". Krachtens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek rust de bewijslast om aan te tonen dat de eiseres aan deze begripsomschrijving beantwoordt op de notaris die de eedaflegging in de zin van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek vordert krachtens artikel 1184, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. Het loutere gegeven "een afstammeling", meer bepaald de dochter, te zijn van de decujus impliceert niet per definitie dat men "in het bezit geweest is van de voorwerpen of de plaatsen bewoond heeft". Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiseres onder de toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek valt omdat zij "een dochter is van de decujus" en enkel om die reden "bij uitstek één der personen (
  2. is)die in het bezit kan geweest zijn van goederen van haar moeder of die de plaatsen waar zij woonde kan hebben betreden. Weliswaar beweert (de eiseres) dat zij 38 jaren geleden werd verstoten en dat zij sindsdien alle contact met haar moeder had verbroken, doch deze eenzijdige bewering gaat van (de eiseres) zelf uit en wordt door geen enkel feitelijk en verifieerbaar element gestaafd. Deze verklaringen kunnen derhalve niet worden aangenomen als het bewijs naar recht dat (de eiseres) niet zou vallen onder toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek". Door louter op grond van de vaststelling dat eiseres de dochter is van de decujus te oordelen dat zij "bij uitstek" beantwoordt aan de voorwaarde van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek, zonder na te gaan of zij in concreto in het bezit geweest is van de voorwerpen of de plaatsen bewoond heeft, schendt het vonnis artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek. Door aan te nemen dat de eiseres als dochter van de decujus "bij uitstek" of "per definitie" valt onder de toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek en vervolgens van de eiseres het tegenbewijs te vereisen dat zij niet in het bezit is geweest van de voorwerpen of de plaatsen bewoond heeft in de zin van die bepaling, keert het vonnis de wettelijke bewijslast die op de notaris rust om en schendt het mitsdien de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 en 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van het beschikkingsbeginsel. Zoals de eiseres in conclusie uitdrukkelijk liet gelden is zij "sedert 38 jaar verstoten door haar moeder, zijnde de decujus wijlen D.M., met wie zij sedertdien geen enkel contact meer heeft onderhouden noch met haar broers en zusters (zijnde de andere erfgenamen). Dit werd niet betwist door de andere erfgenamen in de inventaris" (besluiten de eiseres, p. 4). De uitdrukkelijke vaststelling van de eiseres dat het feit van haar verstoting en de afwezigheid van enig contact sedert 38 jaar door de verweerders 2 tot 6 niet werd betwist, wordt inderdaad nergens tegengesproken in de door de verweerders 2 tot 6 neergelegde besluiten of akte van vrijwillige tussenkomst. Het bestreden vonnis stelt evenwel dat "deze eenzijdige bewering (...) van (de eiseres) zelf (uitgaat) en (...) door geen enkel feitelijk en verifieerbaar element (wordt) gestaafd". Door op deze grond vervolgens te oordelen dat deze verklaring niet kan worden aangenomen als bewijs naar recht dat de eiseres niet zou vallen onder de toepassing van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek, werpt het vonnis een betwisting op waarvan de conclusies van partijen het bestaan uitsloten en schendt het mitsdien artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek evenals het beschikkingsbeginsel. Derde onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet, artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 870 en 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek kadert in de bijzondere procedure van boedelbeschrijving (hoofdstuk II van boek IV bijzondere rechtsplegingen van het Gerechtelijk Wetboek) en heeft verder geen uitstaans met de gemeenrechtelijke bepalingen inzake het bewijs zoals vervat in de artikelen 1315 tot 1379 van het Burgerlijk Wetboek. De eiseres voerde aan dat zij niet beantwoordde aan de begripsomschrijving van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek omdat zij sedert 38 jaar verstoten werd door haar moeder, de decujus, "met wie zij sedertdien geen enkel contact meer heeft onderhouden noch met haar broers en zusters (zijnde de andere erfgenamen). Dit werd niet betwist door de andere erfgenamen in de inventaris. Sedertdien heeft (de eiseres) wijlen haar moeder niet meer gehoord noch gezien en dan ook nooit haar woonst betreden, noch op het vorige adres, noch op het huidige adres van het sterfhuis. De reden hier is, dat toen (de eiseres) 20 jaar was, zij vroeg om te huwen en dat werd onthaald met een weigering van haar moeder, waarop zij door haar moeder op straat werd gezet zonder middelen van bestaan (...)". Het bestreden vonnis oordeelt dat aan deze eenzijdige (doch door de tegenpartij niet betwiste, cfr. supra tweede onderdeel) verklaring alleen geloofwaardigheid kan worden verleend, indien de eiseres "dienaangaande de eed (aflegt) overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek vermits deze onder de garantie van de rechtmatige eed zou gelden tot bewijs van het tegendeel en onder de wetenschap dat ernstige sancties gelden mocht blijken dat terzake een valse eed zou zijn afgelegd". Aldus geeft het vonnis te kennen dat de eiseres het feit dat zij aanvoerde tot staving van haar stelling dat zij niet beantwoordde aan de voorwaarden tot eedaflegging, met name dat zij verstoten was en sinds meer dan 38 jaar geen contact meer met haar moeder had, laat staan de woning zou betreden hebben of voorwerpen in haar bezit hebben, enkel door het afleggen van de bij artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde eed, kan bewijzen, of minstens "geloofwaardiger" maken. De ‘verhoogde geloofwaardigheid' van eiseres' stelling dat zij 38 jaren geleden werd verstoten en sindsdien alle contact met haar moeder heeft verbroken, kan echter enkel leiden tot de vaststelling dat zij haar stelling staaft dat zij niet beantwoordde aan de voorwaarden van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek en dus niet tot eedaflegging gehouden kan zijn. Het vonnis dat aanneemt dat de eiseres haar middel tot staving dat zij niet tot eedaflegging gehouden is enkel geloofwaardig kan maken, indien zij tot de eedaflegging van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek overgaat, en aldus te kennen te geeft dat men door de eed af te leggen zijn stelling dat men niet tot eedaflegging gehouden is kan staven, berust op tegenstrijdige motieven en schendt mitsdien artikel 149 van de Grondwet. Tevens schendt het artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de wettelijke bepalingen inzake het bewijs van feiten, met name de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het te kennen geeft dat de eiseres om een bepaald feit (haar verstoting) te bewijzen ertoe gehouden is dit feit onder eed in het kader van de bij artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek te verklaren, daar waar zij enkel tot eedaflegging gehouden kan zijn indien zij de wettelijke voorwaarden hiertoe vervult. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Artikel 1175 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving ten doel heeft de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen. Artikel 1183, aanhef en 11°, van dit wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving, behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, ook de eed bevat van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen hebben bewoond, dat zij niets hebben verduisterd en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen. Artikel 1184, eerste lid, van dit wetboek bepaalt onder meer dat, indien moeilijkheden rijzen, de notaris zich tot de vrederechter wendt, die zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal. 2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat: - in het geval dat een in artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde persoon weigert de eed af te leggen, de notaris zich tot de vrederechter wendt om een beschikking te verkrijgen waarbij de eedaflegging wordt opgelegd; - de notaris daarbij niet optreedt in eigen belang, maar in het belang van de partijen bij een exacte samenstelling van de onverdeelde boedel; - de bij de onverdeeldheid betrokken partijen er belang bij hebben in de procedure tussen te komen om de vordering van de notaris te ondersteunen of te bestrijden, ook al kunnen zij zelf de eedaflegging niet vorderen. - artikel 1184 een tussenkomst in de door de notaris voor de vrederechter ingestelde procedure niet uitsluit; Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel 3. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel, in zoverre het ervan uitgaat dat artikel 1184 van het Gerechtelijk wetboek andere procespartijen dan de notaris uitsluit uit de procedure tot het verkrijgen van een beschikking tot eedaflegging, faalt naar recht. 4. De in een rechtspleging overeenkomstig artikel 1184 van het Gerechtelijk wetboek, door de partijen die reeds de eed hebben afgelegd, gevoerde verweer of de door hen in die rechtspleging afgelegde verklaringen, zijn geen verklaringen in de zin van artikel 1183, 8°, van het Gerechtelijk wetboek. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de tussenkomst van de partijen bij de boedelbeschrijving in de procedure overeenkomstig artikel 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, hen toelaat na de eedaflegging bijkomende verklaringen in verband met de boedelbeschrijving af te leggen, faalt het naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Het bestreden vonnis oordeelt, zonder als dusdanig te worden bekritiseerd, dat de verplichting ten opzichte van eenieder die in het bezit is geweest van voorwerpen van de decujus of die plaatsen hebben bewoond, zeer ruim geïnterpreteerd dient te worden en toepasselijk is op alle personen die zich in de mogelijkheid zouden geweten hebben om voorwerpen van de decujus in het bezit te hebben gehad of de plaatsen te hebben betreden of eventueel kennis te hebben van verduistering, zij het door derden. Verder verwerpt het bestreden vonnis het verweer van de eiseres in zoverre zij aanvoerde dat zij sedert 38 jaren was verstoten door haar moeder op grond dat dit een eenzijdige bewering uitmaakte en door geen enkel feitelijk of verifieerbaar element werd gestaafd. 6. Op grond van zijn uitlegging van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek en van de aldus gedane feitelijke vaststellingen, vermocht het bestreden vonnis naar recht te oordelen dat de eiseres als dochter van de decujus, "bij uitstek één der personen is die in het bezit kan geweest zijn van goederen van haar moeder of die plaatsen waar zij woonde kan hebben betreden". Met die redenen: - verantwoordt het bestreden vonnis zijn beslissing naar recht en schendt het artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek niet; - keert het de op de eerste verweerders rustende bewijslast dat de eiseres voldeed aan de vereisten van die wetsbepaling niet om en schendt het de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 en 1184, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet; - diende het bestreden vonnis overeenkomstig de uitlegging die het van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek geeft, niet in concreto na te gaan of de eiseres in het bezit is geweest van de voorwerpen of de plaatsen heeft bewoond. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. De eiseres heeft voor de feitenrechters geconcludeerd dat zij sinds 38 jaar verstoten was door haar moeder, de decujus, met wie zij sedertdien geen enkel contact meer heeft onderhouden, noch met haar broers en zusters om aan te tonen dat zij niet voldeed aan de vereisten van artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek. 8. De verweerders sub 2 tot en met 6 hebben daartegen aangevoerd in hun appelconclusie van 13 maart 2007: - "(De eiseres) kan niet betwisten - dat zij als kind van wijlen moeder D. -en als erfgenaam van haar overleden vader de mogelijkheid had om in het sterfhuis te komen en er ook geweest is - zodat zij conform de rechtspraak gehouden was de eed af te leggen"; - "De weigerende houding tot eedaflegging - is onaanvaardbaar- gezien zij het toch was- die de zegellegging benaarstigde - in de eerste uren na het overlijden van moeder en zij dus meteen bewees dat zij wel van een en ander op de hoogte was- en ook uit dien hoofde - gehouden was - in de daaropvolgende inventaris - de eed af te leggen". Aldus hebben de verweerders sub 2 tot en met 6, anders dan het onderdeel aanvoert, wel betwist dat de eiseres sedert 38 jaar verstoten was door haar moeder, de decujus, met wie zij sedertdien geen enkel contact meer heeft onderhouden, noch met haar broers en zusters in die zin dat zij niet in het bezit kan geweest zijn van goederen van haar moeder of de plaatsen waar zij woonde, kan hebben betreden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 9. Het bestreden vonnis oordeelt dat aan de eenzijdige verklaring van de eiseres dat zij 38 jaar geleden door haar moeder, de decujus, werd verstoten en sindsdien alle contact met haar moeder had verbroken, door geen enkel feitelijk en verifieerbaar element wordt gestaafd en dat alleen door dienaangaande de eed af te leggen overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek aan deze eenzijdige verklaring geloofwaardigheid kan worden verleend. 10. Met deze reden geeft het bestreden vonnis niet te kennen dat "de eiseres het feit dat zij aanvoerde tot staving van haar stelling dat zij niet beantwoordde aan de voorwaarden tot eedaflegging, met name dat zij verstoten was en sinds meer dan 38 jaar geen contact meer met haar moeder had, laat staan de woning zou betreden hebben of voorwerpen in haar bezit hebben, enkel door het afleggen van de bij artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde eed, kan bewijzen, of minstens geloofwaardiger maken". Het onderdeel dat aanvoert dat het bestreden vonnis dit wel te kennen geeft en op grond daarvan tegenstrijdigheid in de motivering aanvoert en schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 en 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 799,91 euro jegens de eisende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 15 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix E. Waûters PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090515.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.