← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090518.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:A

Artt. 221, zesde lid en 223, eerste lid Fiche 2 Een krachtens het eerste en tweede lid van artikel 223, B.W. bevolen maatregel van toekenning van het uitsluitend genot van de gezinswoning aan een van de echtgenoten blijft, wanneer naderhand een verzoekschrift tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingediend, gelden tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding, in zoverre de bevolen maatregel nog niet is vervallen door het verstrijken van de door de vrederechter bepaalde duur ervan

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Genot van de gezinswoning - Beslissing van de vrederechter - Gelding Wettelijke bepalingen:

Artt. 221, zesde lid en 223, eerste lid Fiche 3 De krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, B.W. opgelegde maatregel van uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn opgelegd als loutere bestuursmaatregel of als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk, waarbij er in dit laatste geval, naargelang hetgeen waarmee de vrederechter rekening heeft gehouden, aanleiding is tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en, ingeval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre aanzien wordt als een voorschot op dit aandeel

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VREDERECHTER UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Dringende en voorlopige maatregelen - Toekenning van het uitsluitend genot van de gezinswoning aan één der echtgenoten - Aard van de maatregel Wettelijke bepalingen:

Art. 223

, eerste en tweede lid Fiche 4 Door de ontbinding van het huwelijksstelsel ontstaat tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Ontbinding van het huwelijksstelsel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1278, tweede lid Fiche 5 Uit de bepaling van artikel 577-2, § 3, B.W. volgt dat de deelgenoot die alleen het genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit uitsluitend genot aan de deelgenoten een vergoeding verschuldigd is. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Huwelijksgemeenschap - Mede-eigenaar - Exclusief genot van een onverdeeld goed Wettelijke bepalingen:

Art. 577

-2, § 3 Fiche 6 De gevolgen van de krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, B.W. toegekende maatregel van uitsluitend genot van de gezinswoning aan een van de echtgenoten, die ook blijft gelden na het inleiden van de echtscheiding tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding en nog niet is vervallen door het verstrijken van de door de vrederechter bepaalde duur ervan, zijn verschillend naargelang die maatregel bestaat als uitvoering van de alimentatieverplichting in natura dan wel als loutere bestuursmaatregel, waarbij de aard van de maatregel evenwel niet verandert door de enkele omstandigheid van het inleiden van de eis tot echtscheiding

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Vereffening en verdeling - Huwelijksvermogensrecht - Onderhoudsgeld - Alimentatie - Dringende en voorlopige maatregel - Genot van de gezinswoning - Uitwerking en aard Wettelijke bepalingen:

Art. 223, eerste en tweede lid Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

1278, tweede lid

Art. 577-2, § 3 Fiches 7 - 12 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER.

Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Vrederechter - Beslissing inzake ontvangstmachtiging - Dringende en voorlopige maatregelen betreffende de persoon en de goederen - Naderhand ingediend verzoekschrift tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Genot van de gezinswoning - Beslissing van de vrederechter - Gelding Thesaurus CAS: VREDERECHTER UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Dringende en voorlopige maatregelen - Toekenning van het uitsluitend genot van de gezinswoning aan één der echtgenoten - Aard van de maatregel Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Ontbinding van het huwelijksstelsel Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Huwelijksgemeenschap - Mede-eigenaar - Exclusief genot van een onverdeeld goed Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Vereffening en verdeling - Huwelijksvermogensrecht - Onderhoudsgeld - Alimentatie - Dringende en voorlopige maatregel - Genot van de gezinswoning - Uitwerking en aard Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0517.N C.F., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen S.E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 maart 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 23 april 2009 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 213, 221, zesde lid, 223, 577-2, 577-2, §3, van het Burgerlijk Wetboek. - de artikelen 1223, 1278, eerste en tweede lid, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het incidenteel hoger beroep van de eiseres ongegrond, en bevestigt het vonnis a quo van 26 april 2005 waarin de staat van vereffening verdeling opgesteld door de boedelnotaris wordt geho¬mologeerd voor wat betreft de woonstvergoeding hierin voorzien met ingang van 29 maart 1996, datum inleiding van de echtscheidingsprocedure, op grond van volgende overwegingen: "Wat betreft de woonstvergoeding

  1. In het proces verbaal van zwarigheden van 11 december 2003 laat (de verweerder) opmerken dat de woonstvergoeding ‘dient te worden berekend vanaf de beschikking van de vrederechter van het 2de kanton Leuven van 18 maart 1991, rekening houdende met het feit dat in genoemde beschikking werd bepaald dat de vrederechter het onderhoudsgeld voor de kinderen heeft bepaald rekening houdende met het feit dat (de verweerder) geen kosteloos bewoningsrecht aanbood. (De verweerder) laat tevens opmerken dat (de eiseres) wel degelijk een persoonlijk onderhoudsgeld heeft gevorderd en overhandigt aan ondergetekende notaris de bewijzen hiervan (zie bladzijde 6 van de staat van actief en passief)'. (De eiseres) gaf te kennen dat ‘in de berekening van de woonstvergoeding en de hoegrootheid ervan geen rekening werd gehouden met het feit dat de kinderen bij haar inwonen en dat dus deze woonstvergoeding dan ook dient verminderd'.
  2. In zijn conclusie van 9 februari 2006 verwijst (de verweerder) naar de beschikking van de vrederechter van 18 maart 1991 waarin uitdrukkelijk staat opgenomen dat ‘de verweerder geen kosteloos bewoningsrecht aanbiedt in de echtelijke woonst, onverdeeldheid van partijen'. Hij argumenteert dat derhalve zijn ex-echtgenote een woonstvergoeding verschuldigd is vanaf het ogenblik dat partijen afzonderlijk dienden te wonen en aldus vanaf datum der feitelijke scheiding omdat vanaf die datum hij op zoek is moeten gaan naar een afzonderlijke verblijfplaats.
  3. In haar conclusie van 9 januari 2006 verduidelijkt (de eiseres) dat ten vroegste vanaf 10 juli 2001, dit is de datum van overschrijving van het arrest van 27 februari 2001 in het register van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Aarschot, een woonstvergoeding kan worden toegestaan aan (de verweerder). Zij merkt verder op dat de vrederechter in haar vonnis van 18 maart 1991 niet uitdrukkelijk aangaf of en in welke mate zij haar beslissing om haar te machtigen om de gezinswoning op exclusieve wijze te gebruiken, bepaalde ten titel van onderhoudsbijdrage dan wel bij wijze van (beheers)regeling.
  4. Het komt het (hof van beroep) voor dat het gratis woonstvoordeel in de periode voorafgaand aan de procedure echtscheiding een component was in natura van de tussen partijen bestaande hulpverplichting voor de duur van het huwelijk.
  5. De eerste rechter oordeelde terecht dat de woonstvergoeding verschuldigd is vanaf datum van de inleiding van de procedure echtscheiding. (Eiseres) heeft gratis en exclusief een onverdeeld onroerend goed bewoond en is uit dien hoofde een woonstvergoeding verschuldigd. Zij heeft immers dezelfde verplichting als iedere mede-eigenaar die een onverdeeld goed exclusief in gebruik heeft. Het hoger beroep van (de verweerder) en het incidenteel beroep van (de eiseres) is wat dit onderdeel betreft ongegrond" (arrest pp. 10-11). De eerste rechter beoordeelde het geschil over de woonstvergoeding op grond van volgende overwegingen: "De echtgenoot die gratis een onverdeeld onroerend goed heeft bewoond is een woonstvergoeding aan de onverdeelde massa verschuldigd. Die echtgenoot heeft immers dezelfde verplichting als iedere mede-eigenaar die een onverdeeld goed exclusief in gebruik heeft (artikel 577bis, §5, van het Burgerlijk Wetboek). De verschuldigde vergoeding bedraagt in principe de huurwaarde van het betrokken goed. De aldus uit te voeren beheersrekening, die het gevolg is van de terugwerkende kracht van de echtscheiding tussen de echtgenoten wat hun goederen betreft tot op de dag van het instellen van de vordering tot echtscheiding is dan ook beperkt tot deze periode. In geval evenwel het exclusief genot van de gemeenschappelijke woning toegewezen wordt aan een onderhoudsgerechtigde echtgenoot kan geen woonstvergoeding worden opgeëist door de onderhoudsplichtige wanneer het bedrag van het onderhoudgeld en de helft van de huurwaarde hoger ligt dan het aandeel van de onderhoudsgerechtigde in de vruchten van de onverdeelde massa. Het gratis woonstvoordeel wordt in die omstandigheden als een component in natura beschouwd van de tussen echtgenoten bestaande hulpverplichting (art 213 van het Burgerlijk Wetboek). Het wordt niet betwist dat (de eiseres) na het instellen van de procedure in echtscheiding in de gezinswoning is blijven wonen en zij geen onderhoudsgeld heeft gevorderd, noch bekomen. De aanwending van de gemeenschappelijke inkomsten in de periode van de post communautaire onverdeeldheid ten behoeve van de kosten is zonder enige invloed op de beheerrekening van de onverdeeldheid tussen de echtgenoten en het verschuldigd zijn van een woonstvergoeding. De verplichting van de ouders aan hun kinderen levensonderhoud te verschaffen is geen wederzijdse hulpverplichting en dus totaal vreemd aan de vermogensrechterlijke verhouding van de gewezen echtgenoten ontstaan ingevolge de retroactieve ontbinding van het huwelijksvermogenstelsel. De boedelnotaris heeft derhalve terecht bij de beheersrekening een woonstvergoeding toegekend vanaf de dagvaarding in echtscheiding, zijnde 29 maart 1996" (vonnis a quo van 26 april 2005, p. 5-6, sub 3.3., a). Grieven
  6. Naar luid van artikel 1278, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden. Naar luid van het tweede lid van dezelfde wetsbepaling werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.
  7. Na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel met een gemeenschap van goederen ontstaat tussen de echtgenoten een onverdeeldheid, de zogenaamde "post-communautaire onverdeeldheid", die in de regel beheerst wordt door het gemene recht van gewone mede-eigendom in artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek. Die onverdeeldheid bevat de goederen die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding tussen de echtgenoten terugwerkt en de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht. Krachtens artikel 577-2, §3, van het Burgerlijk Wetboek, heeft iedere mede-eigenaar deel in de rechten en draagt bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel. Hieruit volgt dat de deelgenoot die alleen het onverdeeld goed heeft gebruikt en het exclusief genot ervan heeft gehad, een vergoeding verschuldigd is die aan de deelgenoten toekomt en die gelijk is aan de opbrengstwaarde van dit goed.
  8. De vrederechter kan, op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, bij grovelijk plichtsverzuim of bij ernstige verstoring van de verstandhouding tussen partijen, dringende en voorlopige maatregelen bevelen betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en de kinderen. Deze dringende voorlopige maatregelen blijven, niettegenstaande de indiening van een echtscheidingsvordering, uitvoerbaar totdat de rechtbank, of de voorzitter van de rechtbank in kort geding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een beslissing heeft gewezen, tenzij die maatregelen een einde hadden genomen door het verstrijken van de door de vrederechter vastgestelde termijn. De regel in dit verband uitdrukkelijk voorzien door artikel 221, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek, geldt eveneens voor de beslissingen genomen op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek. Bij afwezigheid van een beslissing van de rechtbank, of de voorzitter van de rechtbank in kort geding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, blijft de beschikking van de vrederechter waarin het onderhoud tussen de echtgenoten werd geregeld, verder gelden lopende het echtscheidingsgeding totdat het huwelijk in de persoonlijke verhoudingen tussen de echtgenoten wordt ontbonden. De vrederechter kan ondermeer het gebruik van de gezinswoning aan een der echtgenoten toewijzen als voorlopige maatregel ter uitvoering van de in artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek vervatte hulpverplichting tussen echtgenoten, al dan niet samen met de toekenning van een onderhoudsgeld. Hij kan dit gebruik echter ook louter als een bestuursmaatregel toewijzen zonder verband met de hulpverplichting tussen de echtgenoten.
  9. De opbrengstwaarde die een echtgenoot genoten heeft van een tot de postcommunautaire onverdeeldheid behorend goed, zal moeten aangerekend worden op het aandeel van de gewezen echtgenoot in de netto-vruchten en -inkomsten van de postcommunautaire onverdeeldheid, en zal, in zoverre ze, samen met een eventueel genoten onderhoudsbijdrage, het aandeel van de echtgenoot in de vruchten van de onverdeeldheid niet overtreffen, een voorschot vormen op dit aandeel. In de mate dat, na voornoemde aanrekening, blijkt dat de echtgenoot, lopende het echtscheidingsgeding, meer ontvangen heeft dan zijn aandeel in de netto-vruchten en -inkomsten van de postcommunautaire onverdeeldheid, hebben het alimentair karakter van zowel het onderhoudsgeld als de genotswaarde van het goed, tot gevolg dat geen vergoeding verschuldigd is aan de andere echtgenoot. De in natura, in uitvoering van de hulpplicht, genoten voordelen, zijn, net zoals de onderhoudsbijdrage zelf, niet terugbetaalbaar. De rechter die uitspraak doet over de vereffening verdeling zal moeten nagaan of de onderhoudsrechter - weze het de vrederechter waarvan de op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek genomen beschikking verder uitwerking had lopende het echtscheidingsgeding, weze het de voorzitter in kort geding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek - het gebruik van de gezinswoning aan een echtgenoot toewees als voorlopige maatregel ter uitvoering van de hulpverplichting tussen echtgenoten, dan wel louter als een bestuursmaatregel.
  10. Te dezen behoorde de gezinswoning van partijen tot hun gemeenschappelijk vermogen, en had de eiseres het exclusieve genot ervan sinds de feitelijke scheiding van partijen in februari
  11. De eiseres werd, voorafgaand aan het inleiden van de echtscheidingsprocedure op 29 maart 1996, reeds bij beschikking van de Vrederechter van het tweede kanton Leuven van 18 maart 1991, gewezen op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, gemachtigd tot afzonderlijk verblijf in de echtelijke woonst. Verweerder maakte in het kader van de vereffening en verdeling na echtscheiding aanspraak op een woonstvergoeding sinds het tijdstip van de feitelijke scheiding, m.n. februari 1991, minstens sedert 18 maart 1991, datum van de beschikking van de vrederechter waarbij partijen tot afzonderlijke woonst werden gemachtigd (synthese-beroepsbesluiten verweerder, p. 7, onderaan). Eiseres voerde aan slechts een woonstvergoeding verschuldigd te zijn vanaf het in kracht van gewijsde treden van het echtscheidingsarrest van 27 februari 2001 (beroepsbesluiten de eiseres, p. 5, onderaan en p. 6, onderaan; zie ook arrest p. 10, sub 23). Beide partijen concludeerden over de vraag of het exclusief verblijf van de eiseres in de echtelijke woonst al dan niet als een maatregel ter uitvoering van de hulpverplichting tussen echtgenoten diende te worden beschouwd, dan wel louter als een bestuursmaatregel, steunend op de draagwijdte van de tussen hen gewezen beschikking van de vrederechter van 18 maart
  12. Zij maakten geen melding van enige beschikking gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, na het inleiden van het echtscheidingsgeding, betreffende hun persoon, hun levensonderhoud of hun goederen lopende het echtscheidingsgeding. Volgens de verweerder betrof het door de vrederechter op 18 maart 1991 toegestane exclusief gebruik van de gezinswoning door de eiseres louter een bestuursmaatregel (syntheseberoepsbesluiten verweerder, p. 9, in medio). Naar de eiseres werd het gebruik van de gezinswoning op 18 maart 1991 aan haar toegewezen als voorlopige maatregel ter uitvoering van de hulpverplichting tussen echtgenoten (beroepsbesluiten eiseres, p. 5, onderaan en p. 6). De eiseres benadrukte in conclusie voor de appelrechters in dit verband ondermeer: - dat in het vonnis van de vrederechter van 18 maart 1991 de verweerder ook werd veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsgeld voor de kinderen (totaal 24.000 frank), maar geen persoonlijk onderhoudsgeld diende te betalen aan de eiseres (ibid., p. 5, derde en vierde alinea); - dat de vrederechter in de beschikking van 18 maart 1991 "echter niet uitdrukkelijk (aangaf) of en in welke mate (hij) zijn beslissing om (de eiseres) te machtigen om de gezinswoning op exclusieve wijze te gebruiken, bepaalde ten titel van onderhoudsbijdrage, dan wel bij wijze van (beheers)regeling", hoewel dit onderscheid van belang is om te kunnen uitmaken of zij een woonstvergoeding verschuldigd is (ibid., p. 5, zesde en zevende alinea).; - "(dat) volgens (de eiseres) door de vrederechter geen persoonlijk onderhoudsgeld (werd) toegekend juist omdat haar al het exclusieve gebruik van de gezinswoning werd toegewezen" (ibid., p. 5, voorlaatste alinea); - dat indien men de beslissing van de vrederechter inderdaad zou interprete¬ren als een loutere beheersmaatregel, dit zou betekenen dat niets aan de eiseres werd toegekend door de vrederechter, m.n. geen persoonlijk onderhoudsgeld, en ook geen kosteloos gebruik van de gezinswoning; dat deze interpretatie onhoudbaar is aangezien de eiseres toen werkloos was, zodat haar enig inkomen haar werkloosheidsuitkering betrof, terwijl de verweerder wel werk had en opval¬lend meer inkomsten (ibid., p. 6, bovenaan).
  13. Het bestreden arrest oordeelt dat het het hof (van beroep) "voorkomt" dat het gratis woonstvoordeel in de periode voorafgaand aan de procedure echtscheiding "een component was in natura van de tussen partijen bestaande hulpverplichting voor de duur van het huwelijk". Aldus geeft het te kennen dat het exclusief verblijf van de eiseres in de gezinswoning niet zomaar als een bestuursmaatregel tussen partijen kan worden beschouwd, maar daadwerkelijk een maatregel was ter uitvoering van de hulpverplichting tussen partijen. Het bestreden arrest spreekt niet tegen, of sluit minstens niet uit dat dit exclusief verblijf, zoals door beide partijen aange¬voerd, steunt op de beschikking van de vrederechter van 18 maart
  14. Het bestreden arrest oordeelt niettemin dat de eiseres woonstvergoeding verschuldigd is vanaf het inleiden van de echtscheidingsprocedure, omdat de eiseres vanaf dan, gelet op de retroactieve ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel ingevolge de echtscheiding, als onverdeelde mede-eigenaar het exclusief genot van het goed heeft gehad en hiervoor verantwoording verschuldigd is. Hierbij neemt het de redengeving van de beslissing a quo over, waarin werd overwogen "(dat) niet betwist (wordt) dat (de eiseres) na het instellen van de procedure in echtscheiding in de gezinswoning is blijven wonen en zij geen onderhoudsgeld heeft gevorderd, noch bekomen". Het "niet vorderen" noch "bekomen" van enig onderhoudsgeld na het inleiden van de echtscheidingsprocedure doet evenwel geen afbreuk aan het feit dat het reeds vóór het inleiden van de echtscheidingsprocedure van de vrederechter op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek bekomen verblijf in de echtelijke woonst ter uitvoering van de hulpverplichting tussen echtgenoten, uitwerking behoudt totdat de rechtbank, of de voorzitter van de rechtbank in kort geding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een beslissing heeft gewezen, tenzij die maatregelen een einde hadden genomen door het verstrijken van de door de vrederechter vastgestelde termijn. De hulpverplichting tussen de echtgenoten eindigt pas bij het in kracht van gewijsde gaan van de echtscheidingsbeslissing, en wordt geenszins beïnvloed door het enkele feit dat een echtscheidingsvordering aanhangig wordt gemaakt.
  15. Nu het bestreden arrest

(1)niet uitsluit dat het exclusief verblijf van de eiseres in de gezinswoning, zoals door beide partijen aangevoerd in conclusie, steunt op de beschikking van de vrederechter van 18 maart 1991,
(2)noch uitsluit dat, zoals door de eiseres aangevoerd, uit deze beschikking voortvloeit dat het verblijf als een maatregel ter uitvoerig van de hulpplicht moet worden beschouwd,
(3)noch vaststelt dat deze beschikking van 18 maart 1991 onderworpen was aan een door de vrederechter vastgestelde termijn, en
(4)evenmin vaststelt dat de rechtbank, of de voorzitter van de rechtbank in kort geding op grond van artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een beslissing heeft gewezen betreffende de persoon en de goederen van partijen, en
(5)bovendien aanneemt dat het verblijf in de echtelijke woonst vóór het inleiden van de echtscheidingsprocedure een "component in natura (was) van de tussen partijen bestaande hulpverplichting voor de duur van het huwelijk", kon het, op grond van de enkele vaststellingen en overwegingen die het bevat, niet wettig oordelen dat sinds het inleiden van de echtscheidingsprocedure het verblijf plots geen "component in natura van de tussen partijen bestaande hulpverplichting voor de duur van het huwelijk" meer was, en de eiseres reeds vanaf het inleiden van de echtscheidingprocedure, en niet pas vanaf het definitief worden van de echtscheiding tussen partijen, een woonstvergoeding verschuldigd is. Op grond van de vaststellingen en overwegingen die het bevat sluit het bestreden arrest immers niet of alleszins niet wettig uit dat het verblijf van de eiseres in de gezinswoning, ook na het inleiden van de echtscheidingsprocedure tot aan het in kracht van gewijsde gaan van het echtscheidingsarrest tussen partijen van 27 februari 2001, en zoals door de eiseres in conclusie aangevoerd, een uitvoering was van de hulpverplichting tussen partijen (schending van de artikelen 213, 221, zesde lid, 223, 577-2, en 577-2, §3, van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 1278, eerste en tweede lid, en 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Het kon dienvolgens ook niet wettig de staat van vereffening en verdeling homologeren wat betreft de woonstvergoeding (schending van artikel 1223 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  1. Artikel 221, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de door de vrederechter krachtens dit artikel verleende ontvangstmachtiging, wanneer naderhand een verzoekschrift tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingediend, niettemin uitvoerbaar blijft tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding. Artikel 223, eerste lid, van dit wetboek bepaalt dat, indien een der echtgenoten grovelijk zijn plicht verzuimt, de vrederechter, op verzoek van de andere echtgenoot, dringende voorlopige maatregelen betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en de kinderen beveelt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat hetzelfde geschiedt op verzoek van een der echtgenoten, indien de verstandhouding tussen hen ernstig verstoord is.
  2. Uit de aard en de samenhang van die bepalingen volgt dat de regel van het zesde lid van voormeld artikel 221 ook toepasselijk is op beslissingen van de vrederechter die uitspraak doet in het kader van de hem bij artikel 223 toegekende bevoegdheid, tenzij echter de door de vrederechter bevolen maatregelen een einde hebben genomen door het verstrijken van de door hem vastgestelde tijd. Aldus blijft, wanneer naderhand een verzoekschrift tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt ingediend, een krachtens het eerste en tweede lid van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek bevolen maatregel van toekenning van het uitsluitend genot van de gezinswoning aan een van de echtgenoten gelden tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding, in zoverre de bevolen maatregel nog niet is vervallen door het verstrijken van de door de vrederechter bepaalde duur ervan.
  3. De krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, opgelegde maatregel van uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn opgelegd als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk of als loutere bestuursmaatregel.
  4. Wordt het uitsluitend genot van de gezinswoning toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten, dan is er, naargelang hetgeen waarmee de vrederechter heeft rekening gehouden, aanleiding tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en wordt, in het geval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre aangezien als een voorschot op dit aandeel.
  5. Krachtens artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, werkt het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. Door de ontbinding van het huwelijksstelsel ontstaat tussen de partijen een postcommunautaire onverdeeldheid, die de goederen bevat die aanwezig waren op het ogenblik waarop de ontbinding van het huwelijk tussen de echtgenoten terugwerkt, evenals de vruchten die deze goederen nadien hebben opgebracht. Krachtens artikel 577-2, §3, van het Burgerlijk Wetboek, heeft de mede-eigenaar deel in de rechten en draagt hij bij in de lasten van de eigendom naar verhouding van zijn aandeel. Hieruit volgt dat de deelgenoot die alleen het genot van een onverdeeld goed heeft gehad, voor dit uitsluitend genot aan de deelgenoten een vergoeding verschuldigd is.
  6. Uit het voorgaande volgt dat de gevolgen van de krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek toegekende maatregel van uitsluitend genot van de gezinswoning aan een van de echtgenoten, die ook blijft gelden na het inleiden van de echtscheiding tot aan de beslissing van de rechtbank of van de voorzitter van de rechtbank in kort geding en nog niet is vervallen door het verstrijken van de door de vrederechter bepaalde duur ervan, verschillend zijn naargelang die maatregel bestaat als uitvoering van de alimentatieverplichting in natura dan wel als loutere bestuursmaatregel. De aard van de maatregel verandert evenwel niet door de enkele omstandigheid van het inleiden van de eis tot echtscheiding.
  7. Het arrest oordeelt dat de toekenning door de vrederechter, ten titel van dringende en voorlopige maatregel, van het genot van de gezinswoning aan de eiseres voor de periode voorafgaand aan de procedure echtscheiding, een component was in natura van de tussen de partijen bestaande hulpverplichting voor de duur van het huwelijk. Het arrest kon voor het genot van de gezinswoning dat de eiseres op grond van diezelfde maatregel van de vrederechter na het inleiden van de echtscheiding bleef hebben, dan ook niet meer zonder meer een woonstvergoeding toekennen aan de verweerder, maar hoogstens overgaan tot een verrekening, zoals in randnummer 4 gesteld. Het arrest dat na voormelde vaststelling aan de verweerder zonder meer een woonstvergoeding toekent voor het genot van de gezinswoning door de eiseres na het inleiden van de echtscheiding, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet over de toekenning van een woonstvergoeding in de vereffening en verdeling en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix E. Waûters R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090518.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090518.3 geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2018:ARR.20181002.12 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161124.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120202.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.