id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.2 Rolnummer: C.08.0318.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een dading afgesloten door de ouder of de ouders van een minderjarig kind, zonder voorafgaande machtiging van de rechtbank, kan nietig worden verklaard; de nietigheid van dergelijke dading is evenwel relatief en de dading afgesloten zonder de vereiste machtiging kan bevestigd worden door het meerderjarig geworden kind
(1)Art. 378 juncto 467 B.W., art. 378 zoals opnieuw ingevoegd bij wet van 31 maart 1987, art. 45, en vóór vervanging bij wet van 29 april 2001, art. 12, en art. 467, voor zijn opheffing bij wet van 29 april 2001, art. 13. Thesaurus CAS: DADING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Dading Vrije woorden: Minderjarigheid - Bevoegdheid om namens een minderjarige een dading aan te gaan - Ontbreken van voorafgaande machtiging van de rechtbank - Sanctie Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 378 en 467 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0318.N AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen H. A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 16 oktober 2007 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 378 juncto 467 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht op 20 februari 1997, zijnde artikel 378 zoals opnieuw opgenomen bij artikel 45 van de wet van 31 maart 1987 en vóór de vervanging bij artikel 12 van de wet van 29 april 2001 en artikel 467 vóór het werd opgeheven bij artikel 13 van de wet van 29 april 2001; - de artikelen 1120 juncto 6, 1108 en 1128 en artikel 1125 van hetzelfde wetboek. Aangevochten beslissingen De aangevochten beslissing verklaart het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk doch ongegrond. Zij bevestigt het vonnis a quo dat de eis van de eiseres in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk doch ongegrond verklaarde. Deze eis strekte tot de veroordeling van de verweerder tot het vrijwaren van de eiseres voor elke veroordeling die ten laste van de eiseres zou worden uitgesproken ten verzoeke van de heer M.H.. De bestreden beslissing steunt op de volgende motivering: "Als verzekeraar van de aansprakelijke voor het ongeval waarbij M.H. gewond geraakte, keerde (de eiseres) op 20 februari 1997 een bedrag van 40.000 frank (991,57 euro) uit aan (de verweerder), de vader van de toen nog minderjarige M. . (De verweerder) en (de eiseres) ondertekenden een dadingsovereenkomst, waarin werd gesteld dat met deze som op vast overeengekomen wijze definitief en transactioneel alle gevolgen van het ongeval, waarbij M.H. gewonde geraakte, worden vergoed, inzonderheid de stoffelijke en morele, bekende en onbekende, huidige en toekomstige, voorziene en onvoorzienbare schade. In de laatste paragraaf van de dadingsovereenkomst is bepaald: ‘In zoverre de partij anderzijds handelt als wettige beheerder of als voogd verbindt zij zich de vergoeding toekomende aan de minderjarige(
- n)te beheren, hiervoor de volledige en uitsluitende verantwoordelijkheid te nemen ter algehele ontlasting van de maatschappij en zich sterk te maken zo nodig deze overeenkomst na de meerderjarigheid te doen bekrachtigen'. (De eiseres) steunt haar oorspronkelijke vordering tegen (de verweerder), in vrijwaring van haar veroordeling t.o.v. de heer M.H., op die clausule van sterkmaking. Vooreerst rijst de vraag of de dadingsovereenkomst, waarin de clausule van sterkmaking is opgenomen, geldig is. (De verweerder) voert aan dat de dading nietig is omdat dit geen handeling is die de ouders zonder gerechtelijke machtiging mogen stellen. De geldigheid van de overeenkomst dient beoordeelt te worden op grond van de op het ogenblik van het totstandkomen ervan, in casu op 20 februari 1997, toepasselijke wet. Krachtens het toepasselijke artikel 378 van het Burgerlijk Wetboek (ingevoegd door de wet van 31 maart 1987, B.S. 27 mei 1987, vóór het werd vervangen bij wet van 29 april 2001), is, voor de ouders die goederen van het kind beheren, machtiging van de rechtbank vereist om de handelingen te verrichten waarvoor de voogd machtiging van de familieraad en homologatie door de rechtbank van eerste aanleg moet verzoeken. Krachtens artikel 467 van het Burgerlijk Wetboek (zoals het bestond vóór het werd vervangen bij wet van 29 april 2001) mag de voogd in naam van de minderjarige geen dadingen aangaan dan nadat hij daartoe door de familieraad is gemachtigd en op gunstig advies van drie rechtsgeleerden, aangewezen door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg. De dading is slechts geldig voor zover zij gehomologeerd wordt door de rechtbank van eerste aanleg, de procureur des Konings gehoord. Er was dus voor de ouders van M.H. machtiging van de rechtbank vereist om een dading aan te gaan. De dading die (verweerder) heeft aangegaan, zonder machtiging van de rechtbank, is derhalve nietig. Een andere vraag is wat de gevolgen zijn van de nietigheid van de dadingsovereenkomst voor de clausule van sterkmaking. (De eiseres) voert aan dat de nietigheid van de dading niet belet dat er wel een geldige sterkmaking was voor de latere ratificatie door M.H., wanneer die meerderjarig zou worden. (De verweerder) voert aan dat de vordering in vrijwaring ongegrond is omdat de dadingsovereenkomst nietig is, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen de nietigheid van de dadingsovereenkomst en van de sterkmakingsclausule. De clausule van sterkmaking en de dading zelf zijn onlosmakelijk verbonden. Het voorwerp van de sterkmaking is immers precies de bekrachtiging van de dadingsovereenkomst, door M.H.. Aangezien de dadingsovereenkomst nietig is, kon M.H. ze bij zijn meerderjarigheid uiteraard ook niet bekrachtigen. De nietigheid van de dadingsovereenkomst houdt dus ook de nietigheid in van de daarin bedongen sterkmaking. De eis van (de eiseres) gesteund op de nietige dadingsovereenkomst en de daarin bedongen sterkmaking, is derhalve ongegrond". Grieven 1. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 378 juncto 467 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van kracht op 20 februari 1997, zijnde artikel 378 zoals opnieuw opgenomen bij artikel 45 van de wet van 31 maart 1987 en vóór de vervanging bij artikel 12 van de wet van 29 april 2001 en artikel 467 vóór het werd opgeheven bij artikel 13 van de wet van 29 april 2001, is voor de ouders die goederen van het kind beheren machtiging van de rechtbank van eerste aanleg vereist om in naam van de minderjarige dadingen aan te gaan. Deze wetsbepalingen, zoals van kracht op het ogenblik van het tot stand komen van de litigieuze dading van 20 februari 1997, beogen de bescherming van de minderjarige, te dezen de toen nog minderjarige zoon van de verweerder, M.H.. Artikel 1125 van het Burgerlijk Wetboek, dat te dezen toepasselijk is, luidt als volgt: "Minderjarigen en onbekwaamverklaarden kunnen slechts in de bij de wet bepaalde gevallen tegen hun verbintenissen opkomen op grond van onbekwaamheid. Personen die bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan, kunnen zich niet beroepen op de onbekwaamheid van de minderjarige of de onbekwaamverklaarde, met wie zij een contract hebben aangegaan". Uit al het voorgaande volgt dat enkel de beschermde persoon, in casu de heer M.H. of tijdens zijn minderjarigheid zijn wettelijke vertegenwoordiger, zich kon beroepen op de nietigheid van de litigieuze dading, die werd afgesloten door verweerder zonder machtiging van de rechtbank. Het betreft hier met andere woorden een relatieve nietigheid. Dit brengt met zich mee dat de heer M.H. bij het verdwijnen van de bescherming, dit wil zeggen bij zijn meerderjarigheid, de dading had kunnen bevestigen, in tegenstelling tot wat het appelgerecht te dezen onwettig beslist (schending artikel 378 juncto 467, in voormelde versie, en 1125 van het Burgerlijk Wetboek). De beslissing dat de litigieuze dading nietig is, doet aan het voorgaande geen afbreuk nu deze werd gewezen nadat de heer M.H. meerderjarig was geworden. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat deze reeds vóór de inleiding van onderhavige procedure meerderjarig was (niet-bestreden tussenvonnis van het appelgerecht van 10 november 2005, p. 3, 4de en 3de laatste alinea; "Conclusie in hoger beroep" van de verweerder van 24 oktober 2005, p. 4, alinea 1; "Beroepsconclusie" van de eiseres van 13 juli 2006, p. 2, nr. II, al. 5). De in het middel bestreden overweging dat "Aangezien de dadingsovereenkomst nietig is, kon M.H. ze bij zijn meerderjarigheid ook niet bekrachtigen", schendt dus de artikelen 378 juncto 467, zoals van kracht op 20 februari 1997, zijnde artikel 378 zoals opnieuw opgenomen bij artikel 45 van de wet van 31 maart 1987 en voor de vervanging bij artikel 12 van de wet van 29 april 2001 en artikel 467 vóór het werd opgeheven bij artikel 13 van de wet van 29 april 2001, en 1125 van het Burgerlijk Wetboek. De bestreden beslissing dat de nietigheid van de dadingsovereenkomst dus ook de nietigheid van de daarin bedongen sterkmaking inhoudt en dat de vordering van eiseres derhalve ongegrond is, steunt op voormelde onwettige overweging en is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 378 juncto 467, zoals van kracht op 20 februari 1997, zijnde artikel 378 zoals opnieuw opgenomen bij artikel 45 van de wet van 31 maart 1987 en vóór de vervanging bij artikel 12 van de wet van 29 april 2001 en artikel 467 vóór het werd opgeheven bij artikel 13 van de wet van 29 april 2001, en artikel 1125 van het Burgerlijk Wetboek). 2. Uit de overwegingen van het bestreden vonnis blijkt dat te dezen het voorwerp van de sterkmaking erin bestond zo nodig de litigieuze dading na de meerderjarigheid te doen bekrachtigen door de heer M.H.. Vermits zoals hierboven gesteld, de heer M.H. bij zijn meerderjarigheid de dading had kunnen bevestigen, was het voorwerp van de litigieuze sterkmaking geoorloofd, zoals vereist bij artikel 1120 juncto 6, 1108 en 1128 van het Burgerlijk Wetboek. Door anders te beslissen met name dat de nietigheid van de dadingsovereenkomst dus ook de nietigheid van de daarin bedongen sterkmaking inhoudt en dat de vordering van eiseres derhalve ongegrond is, schendt de bestreden beslissing bijgevolg de artikelen 1120 juncto 6, 1108 en 1128 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Een dading afgesloten door de ouder of de ouders van een minderjarig kind, zonder voorafgaande machtiging van de rechtbank zoals bepaald in de toen vigerende artikelen 378 en 467 van het Burgerlijk Wetboek, kan nietig verklaard worden. 2. De nietigheid van dergelijke dading is evenwel relatief en de dading afgesloten zonder de vereiste machtiging kan bevestigd worden door het meerderjarig geworden kind. 3. De appelrechters oordelen dat de litigieuze dading nietig is en dat M.H. ze bij zijn meerderjarigheid niet kon bekrachtigen. 4. Zij schenden aldus de artikelen 378 juncto 467 van het Burgerlijk Wetboek, zoals te dezen toepasselijk. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120503.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div