id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.3 Rolnummer: C.08.0300.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-07-03 02:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die taal zijn gesteld
(1); hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia; de rechtsspreuk 'nul ne plaide par procureur' is een algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking die in een groot aantal landen van de Europese Unie deel uitmaakt van de rechtstaal van die landen
(2).
(1)Cass., 21 sept. 2007, AR C.05.0498.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070921.3, A.C., 2007, nr 424.
(2)Zie Cass., 16 maart 2007, AR C.06.0067.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.3, A.C., 2007, nr
- Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Burgerlijke zaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Appelakte - Rechtstaal - Algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking of adagium - Rechtsspreuk 'Nul ne plaide par procureur' Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 2, 24 en 40 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Annotaties Publicaties: R.W. - LINDEMANS - 2009-2010/16 - p. 671-674 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0300.N M. R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- FORTIS INSURANCE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53,
- RONSTREET PROPERTIES, besloten vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3542 AD Utrecht (Nederland), Reactorweg 101,
- COMMOR, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Lakenweversstraat 40,
- ESPRIT EUROPE HOLDING, besloten vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1105 BJ Amsterdam-Zuid Oost (Nederland), Paasheuvelweg 22 A, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 januari 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 24 en 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 28 januari 2008 zegt het Hof van Beroep te Antwerpen voor recht dat het verzoekschrift tot hoger beroep van de eiser, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 16 januari 2006, nietig is wegens strijdigheid met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en verwijst hem in de kosten. Deze beslissing is gesteund op vol¬gende overwegingen: "Taalwetgeving Ter zitting van 30 oktober 2007 heeft het (hof van beroep) de partijen attent gemaakt op een mogelijke schending van de taalwet (wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken) in het verzoekschrift tot hoger beroep. De partijen hebben hierover standpunt ingenomen op voornoemde zitting. Het verzoekschrift tot hoger beroep van 16 januari 2006 maakt op bladzijde 6 melding van een Franstalig adagium. Deze aanhaling is geschied zonder vertaling van het adagium en zonder de weergave van de zakelijke inhoud van die bepaling in het Nederlands, de taal van de rechtspleging. De artikelen 2, 24 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepalen, wat volgt: Artikel 2: ‘Voor de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel van eerste aanleg, en de arbeidsrechtbanken die hun zetel hebben in de provincies Ant¬werpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg en in het arrondissement Leuven, wordt de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd'. Artikel 24 van dezelfde wet luidt: ‘Voor al de rechtscolleges in hoger beroep wordt, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is geveld'. Artikel 41, al. 1 van steeds dezelfde wet voegt daaraan toe: ‘Vorenstaande regels zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Deze wordt van ambtswege door de rechter uitgesproken'. Uit de hierboven geciteerde wetsbepalingen volgt dat de akte van hoger beroep, een akte van rechtspleging, diende te worden opgesteld in de taal van rechtspleging, zijnde het Nederlands. Het staat vast dat de procedure die heeft geleid tot het bestreden vonnis, werd gevoerd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waar de gehele rechtspleging in het Nederlands dient gevoerd te worden. Het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit (hof van beroep) op 16 januari 2006 moest derhalve in de Nederlandse taal worden opgesteld. Dat laatste is terzake niet het geval. De Franstalige tekst maakt deel uit van het verzoekschrift, zodat dit verzoekschrift tot hoger beroep de voormelde wetsbepalingen miskent en daarom nietig is. (...) De vordering in gedwongen tussenkomst tot gemeenverklaring van M. is toelaatbaar en gegrond. Kosten (...) M. wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Het staat de partijen vrij te handelen overeenkomstig artikel 1021, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek". Grieven Naar luid van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het ge¬bruik der talen in gerechtszaken wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld, hetzij, in onderhavige zaak overeenkomstig artikel 2 van voornoemde wet in het Nederlands, zulks blijkens artikel 40, eerste lid, van deze wet op straffe van nietigheid. Uit voorgaande bepalingen volgt dat de beroepsakte die wordt neergelegd in een geschil, waarin door de rechter in eerste aanleg een vonnis in het Nederlands werd gesteld, zelf in het Nederlands zal moeten worden ge¬steld. Aan de eentaligheid van de akte wordt weliswaar geen afbreuk gedaan wanneer in deze akte gewag wordt gemaakt van een adagium of rechtsspreuk, zelfs zo de oorsprong van dat adagium of die rechtsspreuk te¬ruggaat op een andere taal, zoals het Latijn of het Frans. Een adagium of rechtsspreuk is immers per definitie een in die bewoordingen in het recht algemeen gekende en aanvaarde term, die gebruikt wordt om een bepaalde gewoonterechtelijke regel dan wel een bepaald rechtsbeginsel kernachtig uit te drukken. De vermelding van een dergelijk adagium doet ingevolge dat algemeen gekend en aanvaard karakter dan ook geen afbreuk aan de eentalig¬heid van de akte. Te dezen blijkt dat de eiser op pagina 6 van zijn beroepsakte tot driemaal toe gewag maakte van het adagium "Nul ne plaide par Procureur", waarvan door de eerste rechter uitdrukkelijk toepassing werd gemaakt in het beroepen vonnis. Dit adagium werd telkens in de tekst aangehaald in cursief en tussen aanhalingstekens geplaatst. Voornoemd adagium is een in het recht algemeen gekende en aanvaarde term die op kernachtige wijze een gewoonterechtelijke regel uitdrukt, te weten de regel dat het in principe verboden is dat de materiële pro¬cespartij aan de tegenstrever onbekend blijft. Bij toepassing van dat adagium, dat ook door partij Fortis expliciet werd aangehaald in haar syntheseconclusie op pagina's 20 en 21, evenals door partij WE Vastgoed op pagina's 5 en 6 van haar syntheseconclusie, had de eerste rechter eerder op vraag van de partijen WE Vastgoed en Fortis de dagvaardingsexploten van 17 februari 2004, 18 februari 2004, 20 oktober 2003 en 22 oktober 2003 nietig verklaard. De eiser voerde in zijn beroepsakte meer bepaald bij wijze van grief aan dat dit adagium niet belet dat een vordering zou worden ingeleid door "de lasthebber van een naamlening zonder bedrog" en de beslissing van de eerste rechter dan ook diende te worden hervormd. De aanhaling in de beroepsakte van voornoemd adagium, dat een in het recht algemeen gekende en aanvaarde term is en waarvan bovendien door de eerste rechter in het beroepen vonnis uitdrukkelijk toepassing werd gemaakt, vermocht dan ook geenszins afbreuk te doen aan de eentaligheid van de akte. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat het verzoekschrift tot hoger beroep nietig is omdat het een "Franstalig adagium" bevat, daar waar het bedoelde adagium een in het recht algemeen erkende en aanvaarde term is, die ook in het Nederlands wordt gebruikt om de hierboven aangehaalde regel ker¬nachtig uit te drukken, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 2, 24 en 40, eerste lid van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hierna Taalwet gerechtszaken, wordt voor de burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg die hun zetel hebben in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg en in het arrondissement Leuven de gehele rechtspleging in betwiste zaken in het Nederlands gevoerd. Voor al de rechtscolleges in hoger beroep wordt voor de rechtspleging, krachtens artikel 24 van de Taalwet gerechtszaken, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld. Krachtens artikel 40, eerste lid, van dezelfde wet, is die regel voorgeschreven op straffe van nietigheid en wordt deze van ambtswege door de rechter uitgesproken.
- Een akte wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle voor de regelmatigheid ervan vereiste vermeldingen in die taal zijn gesteld. Hieraan doet niet af het gebruik van in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukkingen of adagia.
- De rechtsspreuk "nul ne plaide par procureur" is een algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking die in een groot aantal landen van de Europese Unie deel uitmaakt van de rechtstaal van die landen.
- Het arrest stelt vast dat de appelakte melding maakt van voormelde uitdrukking, zonder vertaling ervan en zonder de weergave van de zakelijke inhoud van die aanhaling in het Nederlands en besluit tot de nietigheid van de appelakte op die grondslag.
- Door aldus te oordelen schendt het arrest de in het middel aangevoerde wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 22 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090522.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120105.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210129.1N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070921.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190111.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div