← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:A

§ 2

, van de Herstelwet van 31 juli 1984, juncto artikel 1,

  1. c)van het in Ministerrraad overlegd koninklijk besluit van 12 februari 1981, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zodat het Hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, § 1,3° en § 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof verplicht is de vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Bijdragen - Bijzondere bijdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Sociale zekerheid - Solidariteitsbijdrage - Herstelwet 10 februari 1981 - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 31-07-1984 - Art. 29 Annotaties Publicaties: Revue critique de jurisprudence belge [R.C.J.B.] - DE ROY, David; Note "Etablissements publics, organismes d'intérêt public et tutti quanti: la qualification juridique des satellites de l'administration" - 2013, n° 1, p. 5-97. Tekst van de beslissing Nr. S.08.0093.N ABC, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met kantoor te 2050 Antwerpen 5, Reinaartlaan 8, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont en mr. Paul Alain Foriers, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 47, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 september 2007 op verwijzing gewezen door het Arbeidshof te Gent. Gelet op de arresten van het Hof van 22 maart 1999 en 9 januari 2006. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1, §1, §2 en §3, c, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector (hierna: "de Herstelwet van 10 februari 1981"); - voor zoveel als nodig, de artikelen 1, 9, §2 en §3, en 24 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest oordeelt dat de eiseres een instelling van openbaar nut uitmaakt in de zin van artikel 1, §3,
  2. c)van de Herstelwet van 10 februari 1981, verklaart vervolgens het hoger beroep van de eiseres ongegrond en bevestigt, deels op andere gronden, het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 januari 1990 dat de oorspronkelijke vordering van de verweerster gegrond had verklaard en vervolgens de eiseres had veroordeeld tot betaling aan de verweerder van de gevorderde solidariteitsbijdragen. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: "Artikel 1, §1, van de Herstelwet bepaalt (...) Artikel 1, §2, verstaat onder personeelslid, (...) Artikel 1, §3, verstaat onder overheid onder meer (...) ‘De Herstelwet verwijst niet naar de wet van 16 maart 1954 om zijn toepassing te beperken tot "sommige" instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 van toepassing is, noch naar enig toepassingsgebied van een andere regelgeving. Dat (de eiseres) werd opgericht als een coöperatieve vennootschap (privaatrechtelijke vennootschap) met onder meer privé-personen als aandeelhouders is niet essentieel voor de toepassing van de Herstelwet en dat (de eiseres) geen beslissingen kan nemen die derden binden kan tot gevolg hebben dat zij niet kan beschouwd worden als een administratieve overheid doch is geen indicatie dat zij geen instelling van openbaar nut is waarop de Herstelwet van toepassing is. De toepassing van de Herstelwet is evenmin beperkt tot de instellingen van openbaar nut beheerst door de wet van 27 juni 1921 waarnaar (de eiseres) verwijst. Essentieel is dat (de eiseres) een erkende huisvestingsmaatschappij is, in artikel 24, van de wet van 16 maart 1954 aan controle onderworpen, en belast met een taak van algemeen belang, van openbaar nut. ln het verslag aan de Koning betreffende het KB nr. 88, van 11 november 1967 tot wijziging en aanvulling van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen tot openbaar nut (BS 14 november 1967) werd verduidelijkt dat de door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting erkende maatschappijen gezien hun groot aantal niet onderworpen werden aan de toepassing van het geheel der bepalingen van de wet van 16 maart 1954. De regering vond het nochtans noodzakelijk in de wet sommige bijzondere bepalingen in te voegen ten behoeve van de controle van die maatschappijen. In zijn advies over het ontwerp van het KB omschreef de Raad van State om welke redenen de door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting erkende maatschappijen, wel degelijk instellingen van openbaar nut zijn. ‘Die maatschappijen zijn belast met het vervullen van een opdracht van algemeen nut die door de wet is bepaald. De wet van 7 december 1953, gewijzigd bij de wet van 27 juni 1956, noemt ze trouwens ‘bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen'. Ze kunnen maar opgericht worden en werken dan nadat ze door de openbare machten zijn erkend. Hun geldmiddelen betrekken zij in hoofdzaak uit leningen die hun door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting en door de Nationale Maatschappij voor de kleine landeigendom worden toegestaan. Zij krijgen die leningen tegen een rentevoet die merkelijk lager ligt dan die welke de Staat voor zijn eigen leningen betaalt. Van die maatschappijen wordt met het oog op hun erkenning geëist dat de activa in geval van ontbinding na aanzuivering van de passiva en terugbetaling van het kapitaal wordt afgedragen aan een andere erkende maatschappij of aan de Nationale Maatschappij waaronder de betrokken maatschappij ressorteert'(....). Het personeel van (de eiseres) was in de betwiste periode in principe onderworpen aan de Herstelwet tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector van 10 februari 1981" (arrest, pp. 9-10). Grieven Bij de Herstelwet van 10 februari 1981 werd een solidariteitsbijdrage ingevoerd vanwege de personeelsleden van de openbare sector en titularissen van politieke en openbare mandaten ten aanzien van hen die hun betrekking hebben verloren of die geen betrekking vinden. Bij artikel 1, van deze wet, werd het toepassingsgebied van deze wet als volgt omschreven: Artikel 1, §1: ‘De bepalingen van deze wet zijn toepasselijk op de personeelsleden en titularissen van één of meer politieke of openbare mandaten rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijke persoon'. Artikel 1, §2: "In de zin van deze wet wordt verstaan onder: personeelslid: het vaste, stagedoende, tijdelijk of hulppersoneelslid, zelfs aangeworven bij arbeidsovereenkomst, door de Staat of door één van de overheden bedoeld bij §3 bezoldigd" (...). Artikel 1, §3: (....) "Onder overheid en dienst wordt verstaan: (...)
  3. c)de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen" De wetgever beoogde aldus een solidariteit tot stand te brengen tussen de personeelsleden van de openbare sector die vastheid van betrekking hebben enerzijds en zij die hun betrekking verloren hebben, of er geen vinden, anderzijds. Om onder het toepassingsgebied van de wet te vallen dient men derhalve te behoren tot de "openbare sector" zoals bij de Herstelwet omschreven, waarbij de bewijslast terzake op de verweerder berust. De eiseres is een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en behoort als privaatrechtelijke vennootschap in de regel niet tot de openbare sector. Zoals de eiseres in conclusie had aangevoerd, zonder op dit punt te zijn tegengesproken door de verweerder, werd zij opgericht als coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en is 89,57 pct. van haar kapitaal in privé handen ("zoals blijkt uit stuk 11, zijnde de lijst van de aandeelhouders op datum van 7 maart 1991 (waaruit blijkt dat het aandeel van de openbare instellingen minimaal is en dat het kapitaal hoofdzakelijk werd aangebracht door private huurders) met werknemers die in het gehele toepassingsgebied van R.S.Z. vallen"), zodat zij "haar privaatrechtelijk karakter (blijft) behouden" (conclusie de eiseres na arrest van het Hof van Cassatie van 9 januari 2006, p. 5). De oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen is het resultaat van een privé initiatief en sluit in beginsel de prerogatieven van openbaar gezag uit; privaatrechtelijke rechtspersonen maken in de regel geen deel uit van het openbaar gezag en het bestuur van het land. Artikel 1, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut somt in artikel 1 de organismen op waarop deze wet van toepassing is. De eiseres komt in deze opsomming niet voor. Krachtens artikel 24, van diezelfde wet, wordt weliswaar op de door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting en de Nationale Landmaatschappij erkende maatschappijen (waaronder de eiseres) een controle uitgeoefend door toedoen van een commissaris, benoemd door de minister of de ministers onder wie de Nationale Maatschappij ressorteert. Krachtens artikel 9, §2, van diezelfde wet, woont de regeringscommissaris, met raadgevende stem, de vergaderingen van de beheers- en controleorganen bij en beschikt hij voor het vervullen van zijn opdracht over de ruimste macht. Binnen een termijn van vier vrije dagen kan hij beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, de statuten of met het algemeen belang strijdig acht (artikel 9, §3). Het loutere gegeven dat aldus door een overheidsinstantie een beperkte controle wordt uitgeoefend op de werking van een erkende landmaatschappij laat niet toe te besluiten dat deze privaatrechtelijke rechtspersoon een publiekrechtelijk karakter heeft gekregen. Dat de eiseres een taak "van algemeen belang" vervult is evenmin van aard om te doen besluiten dat zij als privaatrechtrechtelijke rechtspersoon haar privaatrechtelijke aard heeft verloren, daar ook privaatrechtelijke (rechts)personen een taak van algemeen belang kunnen vervullen en de Staat of zijn onderdelen niet het monopolie hebben van het algemeen belang of het beheer ervan. Het gegeven dat de eiseres werd erkend door de overheid maakt haar evenmin tot een "instelling van openbaar nut" daar een dergelijke erkenning enkel inhoudt dat een particuliere rechtspersoon onder bepaalde wettelijke en reglementaire voorwaarden mag meewerken aan of betrokken is bij een taak van algemeen belang, zonder dat zulks aan die rechtspersoon haar privaatrechtelijk karakter ontneemt. Het bestreden arrest vermocht derhalve niet wettig te oordelen dat de eiseres een "instelling van openbaar nut" uitmaakt in de zin van artikel 1, §3,
  4. c)van de Herstelwet op grond van de overwegingen dat zij als erkende huisvestingsmaatschappij aan controle is onderworpen en belast is met een taak van algemeen belang, nu de eiseres een privaatrechtelijke rechtspersoon is en noch haar erkenning, noch de controle krachtens de artikelen 9, §2 en §3, en 24 van de wet van 16 maart 1954, noch het gegeven dat zij een taak uitoefent die "van algemeen belang" is, tot gevolg heeft dat zij haar privaatrechtelijk karakter heeft verloren en onder de openbare sector valt waarop de Herstelwet van 10 februari 1981 van toepassing is (schending van alle in dit middel geviseerde wetsbepalingen). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11, van de Grondwet; - artikel 1, §1, §2, §3,
  5. c)en §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981; - artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, houdende uitvoering van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, zoals bekrachtigd bij artikel 29, §

§2, 1°, van de Herstelwet van 31 juli 1984.

Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest oordeelt dat het personeel van de eiseres niet is vrijgesteld van de betaling van de solidariteitsbijdragen, verklaart vervolgens het hoger beroep van de eiseres ongegrond en bevestigt, deels op andere gronden, het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 22 januari 1990 dat de oorspronkelijke vordering van de verweerster gegrond had verklaard en vervolgens de eiseres had veroordeeld tot betaling aan de verweerder van de gevorderde solidariteitsbijdragen. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: "(De eiseres) kan echter niet gevolgd worden waar zij voorhoudt te kunnen genieten van de uitsluiting van artikel 1, §6, van de Herstelwet, als een door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting erkende vennootschap die in het (eerste) uitvoeringsbesluit (KB) van 12 februari 1981 voor haar contractueel personeel dat aan alle takken van de sociale zekerheid is onderworpen, uitgesloten werd van de toepassing van de Herstelwet. Zoals het Hof van Cassatie overwoog in zijn arrest van 8 september 1986 (...) zijn de personeelsleden van zoals in casu instellingen van openbaar nut slechts beschouwd als geen vastheid van betrekking hebbende, en vallen derhalve niet onder de toepassing van de Herstelwet, die welke door een in de ministerraad overlegd besluit worden aangewezen. Het KB van 12 februari 1981 waarnaar (de eiseres) verwijst vermeldt de personeelsleden van (de eiseres) niet" (arrest, pp. 10-11). (...) "Het feit verbonden te zijn door een opzegbare arbeidsovereenkomst is aldus geen argument om uitgesloten te worden van de toepassing van de Herstelwet. Daar waar artikel 1, §6, van de Herstelwet, de bepalingen niet van toepassing verklaart op personeelsleden die geen vastheid van betrekking genieten, behoort het - in voorkomend geval voor zover de onwettige uitvoeringsbesluiten buiten toepassing zouden moeten gelaten worden - aan diegene die zich op de uitsluiting beroept, daarvan het bewijs te leveren. (...). (De eiseres) bewijst echter niet dat haar personeel zowel in de betwiste periode als nadien geen vastheid van betrekking genoot of geniet" (arrest, p. 12). Grieven De beginselen van gelijkheid en non-discriminatie zoals onder meer vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten niet uit dat een onderscheid in behandeling wordt gemaakt tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover het criterium van onderscheid op een objectieve en redelijke grondslag berust; het bestaan van een dergelijke grondslag moet worden beoordeeld met inachtneming van het doel en de gevolgen van de bekritiseerde maatregel alsook van de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel wordt miskend wanneer er geen redelijk evenredig verband bestaat tussen de aangewende middelen en de nagestreefde doeleinden en personen die zich in dezelfde rechtstoestand bevinden verschillend worden behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke grond voorhanden is. Door het heffen van een solidariteitsbijdrage beoogde de Herstelwet van 10 februari 1981, een solidariteit tot stand te brengen tussen het overheidspersoneel, voorzover dat vastheid van betrekking heeft, enerzijds en zij die geen betrekking hebben of hun betrekking verloren hebben anderzijds. Waar bij artikel 1, §2 en §3, van deze Herstelwet, wordt bepaald wat begrepen moet worden onder respectievelijk "personeelslid" (§2) en "overheid en dienst" (§3), stelt artikel 1, §6, van dezelfde wet, uitdrukkelijk dat personeelsleden die geen vastheid van betrekking hebben van de toepassing van de wet worden uitgesloten en dat de Koning die categorieën van vrijgestelde personeelsleden vaststelt. Zoals ook door het arrest wordt vastgesteld is "het feit verbonden te zijn door een opzegbare arbeidsovereenkomst (...) aldus geen argument om uitgesloten te worden van de toepassing van de Herstelwet" (arrest, p. 12). Krachtens artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, wordt het "contractueel personeel" van "instellingen van openbaar nut als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, beschouwd als personeel dat "geen vastheid van betrekking heeft" en bijgevolg, krachtens artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, niet onderworpen is aan de bij deze wet opgelegde solidariteitsbijdrage. Deze uitvoeringsbepaling van voornoemd artikel 1, §6, werd retroactief bekrachtigd bij artikel 29, §1, van de Herstelwet van 31 juli 1984; zodat sindsdien een wettelijke grondslag voorhanden is voor de regel dat enkel de bij koninklijk besluit gedefinieerde categorieën van personeelsleden beschouwd worden als "geen vastheid van betrekking hebbende" in de zin van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981. Het arrest leest artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, zoals bekrachtigd bij artikel 29, §1, van de Herstelwet van 31 juli 1984, in die zin dat alleen de contractuele personeelsleden van de "instellingen van openbaar nut als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut" vrijgesteld zijn van de solidariteitsbijdrage, terwijl de contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbare nut van die vrijstelling niet genieten. Dit onderscheid is niet objectief verantwoord, nu het in beide gevallen gaat om "contractuele personeelsleden" en zij derhalve van eenzelfde vorm van "vastheid van betrekking" genieten, ongeacht of zij tewerkgesteld zijn door een instelling van openbaar nut zoals bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, dan wel enige andere instelling van openbaar nut. In zoverre de wetgever alle personeelsleden (artikel 1, §2) van overheden, zoals "instellingen van openbaar nut" (artikel 1, §3, c)) beoogde te onderworpen aan deze bijdrage, tenzij zij geen vastheid van betrekking hadden, is er geen objectief criterium voorhanden op grond waarvan men kan aanvaarden dat de "contractuele personeelsleden" van "sommige instellingen van openbaar nut" van die vrijstelling genieten, terwijl diezelfde "contractuele personeelsleden" van andere instellingen van openbaar nut daarvan niet genieten. In zoverre het arrest, in de uitlegging die het geeft van de artikelen 1, §1, §2, §3, c) en §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, iuncto artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, zoals bij artikel 29, §

§2

, 1°, van de Herstelwet van 31 juli 1984, bekrachtigd, een toepassing maakt van een wetsbepaling die strijdig is met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, evenals van de artikelen 1, §1, §2, §3, c), en §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, iuncto artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, zoals bij artikel 29, §

§2, 1°, van de Herstelwet van 31 juli 1984, bekrachtigd).

In zoverre het arrest oordeelt dat de eiseres niet aantoont dat zij de discriminatie niet bewijst omdat zij "niet bewijst dat haar personeel zowel in de betwiste periode als nadien geen vastheid van betrekking genoot of geniet", schendt het de artikelen 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 en 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, zoals bij wet bekrachtigd, in de mate dat het vervuld zijn van de voorwaarde van "geen vastheid van betrekking" in de zin van artikel 1, §6, enkel afhangt van de vraag of een koninklijk besluit de geviseerde personeelscategorie als dusdanig heeft bestempeld en eiseres er derhalve mee kon volstaan te laten gelden dat haar "bij contract aangeworven personeelsleden" dezelfde "vastheid van betrekking" ontberen als de "bij contract aangeworven personeelsleden van de instellingen van openbaar nut als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, en er bijgevolg geen wettige grondslag voorhanden was om haar het voordeel van de vrijstelling te ontzeggen. Minstens verzoekt de eiseres het Hof aan het Constitutioneel Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen: Schendt artikel 29, §

§2

, van de Herstelwet van 31 juli 1984, en bijgevolg de bij deze wet bekrachtigde bepaling van artikel 1, c), van het koninklijk besluit van 12 februari 1981, houdende uitvoering van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sektor, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre krachtens deze bepalingen enkel de contractuele personeelsleden van instellingen van openbaar nut "als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut" beschouwd worden als geen vastheid van betrekking hebbende in de zin van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, en derhalve niet onderworpen te zijn aan de betaling van een solidariteitsbijdrage krachtens de Herstelwet van 10 februari 1981, terwijl de contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut dan deze "als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut" niet beschouwd worden als geen vastheid van betrekking hebbende in de zin van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, en derhalve wel de solidariteitsbijdrage verschuldigd zijn? III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel

  1. Artikel 1, §1, van de Herstelwet van 10 februari 1981, tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, bepaalt dat de bepalingen van deze wet toepasselijk zijn op personeelsleden en titularissen van één of meer politieke of openbare mandaten rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Rijksbegroting of van een publiekrechtelijke persoon. Artikel 1, §2, van dezelfde wet, bepaalt dat onder personeelslid wordt verstaan, het vast, stagedoend, tijdelijk of hulppersoneelslid, zelfs aangeworven bij arbeidsovereenkomst, door de Staat of door één van de overheden bedoeld bij §3 bezoldigd. Artikel 1, §3, van dezelfde wet, somt de overheden en diensten op, waaronder de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen.
  2. De Herstelwet van 10 februari 1981 bevat geen opsomming van instellingen die voor de toepassing van deze wet beschouwd moeten worden als instellingen van openbaar nut of openbare instellingen. Evenmin verwijst deze wet naar regelgeving waarin een dergelijke opsomming is opgenomen. De omstandigheid dat een organisme niet voorkomt in de lijst vermeld in artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, sluit niet uit dat zij voor de toepassing van de Herstelwet als een instelling van openbaar nut of openbare instelling kan worden beschouwd.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de eiseres een sociale huisvestingsmaatschappij is, in de vorm van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die erkend werd door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij.
  4. Een organisme opgericht als privaatrechtelijke vennootschap kan als een instelling van openbaar nut of openbare instelling worden beschouwd in de zin van artikel 1, §3, c), van de voormelde Herstelwet, wanneer, ondanks haar private rechtsvorm, aan voldoende criteria is voldaan om haar als zodanig te beschouwen. Daarbij kunnen onder meer in acht worden genomen de uitdrukkelijke kwalificatie door de regelgever, de nagestreefde doelstelling van algemeen belang, de oprichting of erkenning door de overheid, de eenzijdig verbindende beslissingsbevoegdheid en het voorhanden zijn van een geëigende vorm van toezicht door de overheid, zonder dat aan al deze criteria dient te zijn voldaan.
  5. De appelrechters oordelen dat: - de omstandigheid dat de eiseres opgericht werd als een privaatrechtelijke vennootschap met onder meer privé-personen als aandeelhouders, niet essentieel is voor de toepassing van de Herstelwet en dat het feit dat de eiseres geen beslissingen kan nemen die derden binden, geen indicatie is dat zij geen instelling van openbaar nut is waarop de Herstelwet van toepassing is; - essentieel is dat de eiseres een erkende huisvestingsmaatschappij is, die belast is met een taak van algemeen belang en onderworpen is aan controle overeenkomstig artikel 24 van de wet van 16 maart 1954, betreffende controle op sommige instellingen van openbaar nut. De appelrechters stellen vast dat het verslag aan de Koning betreffende het koninklijk besluit nr. 88 tot wijziging en aanvulling van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut verduidelijkt dat de wetgever het niet wenselijk vond de door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Maatschappij voor de Kleine Landeigendom erkende maatschappijen aan de toepassing van het geheel van de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 te onderwerpen, wegens het grote aantal van deze maatschappijen, maar het wel noodzakelijk vond in de wet sommige bijzondere bepalingen betreffende de controle van die maatschappijen in te voegen en dat de Raad van State in zijn advies over het ontwerp van het voormelde koninklijk besluit de erkende huisvestingsmaatschappijen als instellingen van openbaar nut omschreef, onder meer omdat zij belast zijn met het vervullen van een opdracht van algemeen nut die door de wet is bepaald en zij maar opgericht kunnen worden en kunnen werken nadat ze door de openbare machten zijn erkend.
  6. Op grond van deze vaststellingen en overwegingen oordelen de appelrechters, zonder schending van de in het middel aangevoerde wettelijke bepalingen, dat de eiseres een instelling van openbaar nut is in de zin van artikel 1, §3, c), van de Herstelwet van 10 februari 1981, zodat het personeel van de eiseres in de betwiste periode in principe onderworpen is aan die wet. Het middel kan niet aangenomen worden. Tweede middel Ontvankelijkheid
  7. De verweerder werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat de bestreden beslissing verantwoord blijft door een zelfstandige, niet bekritiseerde reden dat de eiseres niet bewijst dat haar personeelsleden geen vastheid van betrekking hebben.
  8. Anders dan de grond van niet-ontvankelijkheid aanvoert, bekritiseert het middel wel de bedoelde reden door aan te voeren: - de Koning bepaalt de categorieën van de personeelsleden die van de solidariteitsbijdrage zijn vrijgesteld; - zoals ook door het arrest wordt vastgesteld, is het feit verbonden te zijn door een opzegbare arbeidsovereenkomst, geen argument om uitgesloten te worden van de toepassing van de Herstelwet van 10 februari 1981; - sinds de uitlegging van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 door artikel 29, §1, van de Herstelwet van 31 juli 1984, is er een wettelijke grondslag voorhanden voor de regel dat enkel de bij koninklijk besluit gedefinieerde categorieën van personeelsleden beschouwd worden als "geen vastheid van betrekking hebbende" in de zin van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari
  9. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Middel
  10. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen, rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, zijn de bepalingen van die Herstelwet niet van toepassing op de personeelsleden die geen vastheid van betrekking hebben en stelt de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de categorieën vast waarop die wet niet van toepassing is.
  11. Artikel 29, §1, van de Herstelwet van 31 juli 1984 legt dit artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 in die zin uit dat onder de door de wet bedoelde categorieën van personeel, slechts beschouwd worden als "geen vastheid van betrekking hebbende", degenen die door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden aangewezen.
  12. Artikel 1 van het in Ministerraad overlegd koninklijk besluit van 12 februari 1981 houdende uitvoering van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981, bepaalt de categorieën van personen die voor de toepassing van artikel 1, §6, geen vastheid van betrekking hebben. Volgens sub littera c) van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 februari 1981 worden onder die categorieën onder meer de bij contract aangeworven personeelsleden, tewerkgesteld in de instellingen van openbaar nut bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, opgenomen. Onder de uitzonderingen op de opgelegde solidariteitsbijdrage, vermeld in dit artikel 1, in het bijzonder sub littera c), zijn de personeelsleden van de andere instellingen van openbaar nut dan die bedoeld in artikel 1, A en B van de wet van 16 maart 1954, niet opgenomen.
  13. Artikel 29, §2, van de Herstelwet van 31 juli 1984 bekrachtigt, met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding, het voormelde koninklijk besluit van 12 februari
  14. Het feit dat artikel 29 van de Herstelwet van 31 juli 1984 het koninklijk besluit van 12 februari 1981 bekrachtigt in zoverre dit laatste alleen voor de bij contract aangeworven personeelsleden die zijn tewerkgesteld in de instellingen van openbaar nut bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 een uitzondering maakt op de bij de Herstelwet van 10 februari 1981 bepaalde solidariteitsbijdrage, maar niet voor de bij contract aangeworven personeelsleden die zijn tewerkgesteld in de andere instellingen naar openbaar nut, doet de vraag rijzen naar de bestaanbaarheid van artikel 29, §

§2

, van de Herstelwet van 31 juli 1984, juncto artikel 1, c) van het in Ministerraad overlegd koninklijk besluit van 12 februari 1981, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 14. Het Grondwettelijk Hof doet overeenkomstig artikel 26, §1, 3°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bij arrest uitspraak over de vragen omtrent de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Krachtens artikel 26, §2, van die Bijzondere Wet, is het Hof verplicht de vraag te stellen die in het dictum van dit arrest is geformuleerd en waar ook door de eiseres om wordt verzocht. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: " Schendt artikel 29, §

§2

, van de Herstelwet van 31 juli 1984, juncto artikel 1 c) van het koninklijk besluit van 12 februari 1981 houdende uitvoering van artikel 1, §6, van de Herstelwet van 10 februari 1981 tot invoering van een solidariteitsbijdrage ten laste van de personen rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd door de openbare sector, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het: - eensdeels, enkel de contractuele personeelsleden van de instellingen van openbaar nut "als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut" aanwijst als zijnde zonder vastheid van betrekking in de zin van artikel 1, §6, van de voormelde Herstelwet van 10 februari 1981 en derhalve als niet onderworpen aan de solidariteitsbijdrage in de zin van de Herstelwet van 10 februari 1981; - anderdeels, de contractuele personeelsleden van alle andere instellingen van openbaar nut dan deze "als bedoeld bij artikel 1, A en B, van de wet van de voormelde wet van 16 maart 1954" niet aanwijst als zijnde zonder vastheid van betrekking in de zin van artikel 1, §6, van de voormelde Herstelwet van 10 februari 1981 en derhalve als wel onderworpen aan de solidariteitsbijdrage bepaald in die Herstelwet van 10 februari 1981." Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090525.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.