← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.4 Rolnummer: P.09.0066.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-06-12 Raadplegingen: 674 - laatst gezien 2026-07-02 23:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het onderzoeksgerecht moet de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling slechts onderzoeken wanneer de strafvordering uitsluitend door die stelling is ingesteld of wanneer alleen de burgerlijke partij die zelf de strafvordering niet op gang heeft gebracht, hoger beroep instelt tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling; in dat laatste geval is de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de burgerlijke partij, waardoor de strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt wordt, afhankelijk van de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling; wanneer het hoger beroep is ingesteld door de inverdenkinggestelde en de strafvordering op gang gebracht is door een vordering van het openbaar ministerie terwijl de burgerlijke partij zich slechts nadien bij de procedure heeft gevoegd, vertoont de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling geen belang voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering die onafhankelijk van die stelling bestaat en in dat geval moet de kamer van inbeschuldigingstelling de ontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij niet onderzoeken

(1).
(1)Zie Cass., 21 dec. 1993, AR P.93.1353.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931221.14, A.C., 1993, nr 539; Cass., 8 okt. 2002, AR P.02.0419.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8, A.C., 2002, nr
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Onderzoeksgerecht - Onderzoek van de ontvankelijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke partijstelling - Onderzoek van de ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0066.N I
  2. W M A C V D B, inverdenkinggestelde,
  3. G M-C V, inverdenkinggestelde, eisers. II W G C V, inverdenkingestelde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge. III V V nv, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, alle eisers tegen B vzw, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 december
  4. De eisers I voeren geen middel aan. In afzonderlijke memories, die aan dit arrest zijn gehecht, voeren de eisers II en III elk twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres I.2
  5. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is daar deze voor de raadkamer geen conclusie heeft genomen als bedoeld in artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering. Deze beslissing is geen eindbeslissing en doet geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 63, 129, 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Straf-vordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het de ontvankelijkheid van de bur-gerlijke partijstelling van de verweerster niet moet beoordelen; ook wanneer de strafvordering niet uitsluitend door de burgerlijke partijstelling is ingesteld moet het onderzoeksgerecht de ontvankelijkheid van die stelling onderzoeken.
  7. Het onderzoeksgerecht moet de ontvankelijkheid van de burgerlijke partij-stelling slechts onderzoeken wanneer de strafvordering uitsluitend door die stel-ling is ingesteld of wanneer alleen de burgerlijke partij die zelf de strafvordering niet op gang heeft gebracht, hoger beroep instelt tegen een beschikking van bui-tenvervolgingstelling. Immers, in dat laatste geval is de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de burgerlijke partij, waardoor de strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt wordt, afhankelijk van de ontvan-kelijkheid van de burgerlijke partijstelling.
  8. Wanneer het hoger beroep is ingesteld door de inverdenkinggestelde en de strafvordering op gang gebracht is door een vordering van het openbaar ministerie terwijl de burgerlijke partij zich slechts nadien bij de procedure heeft gevoegd, vertoont de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling geen belang voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering die onafhankelijk van die stelling bestaat. In dat geval moet de kamer van inbeschuldigingstelling de ontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij niet onderzoeken. Het onderdeel dat het tegenovergestelde aanvoert, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, 135 en 223 Wet-boek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers verweer niet over de niet-ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerster.
  10. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de beroepen be-schikking en van de vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest dat het de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling niet moet beoordelen wanneer de strafvordering niet uitsluitend door die burgerlijke partijstelling is op gang gebracht. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser II
  11. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvor-dering alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eer-biediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zoals voor de onderzoeksgerechten vastgesteld in de artikelen 127, 135, § 3, 223, 235bis, §§ 3 en 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers hoger beroep niet ge-grond maar beantwoordt niet zijn verweer dat de zaak niet in staat is daar hij niet in verdenking is gesteld.
  12. Met eigen redenen en met overname van de redenen van de beroepen be-schikking en van de vordering van het openbaar ministerie oordeelt het arrest dat de procureur des Konings in zijn eindvordering nog andere feiten kan opnemen en aan de raadkamer onderwerpen, waarvoor nooit een gerechtelijk onderzoek werd gevorderd maar eigenlijk wel door de onderzoeksrechter werden behandeld of die uit het dossier blijken. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiseres III Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering, de artikelen 63, 129, 130, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oor-deelt ten onrechte dat het de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de verweerster niet moet beoordelen; ook wanneer de strafvordering niet uitslui-tend door de burgerlijke partijstelling is ingesteld moet het onderzoeksgerecht de ontvankelijkheid van die stelling onderzoeken. Het onderdeel heeft dezelfde draagwijdte als het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser II. Om dezelfde redenen faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Straf-vordering alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zoals voor de onderzoeksgerechten vastgesteld in de artikelen 127, 135, § 3, 223, 235bis, §§ 3 en 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de burgerlijke par-tij-stelling van de verweerster ontvankelijk is maar beantwoordt eisers verweer niet over de redenen waarom die stelling niet ontvankelijk is.
  15. Het arrest oordeelt dat het niet te oordelen heeft over de ontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij die tijdens het gerechtelijk onderzoek na het instellen van de strafvordering plaatsvond. Aldus beantwoordt het arrest het be-doelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  16. Voor het overige komt het onderdeel op tegen een overtollige overweging van het arrest dat de burgerlijke partijstelling ontvankelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet leiden tot cassatie en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres III
  17. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvor-dering alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eer-biediging van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zoals voor de onderzoeksgerechten vastgesteld in de artikelen 127, 135, § 3, 223 en 235bis, §§ 3 en 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eiseres hoger beroep niet gegrond maar beantwoordt het verweer van de eiser II niet dat de zaak niet in staat is daar deze eiser niet in verdenking is gesteld.
  18. De in verdenkingstelling als bedoeld in artikel 61bis Wetboek van Strafvor-dering betreft de persoonlijke toestand van een inverdenkinggestelde tijdens het gerechtelijk onderzoek en de regeling van de rechtspleging. De eiseres heeft er geen belang bij aan te voeren dat een medeverdachte inverden-kinggestelde door de onderzoeksrechter niet in verdenking gesteld is. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  19. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 173,28 euro, waarvan op elk cassatieberoep 57,76 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 26 mei 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt P. Maffei L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090526.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931221.14 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.