id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3 Rolnummer: C.06.0377.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 718 - laatst gezien 2026-07-02 23:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het bevel tot staking van vastgestelde inbreuken op de Wet Handelspraktijken moet op een duidelijk omschreven daad slaan, maar moet daarbij ook van aard zijn om een herhaling van een verboden prakrijk te vermijden; het bevel tot staking dat betrekking heeft op producten, moet niet noodzakelijk soort en merk waarop het bevel slaat omschrijven, wanneer die gegevens zonder determinerend belang waren voor de vaststelling van de verboden praktijk
(1).
(1)Zie Cass., 17 juni 2005, AR C.04.0274.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.14, A.C., 2005, nr.
- Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Toepassing en bestraffing Vrije woorden: Bevel tot staking - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - Art. 95 - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.06.0377.N CORA, naamloze vennootschap, met zetel te 6040 Jumet, Zoning Industriel, Quatrième rue, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ETABLISSEMENTS FRANZ COLRUYT, naamloze vennootschap, met zetel te 1500 Halle, Edingenstraat 196, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 23.1°, 93 en 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC); - artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 30 juni 1996 betreffende de prijsaanduiding van producten en diensten en de bestelbon; - de artikelen 1385bis en 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen
- Het bestreden arrest verklaart de tegenvordering van verweerster gegrond.
- Stelt dienvolgens vast dat (de eiseres) een inbreuk pleegt op artikel 2 WHPC door voor voedings-en drogistereij, hygiëne- en parfumerieproducten prijzen aan te duiden in haar winkels die lager zijn dan de werkelijk door de consument voor deze producten te betalen prijzen, en door voor deze producten verschillende prijzen en kortingen te vermelden in haar reclamefolders, het uiteinde van de rekken in haar winkels en de rekken zelf in haar winkels; - stelt vast dat (de eiseres) een inbreuk pleegt op artikel 2 WHPC, alsook op artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 30 juni 1996 (betreffende de prijsaanduiding van producten en diensten en de bestelbon) juncto artikel 93 WHPC door geen prijzen aan te duiden voor voedingsproducten in haar winkels; - stelt vast dat (de eiseres) een inbreuk pleegt op artikel 23, 1°, WHPC door voor voedings- en drogisterij-, hygiëne- en parfumerieproducten prijzen aan te duiden in haar winkels die lager zijn dan de werkelijk door de consumenten te betalen prijzen; - beveelt de staking van elk van deze inbreuken onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 euro per inbreuk vastgesteld na de betekening van dit arrest, met een maximum van 300.000,00 euro aan verbeurde dwangsommen; - stelt vast dat (de eiseres) een inbreuk pleegt op artikel 23, 1°, WHPC door reclame te maken voor voedings- en drogisterij-, hygiëne- en parfumerieproducten die niet in dezelfde conditionering en niet voor dezelfde prijs te vinden zijn in haar winkels als aangekondigd in haar reclame; - stelt vast dat (de eiseres) een inbreuk pleegt op artikel 23, 1°, WHPC door kortingen voor drogisterij-, hygiëne- en parfumerieproducten aan te kondigen die zij in de praktijk niet steeds toekent; - beveelt de staking van elk van deze inbreuken onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 euro per editie van een inbreuk makende folder of andere advertentiedrager, ongeacht het aantal exemplaren, van 2.500,00 euro per individuele affiche en per dag, van 50.000,00 euro per publicatie op een website, en van 10.000,00 euro per individuele radio of tv-spot, die een inbreuk inhoudt op het stakingsbevel, vastgesteld na de betekening van dit arrest.
- Naar aanleiding van het door de eiseres ingeroepen verweer dat de formulering van de stakingsbevelen beperkt diende te worden tot de producten waarvoor een inbreuk werd vastgesteld bij gerechtsdeurwaarderexploot en dat daarbij dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de hoge dwangsommen want ‘de facto zou bijna elke inbreuk op de wet handelspraktijken met betrekking tot eender welk product aanleiding geven tot een dwangsom' en ‘zulke dwangsommen maken het voor (de eiseres) onmogelijk handel te drijven', overweegt het bestreden arrest (p. 10): "- Terecht werpt de (de verweerster) tegen dat een stakingsbevel niet beperkt moet blijven tot de inbreuk zoals die zich in concreto voordeed. In voorliggend geval gaat het om een inbreuk makende praktijk inzake prijsaanduiding en om misleidende reclame zodat deze door het stakingsbevel moet worden verboden". "Het stakingsbevel beperken tot welbepaalde producten waarvan een inbreuk werd vastgesteld, zou elk nut aan het bevel ontnemen (...): - De dwangsom moet ertoe bijdragen dat (de eiseres) het stakingsbevel naleeft. Het bedrag ervan moet voldoende hoog zijn om te vermijden dat (de eiseres) van oordeel zou zijn dat de verbeurte van de gevorderde dwangsommen een kleiner nadeel oplevert dat het voordeel dat zij zou kunnen realiseren door de bepalingen van de WHPC met de voeten te treden. - Anderzijds mag de geloofwaardigheid van het systeem van de dwangsom niet worden ondermijnd". Grieven
- De rechter die een bevel tot staking uitspreekt op grond van artikel 95 WHPC mag dit niet - zoals in het aangevochten arrest ten onrechte is geschied - zo algemeen formuleren dat het neerkomt op een herhaling van een wettelijk verbod. Het bevel tot staking van een daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van de WHPC moet op een duidelijk omschreven daad slaan. Indien deze daad betrekking heeft op producten moeten deze naar soort en merk duidelijk omschreven zijn: het bevel tot staking dient alle kenmerkende gegevens te vermelden.
- Van een nauwkeurige aanduiding van de daad die het voorwerp uitmaakt van een bevel tot staking in de zin van artikel 95 WHPC is des te meer vereist nu dergelijke daden ook te goeder trouw kunnen gesteld zijn en het bevel tot staking gekoppeld is aan het opleggen van belangrijke dwangsommen "per inbreuk". Het opleggen van dwangsommen overeenkomstig de artikelen 1385bis en 1385ter Gerechtelijk Wetboek vereist inderdaad dat de gevallen waarin ze verschuldigd zijn, dit is het voorwerp van het bevel tot staking, nauwkeurig is afgebakend en gepreciseerd.
- Door het voorwerp van de stakingsbevelen niet nauwkeurig te bepalen en de opgelegde bevelen tot staking geenszins te beperken tot de specifieke producten waaromtrent, zij het te goeder trouw begane, inbreuken op de WHPC, meer bepaald op de voorschriften inzake prijs (artikel 2 WHPC) en reclame (artikel 23, 1°, WHPC), werden vastgesteld, en dit onder verbeurte van dwangsommen doch deze bevelen (met de bijkomende dwangsommen) op algemene wijze te formuleren en uit te breiden tot alle niet nader bepaalde "voedings- en drogisterij-, en hygiëne- en parfumerieproducten", heeft het bestreden arrest, in strijd met de bovenvermelde (sub 1 en 2) principes, een onverantwoord ruime en algemene omvang toegekend aan de opgelegde stakingsbevelen met dwangsommen. Aldus heeft het arrest alle in het middel ingeroepen wetsbepalingen en in het bijzonder de artikelen 95WHPC en 1385bis en 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 95 van de Wet Handelspraktijken bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel het bestaan vaststelt en de staking beveelt van een daad die een inbreuk op de bepalingen van die wet uitmaakt. Het bevel tot staking moet op een duidelijk omschreven daad slaan. Het moet daarbij ook van aard zijn om een herhaling van een verboden praktijk te vermijden.
- De inbreuk begaan door de koopman zal, ook al werd ze gepleegd met betrekking tot producten van een bepaald merk en een bepaalde soort, niet noodzakelijk beperkt zijn tot wel geïdentificeerde merkproducten van een bepaalde soort. Merk en soort kunnen weinig significant zijn voor het wezen van de onrechtmatige praktijk die in de toekomst moet worden vermeden. Hieruit volgt dat het bevel tot staking dat betrekking heeft op producten, niet noodzakelijk soort en merk waarop het bevel slaat moet omschrijven, wanneer die gegevens zonder determinerend belang waren voor de vaststelling van de verboden praktijk.
- Het middel voert aan dat indien de verboden daad betrekking heeft op producten, deze naar soort en merk duidelijk omschreven moeten zijn. Het middel dat aldus een vereiste toevoegt aan artikel 95 van de Wet Handelspraktijken, faalt in zoverre naar recht.
- Het middel is voor het overige afgeleid uit de onjuiste uitlegging van artikel 95 van de Wet Handelspraktijken. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 651,26 euro jegens de eisende partij en op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 29 mei 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190329.3 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211007.1N.1 ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230904.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050617.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130614.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div