id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090602.8 Rolnummer: P.09.0071.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 604 - laatst gezien 2026-07-02 23:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 6 Het wettigheidbeginsel in strafzaken, dat vereist dat de strafwet wordt geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is, wordt niet miskend enkel doordat op het ogenblik van de uitspraak een latere wet de strafwet onnauwkeurig heeft geherformuleerd
(1)Zie: Cass., 25 nov. 1997, AR P.96.1187.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.9, A.C., 1997, nr 504; Cass., 15 juni 2004, AR P.04.0358.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.15, A.C., 2004, nr 324; Cass., 9 nov. 2004, AR P.04.0849.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13, A.C., 2004, nr
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Wettigheidsbeginsel - Strafzaken - Strafwet - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Artikel 15 - Wettigheidsbeginsel - Strafzaken - Strafwet - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Wettigheidsbeginsel - Strafzaken - Strafwet - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Wettigheidsbeginsel - Strafzaken - Strafwet - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Strafzaken - Strafwet - Wettigheidsbeginsel - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit Vrije woorden: Wettigheidsbeginsel - Vereiste - Latere strafwet die de op een geval van toepassing zijnde strafwet onnauwkeurig herformuleert Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 7.1 Wet - 15-05-1981 - Art. 15.1 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0071.N. I
- D bvba, beklaagde,
- D E nv, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Bruno Van Dorpe, advocaat bij de balie van Kortrijk. II A E M D, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Antoine Van Eeckhout, advocaat bij de balie te Kortrijk, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Veerle Van Nimmen, advocaat bij de balie te Kortrijk, beide cassatieberoepen tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9, eiser tot herstel, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 december
- De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, dezelfde drie mid-delen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 146, derde lid, Stedenbouwde-creet 1999: het instandhouden in landschappelijk waardevol agrarisch landbouw-gebied is, anders dan voordien, sinds de inwerkingtreding van artikel 146, derde en vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 geen misdrijf meer; dergelijk gebied is immers nooit een kwetsbaar gebied geweest.
- Het begrip landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt omschreven in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp¬gewestplannen en gewestplannen. Krachtens artikel 15 van dit koninklijk besluit is het begrip "landschappelijk waardevolle gebieden" een nadere aanwijzing binnen de categorie "landelijke gebieden". Het betreft bij-gevolg niet noodzakelijk agrarische gebieden, al heeft die aanwijzing wel vooral betrekking op agrarische gebieden. Dit artikel 15 omschrijft "landschappelijk waardevolle gebieden" als "gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangege-ven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen". Het landschappelijk waardevolle heeft bijgevolg betrekking op de schoonheids-waarde van het landschap. Een vergunningsaanvraag wordt niet alleen getoetst aan een planologisch criterium (de bestemming) maar ook aan een esthetisch cri-terium: kunnen de beoogde handelingen en werken worden overeengebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap. De voorwaarden die in een landschap-pelijk waardevol agrarisch gebied kunnen worden opgelegd, mogen niet van die aard zijn dat handelingen of werken die overeenstemmen met de agrarische be-stemming, rechtstreeks of onrechtstreeks zouden worden verboden. De voorwaar-den kunnen wel betrekking hebben op landschapsinkleding, gebruikte materialen, bouwhoogte, bouwvolume en plaats van inplanting. Aldus blijkt dat het statuut van landschappelijk waardevol agrarisch gebied essen-tieel wordt bepaald door de bestemming agrarisch gebied. Het karakter van land-schappelijk waardevol gebied betreft de uitvoeringswijze van de werken. Vanuit dat oogpunt valt te begrijpen dat voor de toepassing van de regels inzake zonevreemde constructies geen onderscheid wordt gemaakt tussen gewone agrari-sche gebieden en landschappelijk waardevolle gebieden.
- In artikel 146, derde en vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 gaat het even-wel niet om het vergunnen van zonevreemde constructies in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, maar om het wel of niet verder strafbaar stellen van werken, handelingen of wijzigingen die zonder vergunning of in strijd met de ver-gunning worden in stand gehouden en waardoor de schoonheidswaarde van het landschap wordt aangetast. Indien men het landschappelijk waardevol agrarisch gebied vergelijkt met de bij-zondere bestemmingsgebieden "agrarisch gebied met ecologisch belang" of "val-lei- en brongebieden", valt het op dat voor die laatste gebieden beperkingen inza-ke werken en handelingen worden opgelegd, niet alleen met het oog op het speci-fiek natuurlijk milieu van planten en dieren maar ook om de landschappelijke waarde niet te schaden. Voor de opsomming van artikel 146, vierde lid, Steden-bouwdecreet 1999 is de bescherming van het specifiek natuurlijk milieu aldus niet het enige criterium. Voor de bescherming en handhaving van de schoonheids-waarde van het landschap komt ook het landschappelijk waardevol agrarisch ge-bied onder de noemer "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in aanmerking.
- Het decreet van 22 april 2005 wijzigt artikel 145, § 1, vierde lid, Steden-bouwdecreet 1999 door de "agrarische gebieden met bijzondere waarde" te schrappen uit de lijst van de in deze bepaling gegeven opsomming van ruimtelijk kwetsbare gebieden. Deze schrapping steunt op de door de rechtspraak gegeven interpretatie van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat ook het land-schappelijk waardevol agrarisch gebied als "agrarisch gebied met bijzondere waarde" moet worden beschouwd. De decreetgever heeft daarbij beklemtoond dat de "verduidelijkende wijziging" in artikel 145bis Stedenbouwdecreet 1999 geen uitstaans heeft met het begrip ruimtelijk kwetsbare gebieden in artikel 146 Ste-denbouwdecreet 1999 welke gebieden in het kader van de handhaving afzonder-lijk moeten worden beschouwd. Bijgevolg is de interpretatie van het begrip "ruim-telijk kwetsbaar gebied" in artikel 145bis Stedenbouwdecreet 1999 voortaan evenmin nuttig voor het gelijkluidend begrip in artikel 146, vierde lid, Steden-bouwdecreet
- Het middel dat stelt dat de handelingen en werken die gelegen zijn in land-schappelijk waardevol agrarisch gebied, niet gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet, in ver-band gelezen met artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: de interpretatie dat landschappelijk waardevol agrarisch gebied te aanzien is als "kwetsbaar gebied" in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet 1999 zodat ook na de wetswijziging bij decreet van 4 juni 2003 de instandhouding van de wederrechtelijke handelingen, werken of wijzi-gingen in dergelijk gebied krachtens artikel 146, derde lid, van vermeld decreet verder strafbaar blijft, voldoet niet aan de vereisten van nauwkeurigheid, duide-lijkheid en voorspelbaarheid waaraan strafwetten moeten voldoen; het middel ver-zoekt om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Het wettigheidsbeginsel in strafzaken vereist dat de strafwet wordt geformu-leerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het wettig-heidsbeginsel wordt evenwel niet miskend enkel doordat op het ogenblik van de uitspraak een latere wet de strafwet onnauwkeurig heeft geherformuleerd.
- De appelrechters oordelen: "Vooreerst moet worden opgemerkt dat het te last gelegde in stand houden betrekking heeft op periodes die niet verder gaan dan 5 mei 2003, waarin de bepalingen [van artikel 7] van het decreet van 2 juni 2003 [houdende opheffing van de strafbaarheid van de instandhouding, behou-dens in ruimtelijk kwetsbare gebieden] vanzelfsprekend niet van kracht waren en het in stand houden strafbaar was afgezien van het gebied waarin de werken wa-ren gelegen. De [eisers] konden zich ten tijde van de te last gelegde instandhou-ding terdege rekenschap geven van het strafbaar karakter ervan."
- Uit die motivering blijkt dat de aangevoerde miskenning van het wettig-heidsbeginsel enkel de toepassing betreft van een latere wet; zij is irrelevant voor de toepassing van de strafwet zoals die bestond ten tijde dat de eisers de hen ten laste gestelde feiten van instandhouding pleegden. Die motivering die niet wordt bekritiseerd, volstaat om de bewezenverklaring van de telastlegging van instandhouding te verantwoorden. Het middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden, en is niet ontvankelijk.
- De niet-ontvankelijkheid is niet ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Deze vraag hoeft dan ook niet te worden gesteld. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en/of 13 Grondwet "al dan niet in samenlezing met het algemeen rechtsbeginsel dat het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep waarborgt" en met artikel 6 EVRM, alsook van de artikelen 149 en 150 Stedenbouwdecreet 1999: instandhouding is niet strafbaar omdat het als misdrijf onverenigbaar is met de latere beoordeling van het herstel door de rechter en het recht van de beklaagde om daaromtrent verweer te voeren; de decreetgever kan de toegang tot de rechter die hij zelf heeft gecreëerd, niet verbieden en strafbaar stellen; de instandhouding in afwachting van een mo-gelijk herstel door aanpassingswerken of meerwaardevergoeding maakt op zich geen misdrijf uit omdat deze wettelijke mogelijkheden zinloos zouden zijn en ontdaan van hun oogmerk indien inmiddels de instandhouding strafrechterlijk verboden zou zijn; wie zich wettelijk in regel kan stellen mits aan de voorwaarden (aanpassingswerken, meerwaarde) te beantwoorden, kan niet worden gestraft wanneer hij van die mogelijkheid gebruik maakt, wat impliceert dat hij de werken inmiddels in stand houdt.
- De omstandigheid dat met het oog op te bevelen aanpassingswerken of het bepalen van een meerwaardesom een gedeeltelijk of zelfs volledig behoud van de illegale werken in het vooruitzicht kan worden gesteld, doet niets af van de weder-rechtelijkheid van de gedraging die erin bestaat zonder vergunning die toestand te behouden tot wanneer het herstel ervan door de rechter wordt bevolen. Het door de strafrechter te bevelen herstel betreft niet de bestaanbaarheid van het stedenbouwmisdrijf maar enkel het voortbestaan van de gevolgen ervan. Bij het bevelen van aanpassingswerken of het betalen van de meerwaardesom zijn de we-derrechtelijk uitgevoerde werken pas door het uitvoeren van die bevolen maatre-gel te rechtvaardigen en te behouden, hetgeen een voorafgaande beëindiging van de wederrechtelijk gecreëerde toestand zonder rechterlijke tussenkomst en een be-straffing bij niet-beëindiging ervan niet verhindert. Het bestraffen van het instan-houdingsmisdrijf kan bijgevolg de rechter niet beletten om het gevorderde herstel te bevelen noch de beklaagde om daaromtrent verweer te voeren. Het middel faalt naar recht.
- De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat uit van de juridisch onjuiste stelling dat het bestraffen van de instandhouding onverenig-baar is met het beoordelingsvermogen van de rechter om het herstel te bevelen en met het recht op verweer van de beklaagde. Ze hoeft niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten in het geheel op 168,48 euro waarvan op elk cassatieberoep 84,24 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 2 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen K. Mestdagh L. Van hoogenbemt E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090602.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971125.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040615.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041109.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div