id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:
Art. 22Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art.
8 Wet - 15-05-1981 - Art. 17.1 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 495 en 496 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Organisatie balie GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Orde - Orde Vlaamse balies GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 Vrije woorden: Privé-leven - Advocaat - Kandidaat-stagiair - Orde van Vlaamse Balies - Stagereglement - Verklaring over straf- en tuchtonderzoeken - Inmenging - Invloed Wettelijke bepalingen:
Art. 22Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art.
8 Wet - 15-05-1981 - Art. 17.1 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 495 en 496 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Organisatie balie GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Orde - Orde Vlaamse balies GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 Vrije woorden: Advocaat - Kandidaat-stagiair - Orde van Vlaamse Balies - Stagereglement - Verklaring over straf- en tuchtonderzoeken - Privé-leven - Inmenging - Invloed Wettelijke bepalingen:
Art. 22Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art.
8 Wet - 15-05-1981 - Art. 17.1 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 495 en 496 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Organisatie balie GERECHTELIJK RECHT - BALIE - Orde - Orde Vlaamse balies GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 Vrije woorden: Artikel 17.1 - Privé-leven - Advocaat - Kandidaat-stagiair - Orde van Vlaamse Balies - Stagereglement - Verklaring over straf- en tuchtonderzoeken - Inmenging - Invloed Wettelijke bepalingen:
Art. 22Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art.
8 Wet - 15-05-1981 - Art. 17.1 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 495 en 496 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0384.N
- NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE BRUSSEL, met zetel te 1000 Brussel, Justitiepaleis, Poelaertplein, vertegenwoordigd door zijn stafhouder,
- ROOSENDAAL Frank, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, De Burburestraat 6-8 en wonende te 2600 Antwerpen, Elisabethlaan 51, eisers, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eisers woonplaats kiezen, en in aanwezigheid van ORDE VAN VLAAMSE BALIES, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, vertegenwoordigd door zijn voorzitter, vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de vrijwillig tussenkomende partij woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De vordering strekt tot nietigverklaring van artikel 1, laatste zin, van het reglement van de Orde van de Vlaamse Balies van 7 mei 2008 betreffende de stage. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring uitgaande van de eerste verzoeker
- De tussenkomende partij werpt op dat de vordering tot nietigverklaring van de eerste verzoeker niet ontvankelijk is wegens gemis aan belang aangezien hij niet in aanmerking komt als groep van personen die, geconfronteerd met een toepassing van artikel 1, laatste zin, van het Reglement van de Orde van Vlaamse balies betreffende de stage van 7 mei 2008 (hierna: het stagereglement), geacht kunnen worden als dusdanig houder te zijn van een grondrecht op eerbiediging van het privé-leven. Al zijn leden, de advocaten-stagiairs inbegrepen, zouden het stadium van de ontsluiting van de informatie, dat het voorwerp is van de aangevochten bepaling, immers voorbij zijn. De vordering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan, hetzij de wet anders bepaalt, krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, niet worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang, dit is een eigen belang, heeft.
- De Orde van Vlaamse Balies heeft krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden en is daarbij met name bevoegd voor de stage. Hij neemt ook initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de loyaliteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. Overeenkomstig artikel 496 van hetzelfde wetboek, stelt de Orde van Vlaamse Balies met betrekking tot de bevoegdheden bepaald in artikel 495 passende reglementen vast. Artikel 498 van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de reglementen die overeenkomstig artikel 496 aangenomen zijn, van toepassing zijn op alle advocaten van de balies die van de Orde van Vlaamse Balies deel uitmaken, al naar gelang voornoemde reglementen door deze Orde werden aangenomen. Artikel 611 van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het Hof van Cassatie kennis neemt van vorderingen tot nietigverklaring van de reglementen van de Orde van Vlaamse Balies die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen. Deze vordering kan, krachtens artikel 501, lid 3, van dat wetboek, worden ingesteld door een advocaat van de Orde van Vlaamse Balies of door iedere persoon die de hoedanigheid en het belang heeft om te vorderen in de zin van de artikelen 17 en 18 van het wetboek.
- Artikel 499 van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de raden van de Orde van advocaten van de balies over de toepassing waken van de in vermeld artikel 496 bepaalde reglementen. Krachtens artikel 500 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn deze reglementen dwingend voor de balies die tot de betrokken Orde behoren.
- De eerste verzoeker heeft aldus de hoedanigheid en het belang in de zin van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, om een vordering in te stellen tot nietigverklaring van het stagereglement dat door overschrijding van bevoegdheid zou zijn aangetast, tegen de wetten zou indruisen of op onregelmatige wijze zou zijn aangenomen. De grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring moet derhalve worden verworpen. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring uitgaande van de tweede verzoeker
- De tussenkomende partij voert aan dat de vordering tot nietigverklaring van de tweede verzoeker niet ontvankelijk is wegens gemis aan belang aangezien de verzoeker geen kandidaat-stagiair is maar reeds ingeschreven is op het tableau van de Orde van advocaten.
- Krachtens artikel 611 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt het Hof van Cassatie kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de reglementen van de Orde van Vlaamse Balies die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen. Deze vordering kan, krachtens artikel 501 van dat wetboek, worden ingesteld door een advocaat van de Orde van Vlaamse Balies of door iedere persoon die de hoedanigheid en het belang heeft om te vorderen in de zin van de artikelen 17 en 18 van het wetboek. De vordering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon kan, tenzij de wet anders bepaalt, krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, niet worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang, dit is een eigen belang, heeft.
- Te dezen toont de tweede verzoeker niet aan hoe de regels betreffende de inschrijving op de lijst van de kandidaat-stagiairs hem persoonlijk en rechtstreeks kunnen raken. De grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring moet derhalve worden aangenomen. Ten gronde
- De Orde van Vlaamse Balies heeft krachtens artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden en is daarbij met name bevoegd voor de stage. Hij neemt ook initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de loyaliteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende. Overeenkomstig artikel 496 van hetzelfde wetboek, stelt de Orde van Vlaamse Balies met betrekking tot de bevoegdheden bepaald in artikel 495 passende reglementen vast. Met het oog op de betrekkingen tussen de leden van de onderscheiden balies die er deel van uitmaken, bepaalt zij de regels en gebruiken van het beroep van advocaat, brengt er eenheid in en stelt te dien einde passende reglementen vast.
- Op grond van deze bepalingen heeft de Orde van de Vlaamse Balies een reglement uitgewerkt betreffende de stage. Krachtens artikel 1, laatste zin, van dit reglement, moet de kandidaat-stagiair, bij zijn verzoek tot inschrijving op de lijst van de stagiairs, een schriftelijke verklaring overleggen aan de stafhouder in verband met de tegen hem lopende straf- of tuchtonderzoeken.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht. De voormelde bepaling vereist dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven wordt toegelaten door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling.
- Krachtens artikel 8.
- van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna EVRM), en artikel 17.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (hierna IVBPR), heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Artikel 8.
- EVRM staat de inmenging van het openbaar gezag toe met betrekking tot de uitoefening van dit recht voor zover die bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Krachtens artikel 8 EVRM kan een inmenging alleen voorzien zijn bij wet, wanneer die wet voldoende toegankelijk is voor de rechtzoekende en indien het toepassingsgebied en de normatieve inhoud van de regeling voldoende precies zijn om de gevolgen ervan met redelijke voorspelbaarheid te voorzien.
- In de mate de verplichtingen opgelegd door de Orde van Vlaamse Balies in verband met het verzoek tot inschrijving op de lijst van de stagiairs, een zekere inperking zouden inhouden van grondrechten, volgt die inperking uit de bepalingen zelf van de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd bij wet van 4 juli
- De wetgever heeft daarin duidelijk de taak omschreven die hij aan de gemeenschapsorden wilde toewijzen. De aan de gemeenschapsorden toegewezen bevoegdheden, met name inzake de stage van de advocaten, hebben tot doel de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat te verzekeren en zijn onafhankelijkheid te waarborgen. Door aan de gemeenschapsorden de bevoegdheid toe te vertrouwen om passende reglementen aan te nemen, onder meer met betrekking tot de stage van de advocaten, met uitsluiting van een overheid die onder de uitvoerende macht ressorteert, heeft de wetgever een maatregel genomen die in verhouding staat tot de doelstelling die hij nastreeft.
- De verplichting van de kandidaat-stagiair om bij zijn verzoek tot inschrijving op de lijst van stagiairs een schriftelijke verklaring over te leggen aan de stafhouder in verband met de tegen hem lopende straf- of tuchtonderzoeken, strekt ertoe de belangen te handhaven die de wetgever aan de Orde van Vlaamse Balies heeft toevertrouwd in de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek. Enkel indien de stafhouder op de hoogte is gebracht van deze gegevens, kan hij met kennis van zaken nagaan of de toelating van een kandidaat-stagiair, de door de wet vereiste loyaliteit en de door de wet beschermde eer, rechten en belangen van de advocaat en van de rechtzoekende, niet in het gedrang brengt. De in artikel 1, laatste zin, van het stagereglement vermelde verplichting is derhalve noodzakelijk om de belangen te handhaven die de wetgever krachtens de artikelen 495 en 496 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Orde van Vlaamse Balies heeft toevertrouwd. Verder is de meldingsplicht enkel bestemd voor de stafhouder die, eveneens gebonden door het beroepsgeheim, de gegevens die hij aldus verneemt, uitsluitend mag aanwenden om zijn vermelde opdracht uit te voeren.
- De door het stagereglement opgelegde verplichting aan de kandidaat-stagiair om bij zijn verzoek tot inschrijving op de lijst van de stagiairs, een schriftelijke verklaring over te leggen aan de stafhouder in verband met de tegen hem lopende straf- of tuchtonderzoeken, kan derhalve geen onaanvaardbare inmenging inhouden in het privé-leven van de betrokkene.
- Artikel 1, laatste zin, van het reglement van de Orde van Vlaamse Balies betreffende de stage, genomen op grond van artikel 496 van het Gerechtelijk Wetboek, beantwoordt aan de vereisten van de artikelen 22 van de Grondwet, 8 EVRM en 17 IVBPR. Het verzoek moet worden verworpen. Dictum Het Hof, Verwerpt de vordering tot nietigverklaring. Veroordeelt de verzoekers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 343,96 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 5 juni 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Smetryns B. Deconinck A. Fettweis E. Stassijns I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090605.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990909.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050404.21 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div