← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090608.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090608.4 Rolnummer: S.08.0142.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-06-25 Raadplegingen: 467 - laatst gezien 2026-07-02 23:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ook voor de inwerkingtreding van artikel 27 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, diende de voormelde met redenen omklede klacht van de werknemer voldoende duidelijk de omschrijving te geven van de als geweld, pesterij of seksueel gedrag ingeroepen feiten, met vermelding van de identiteit van de aangeklaagde dader en van het ogenblik en de plaats waar deze feiten zich hebben voorgedaan. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Welzijnswet werknemers - Pesterijen - Een met redenen omklede klacht Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - Art. 32tredecies, § 1, 1° Fiche 2 De verplichting tot duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten wordt verantwoord door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 32tredecies, § 2, van de voormelde wet, de bewijslast van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde redenen die vreemd zijn aan de klacht van de werknemer, bij de werkgever berust. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Welzijn werknemer - Geweld, pesten, seksueel gedrag Vrije woorden: Welzijnswet werknemers - Pesterijen - Een met redenen omklede klacht - Duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten - Verantwoording Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - Art. 32tredecies, § 1, 1° Annotaties Publicaties: RABG - DEMEDTS Marijke - 2010/2 - p. 79-85 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.08.0142.N V.S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen UNIVERSITEIT ANTWERPEN, autonome openbare instelling, met zetel te 2000 Antwerpen, Prinsstraat 13, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 juni 2008 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel

  1. Krachtens artikel 32tredecies, §1, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, mag de werkgever, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de arbeidsverhouding niet beëindigen met de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures een met redenen omklede klacht heeft ingediend.
  2. Ook voor de inwerkingtreding van artikel 27 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, diende de voormelde met redenen omklede klacht van de werknemer voldoende duidelijk de omschrijving te geven van de als geweld, pesterij of seksueel gedrag ingeroepen feiten, met vermelding van de identiteit van de aangeklaagde dader en van het ogenblik en de plaats waar deze feiten zich hebben voorgedaan. Deze toen reeds bestaande verplichting tot duidelijke omschrijving van de ingeroepen feiten wordt verantwoord door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 32tredecies, §2, van de voormelde wet, de bewijslast van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde redenen die vreemd zijn aan de klacht van de werknemer, bij de werkgever berust.
  3. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser op 24 juni 2003 een aangetekende brief aan de "bevoegde preventieadviseur van de dienst preventie en bescherming op het werk" van de verweerder heeft verzonden, waarin de eiser voorhoudt het slachtoffer te zijn van "het onrechtmatig gedrag" van met naam genoemde personen, die "een permanente beledigende en kwetsende omgeving (creëren)" en "zijn betrekking bovendien in gevaar brengen"; - de eiser in de voormelde brief gewag maakt van een document "Opmerkingen van het personeelslid bij het Evaluatieformulier ATP, met bijlagen 1 tot en met 10", door hem opgesteld in maart 2003 en aan de Personeelsdienst verzonden.
  4. De appelrechters oordelen dat: - de voormelde aangetekende brief bij gebreke van afdoende motivering niet kan worden aangezien als een met redenen omklede klacht, zoals bedoeld in voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, omdat in die brief zelf niet de elementen kunnen worden teruggevonden die het de preventieadviseur mogelijk moeten maken zich een beeld te vormen omtrent de feiten die door de klager als pestgedrag werden ervaren en die het hem ook mogelijk moet maken de werkgever in te lichten en hem passende maatregelen voor te stellen om hieraan te verhelpen; - de verwijzing in de brief naar de niet bijgevoegde opmerkingen bij het evaluatieformulier hieraan niet kan verhelpen; - ten overvloede, de zeer uitvoerige opmerkingen van de eiser op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen.
  5. Op grond hiervan vermochten de appelrechters te oordelen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door verweerder, met opzegging op 25 juni 2003 en met onmiddellijke ingang op 30 juni 2003, met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding, niet in strijd was met voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, van de Wet Welzijn Werknemer en de vordering tot veroordeling tot betaling van de "forfaitaire vergoeding ontslagbescherming na klacht wegens pesten" af te wijzen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het arrest oordeelt op zelfstandige en door de eiser niet bekritiseerde wijze dat de zeer uitvoerige opmerkingen van de eiser op zijn evaluatieverslag evenmin verduidelijken wat hij precies als pestgedrag heeft ervaren en wenst aan te klagen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de in voormeld artikel 32tredecies, §1, 1°, bedoelde "met redenen omklede klacht" te dezen kon gebeuren in de vorm van een verwijzing in de brief van 23 juni 2003 naar het niet bij de brief gevoegde document met opmerkingen op zijn evaluatieverslag, vertoont het geen belang en is het niet ontvankelijk.
  7. Door te oordelen dat op basis van de inhoud van de brief van 23 juni 2003, ook met de verwijzing naar de opmerkingen op zijn evaluatieverslag, het niet mogelijk is te achterhalen welke feiten de eiser aan de bedoelde personen verweet, geeft het arrest een uitlegging van die brief die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskent het dienvolgens de bewijskracht van deze akte niet. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. In zoverre het middel opkomt tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 27 maart 2007 en niet tegen het bestreden arrest is het niet ontvankelijk.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters partijdig waren, wat zou moeten blijken uit een aantal feitelijkheden, is het niet ontvankelijk, daar het Hof niet bevoegd is feiten te onderzoeken.
  10. In zoverre de eiser grieven aanvoert met betrekking tot de bewijslast en het bewijs, wijst de eiser niet de ter zake relevante wetsbepalingen als geschonden aan en is het middel niet ontvankelijk.
  11. In zoverre het middel de miskenning aanvoert van "een aantal wetten", is het niet ontvankelijk wegens gebrek aan precisie, zoals vereist bij artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek.
  12. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser het bewijs leverde dat hij gerechtigd was op een hoger loon, noopt dit tot een onderzoek van feiten, waartoe het Hof niet bevoegd is.
  13. In zoverre de eiser het Hof verzoekt hem het recht op een "daadwerkelijk rechtsmiddel" toe te kennen dat hem een eerlijk proces zou waarborgen, levert dit verzoek geen cassatiemiddel op in de zin van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het Hof hierop niet dient in te gaan. Derde middel
  14. Artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, bepaalt dat de artikelen 1 tot 13 van de genoemde wet van 21 april 2007 in werking treden op 1 januari
  15. Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 bepaalt dat de artikelen 2 tot 13 van toepassing zijn op de hangende zaken.
  16. Op grond van de voormelde wettelijke bepalingen vermocht het arrest de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen overeenkomstig het door de wet van 21 april 2007 gewijzigde artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, daar deze zaak nog hangende was op 1 januari
  17. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van 204,47 euro jegens de eisende partij en op de som van 60,09 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 8 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090608.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140303.2 ECLI:BE:TTLIE:2010:JUG.20101122.1 ECLI:BE:TTLIE:2013:JUG.20130909.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.