id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.4 Rolnummer: P.09.0054.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-06-19 Raadplegingen: 570 - laatst gezien 2026-07-03 01:32 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.4 Fiches 1 - 3 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wet ongrondwettig is, heeft die beslissing in de regel een declaratief karakter en werkt dus retroactief; hieruit volgt dat ingevolge de vernietiging van artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering en de beslissing dat de eventuele niet-ontvankelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest dat de controle op de bijzondere opsporingsmethoden heeft gedaan, ongrondwettig is, geacht moet worden dat tegen dergelijke arresten steeds een onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is geweest; het cassatieberoep tegen het arrest dat de controle op de bijzondere opsporingsmethoden uitoefende, dat na het eindarrest wordt ingesteld, is bijgevolg niet ontvankelijk
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Beslissing die vaststeld dat een wet ongrondwettig is - Aard Arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 - Vernietiging van artikel 235ter, § 6, Sv. - Arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 - Niet-ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de controle op de bijzondere opsporingsmethoden - Ongrondwettigheid - Declaratief karakter Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling - Arresten nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof - Declaratief karakter van deze arresten Fiches 4 - 5 Het Hof is niet gehouden een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, wanneer die vraag geen betrekking heeft op een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Arbitragehof, maar enkel op de gevolgen in de tijd van de arresten van het Grondwettelijk Hof. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof van Cassatie Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof van Cassatie Fiches 6 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Beslissing die vaststeld dat een wet ongrondwettig is - Aard Arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007 - Vernietiging van artikel 235ter, § 6, Sv. - Arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 - Niet-ontvankelijkheid van het onmiddellijk cassatieberoep tegen de controle op de bijzondere opsporingsmethoden - Ongrondwettigheid - Declaratief karakter Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling - Arresten nr. 105/2007 van 19 juli 2007 en nr. 111/2008 van 31 juli 2008 van het Grondwettelijk Hof - Declaratief karakter van deze arresten Fiche 9 Conclusie van advocaat-generaal Duinslaeger. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof Fiche 10 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in strafzaken STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Prejudiciële geschillen (strafzaken nationaal) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Grondwettelijk Hof - Verplichting voor het Hof van Cassatie Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0054.N I J L M, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Pol Vandemeulebroecke en mr. Tom Decaigny, advocaten bij de balie te Antwerpen. II J L M, reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Pol Vandemeulebroecke en mr. Tom Decaigny, advocaten bij de balie te Antwerpen, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Ant-werpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie,
- PHILIP MORRIS PRODUCTS sa, vennootschap naar het recht van Zwitserland, met zetel te 2000 Neuchâtel (Zwitsersland), Quai Jeanrenaud 3, die voorheen woonplaats gekozen heeft ten kantore van mr. Pieter Van Den Broecke, advocaat, 1000 Brussel, Brederodestraat 13, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 mei 2007, en tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING De eiser werd ingevolge een bevel van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 februari 2006 in verband met een container namaak-sigaretten naar de correctionele rechtbank verwezen wegens mededaderschap aan: - A. witwassen; - B.I bedrieglijk namaak en/of bedrieglijk gebruik van een nagemaakt merk; - B.II kwaadwillige of bedrieglijke inbreuk op het auteursrecht en de naburige rechten, De FOD-Financiën dagvaardde van zijn kant de eiser rechtstreeks wegens mede-daderschap aan: - Feit 1: sluikinvoer van sigaretten, niet voorzien van in België geldige fiscale kentekens; - Feit 2: gebruik van een verkeerde benaming op een T1-document; Feit 3: niet-naleving van de uit de communautaire wetgeving voorvloeiende ver-plichting om goederen op een summiere aangifte-vrachtlijst onder hun juiste be-naming te vermelden. Tijdens het vooronderzoek was gebruik gemaakt van de bijzondere opsporingsme-thode observatie. De kamer van inbeschuldigingstelling had de regelmatigheid van de toepassing ervan niet gecontroleerd vooraleer de zaken bij de correctionele rechtbank aanhangig werden gemaakt. Bij op tegenspraak gewezen en bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis van 4 april 2007 voegde de correctionele rechtbank te Antwerpen de beide zaken samen en besliste de samengevoegde dossiers over te zenden aan het openbaar ministerie teneinde de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen om de controle bepaald in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering alsnog te doen uit-voeren. De eiser kwam van dit vonnis in hoger beroep. De procureur-generaal te Antwerpen bracht daarop de zaak aan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze stelde bij arrest van 11 mei 2007 vast dat er geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de observatie. Het op tegenspraak gewezen vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 30 mei 2007 veroordeelde de eiser voor de vermengde feiten tot straf, alsme-de tot betaling van een schadevergoeding aan de burgerlijke partij. Zowel de eiser, als de vervolgende partij en het openbaar ministerie kwamen van dit vonnis in hoger beroep. Het wat de eiser betreft op tegenspraak gewezen arrest van 4 december 2008 ver-klaarde enerzijds zijn hoger beroep tegen het vonnis van 4 april 2007 niet ontvan-kelijk en veroordeelde hem anderzijds met éénparige stemmen tot een zwaardere straf en tot betaling van schadevergoeding aan de burgerlijke partij. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering zoals het van toepassing was op het ogenblik van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007, bepaalde dat tegen de controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmiddel openstaat. Het arrest nr. 105/2007 van het Grondwettelijk Hof van 19 juli 2007 heeft die be-paling vernietigd. Dit arrest is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus
- Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 111/2008 van 31 juli 2008 geoordeeld dat artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling houdende controle, op basis van het vertrouwelijk dossier, van de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie met toepassing van de artikelen 189ter of 235ter Wetboek van Strafvordering.
- Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wet ongrondwettelijk is, dan heeft die beslissing in de regel een declaratief karakter en werkt dus retroac-tief. Hieruit volgt dat ingevolge de vernietiging van artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering en de beslissing dat de eventuele niet-ontvankelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest dat de controle heeft gedaan, on-grondwettig is, geacht moet worden dat tegen dergelijke arresten steeds een on-middellijk cassatieberoep mogelijk is geweest.
- Niettegenstaande het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstel-ling van 11 mei 2007 is gewezen vooraleer het Grondwettelijk Hof artikel 235ter, § 6, Wetboek van Strafvordering heeft vernietigd, moet aangenomen worden dat tegen die beslissing toch altijd onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is geweest.
- Bij arrest van 31 oktober 2006 heeft het Hof over de wettelijke onmogelijk-heid van een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbe-schuldigingstelling die een bom-controle uitvoert, het Grondwettelijk Hof een pre-judiciële vraag gesteld. Bij arrest nr. 109/2007 van 26 juli 2007 heeft het Grond-wettelijk Hof die vraag zonder voorwerp verklaard. Vanaf het arrest van het Hof van 31 oktober 2006 kon een normaal voorzichtig ei-ser weten dat de grondwettigheid van de niet-ontvankelijkheid van het onmiddel-lijk cassatieberoep ernstig ter discussie stond.
- Het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling is van 11 mei
- Op dat ogenblik waren in verband met de onmogelijkheid van elk cassatie-beroep reeds meerdere prejudiciële vragen gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Ie-dereen wist of kon dit weten ingevolge de publicatie van de wettelijk voorge-schreven berichten in het Belgisch Staatsblad. Hieruit volgt dat de vraag over een onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen over de bom-controle in betwisting was en dat onmiddellijk cassatieberoep zeker niet was uit te sluiten.
- In dergelijke omstandigheden stelt een normaal voorzichtige eiser die niet met zekerheid weet of kan weten dat zijn cassatieberoep al dan niet voorbarig is, toch onmiddellijk cassatieberoep in. Hij kan dan ofwel zonder berusting afstand van zijn cassatieberoep doen ofwel een aan het Grondwettelijk Hof te stellen pre-judiciële vraag opwerpen. De niet-ontvankelijkheid van eisers cassatieberoep is hier dan ook noch onver-mijdbaar, noch onbillijk en niet in strijd met het vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en met de dwingende eisen van rechtszekerheid. Het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschul¬di¬ging¬stelling van 11 mei 2007 is dan ook niet ontvankelijk.
- De eiser vraagt het Grondwettelijk Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 235bis, 235ter, 373 en 416 van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in sa-menhang gelezen artikel 6 EVRM, door enkel een cassatieberoep toe te la-ten tegen een arrest gewezen in zuivere controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie aan de hand van het vertrou-welijk dossier gedurende 15 dagen volgend op het wijzen van dit arrest, bij uitsluiting van de mogelijkheid cassatieberoep in te stellen tegen het eindar-rest, wanneer het arrest houdende controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie aan de hand van het vertrouwelijk dossier werd gewezen op 11 mei 2007, aldus voorafgaand aan arresten van het Grondwettelijk Hof dd. 19 juli 2007 (105/2007) en 31 juli 2008 (111/2008) waarbij geoordeeld werd dat tegen een arrest houdende contro-le van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie aan de hand van het vertrouwelijk dossier een rechtsmiddel moet kunnen worden aangewend, respectievelijk dat een cassatieberoep tegen een arrest houdende controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsme-thode observatie aan de hand van het vertrouwelijk dossier moet worden in-gesteld binnen een termijn van 15 dagen die onmiddellijk volgt op het wij-zen van dit arrest door de kamer van inbeschuldigingstelling?"
- De voorgestelde prejudiciële vraag heeft geen betrekking op een aangele-genheid zoals bedoeld in artikel 26, § 1, Bijzondere Wet Arbitragehof, maar wel op de gevolgen in de tijd van de arresten van het Grondwettelijk Hof. Er is derhalve geen grond tot het stellen van een prejudiciële vraag. Middel
- Het middel dat gericht is tegen het arrest van 4 december 2008, voert schen-ding aan van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering: deze wetsbepaling laat de rechtbank of het hof van beroep niet toe de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering controle uit te oefenen over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie waarmee deze kamer overeenkomstig die laatste wetsbepaling had moeten worden gelast vooraleer de zaak aanhangig werd gemaakt bij de correcti-onele rechtbank; derhalve was de kamer van inbeschuldigingstelling hier onbe-voegd om de opgedragen controle uit te oefenen; de onwettigheid van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 11 mei 2007 tast bijgevolg even-eens de wettigheid van het eindarrest van de correctionele kamer van 4 december 2008 aan.
- Tegen het bedoelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling kan thans niet meer worden opgekomen. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen van het arrest van 4 december 2008
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten van zijn cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 209,25 euro waarvan op het cassatieberoep I 148,51 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 60,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 9 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky K. Mestdagh J.-P. Frère E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090609.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141120.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160205.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170120.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div