← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:

Artikel 149

, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet - Verplicht voorafgaand eensluitend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Toepasselijk tijdscriterium voor het verplicht inwinnen van het advies Fiche 2 Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, betreft de herstelvorderingen die reeds waren ingediend op het ogenblik dat artikel 149, § 1, eerste lid, van datzelfde decreet in werking is getreden en die bijgevolg nog niet voor advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid; dit betreft niet alleen de vorderingen die reeds bij de strafrechter aanhangig werden gemaakt, maar ook die vorderingen die enkel bij brief aan het parket waren medegedeeld op een ogenblik dat, bij ontstentenis van een functionerende Hoge Raad voor het Herstelbeleid, onmogelijk vooraf het bindend advies, opgelegd door deze wetsbepalingen, kon worden ingewonnen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING Vrije woorden:

Artikel 198b

is, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 - Overgangsregeling - Toepassingsgebied Fiche 3 Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt niet dat herstelmaatregelen waarvoor nog niet werd gedagvaard, van de mogelijkheid tot het inwinnen van een niet-bindend advies worden uitgesloten; de coherentie van het herstelbeleid vereist dit evenmin

(1).
(1)Arbitragehof, arrest nr. 71/2007 van 26 april 2007, B.7.4., B.S. 13 juni 2007, 32006. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING Vrije woorden:

Artikel 198b

is, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 - Overgangsregeling - Mogelijkheid om het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid alsnog in te winnen - Toepassingsgebied Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0138.N P M L M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katia Bouve, advocaat bij de balie te Brugge, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 17 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 149, § 1, eerste lid, en 198bis Stedenbouwdecreet 1999: het bestreden arrest oordeelt onterecht dat onge-acht het niet-eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid de her-stelvordering van het bestuur, die vóór 16 december 2005 bij brief aan het parket werd meegedeeld ontvankelijk is, ook al werd die vordering pas na 16 december 2005 bij dagvaarding voor de rechter aanhangig gemaakt; de brief betreft immers slechts de mededeling van een voorgenomen "herstelmaatregel" die enkel door de navolgende dagvaarding alle kenmerken van een herstelvordering verkrijgt; bijge-volg maakt niet de brief aan het parket maar enkel de daaropvolgende dagvaar-ding een "herstelvordering" bij de rechter aanhangig; zowel artikel 149, § 1, eer-ste lid, Stedenbouwdecreet 1999 als de overgangsbepaling van artikel 198bis Ste-denbouwdecreet 1999 beogen met "vordering(en)" dan ook slechts de herstel-maatregel eenmaal deze effectief met een dagvaarding voor de strafrechter aan-hangig wordt gemaakt; de vordering tot herstel die niet vóór de datum van inwer-kingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, dit is 16 december 2005, bij dagvaarding is aanhangig gemaakt, is niet ontvankelijk wanneer zij niet is vooraf-gegaan door het verplichte en eensluidend advies van deze Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  3. Artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: "De bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbe-leid, zoals bedoeld in artikel 149, § 1, en artikel 153, treden pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd." Overeenkomstig die bepaling treedt het eerste lid van artikel 149, § 1, Stedenbou-decreet 1999 in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijk reglement ervan is goedgekeurd. Vanaf die datum, dit is 16 december 2005, is het advies van de Hoge Raad vereist betreffende de door een stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen in te stellen herstelvorderingen. Die bepaling laat niet toe dit verplicht advies uit te stellen tot na het instellen van de vordering bij brief aan het parket en voor de inleiding bij dagvaarding voor de rechter. De beleidsbeslissing van het bestuur, na advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, moet immers nog vóór het instellen van de vordering bij het parket worden genomen. Niet de datum van de dagvaarding maar de datum van de brief waarbij de herstelvordering aan het parket is meegedeeld, is aldus de toepas-selijke tijdslimiet voor het verplicht inwinnen van het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
  4. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt: "De rechter kan de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid." Die bepaling betreft de herstelvorderingen die reeds waren ingediend op het ogen-blik dat artikel 149, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 in werking is getre-den en die bijgevolg nog niet voor advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Dit betreft niet alleen de vorderingen die reeds bij de straf-rechter aanhangig werden gemaakt maar ook die vorderingen die enkel bij brief aan het parket waren meegedeeld op een ogenblik dat, bij ontstentenis van een functionerende Hoge Raad voor het Herstelbeleid, onmogelijk vooraf het bindend advies, opgelegd bij artikel 149, § 1, eerste lid, en 198bis, eerste lid, Stedenbouw-decreet 1999, kon worden ingewonnen. In beide gevallen gaat het om maatregelen die het bestuur bij brief bij het parket inleidde op een ogenblik dat onmogelijk ad-vies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid kon worden gevraagd, en het be-stuur aldus alleen moest beslissen. De daaropvolgende dagvaarding van het parket verandert daar niets aan. Het ligt voor de hand dat de rechter in beide gevallen de mogelijkheid moet hebben om alsnog het advies aan te vragen. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt niet dat de maatregelen waarvoor nog niet werd gedagvaard, van deze mogelijkheid tot het inwinnen van een niet-bindend advies worden uitgesloten. De coherentie van het herstelbeleid vereist dit evenmin. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 9 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky K. Mestdagh J.-P. Frère E. Goethals L. Huybrechts E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090609.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150403.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.