← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.6 Rolnummer: C.08.0270.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 430 - laatst gezien 2026-07-02 22:52 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het cassatieberoep van een niet-verschenen partij tegen de verstekbeslissing is niet ontvankelijk wanneer tegen de beslissing nog verzet kan worden aangetekend; geen enkele bepaling belet evenwel dat een cassatieberoep zou worden ingesteld door een partij die nog over het buitengewoon rechtsmiddel van het derden verzet beschikt

(1).
(1)Zie Cass., 23 okt. 2006, AR C.05.0582.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061023.2, www.cass.be. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Voorbarig cassatieberoep UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Procedure Vrije woorden: Beslissing waartegen nog verzet of derden verzet mogelijk is Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1076 Fiche 2 Een in het Gerechtelijk wetboek gestelde regel is op een bepaalde rechtspleging niet van toepassing, wanneer die regel wordt tegengesproken of wanneer de rechtspleging anders geregeld wordt ofwel door een vroegere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling, ofwel door een latere wetsbepaling. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Procedure Vrije woorden: Gerechtelijk Wetboek - Regels inzake de rechtspleging - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 2 Fiches 3 - 4 Wanneer het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ingesteld door een economische entiteit tegen de beslissing van de Raad voor de Mededinging of diens voorzitter gegrond verklaart, kan de Belgische Staat in de regel worden veroordeeld in de kosten; geen andere partij kan voor deze kosten aansprakelijk worden gesteld. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Procedure Vrije woorden: Raad voor de mededinging - Beslissing - Hoger beroep - Hof van beroep te Brussel - Rechtspleging - Veroordeling tot de kosten Wettelijke bepalingen: Wet - 15-09-2006 - Art. 75 Thesaurus CAS: ECONOMIE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Procedure Vrije woorden: Wet economische mededinging - Raad voor de mededinging - Beslissing - Hoger beroep - Hof van beroep te Brussel - Rechtspleging - Veroordeling tot de kosten Wettelijke bepalingen: Wet - 15-09-2006 - Art. 75 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0270.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 9, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  1. FEDERATIE VAN CINEMA'S VAN BELGIE, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 241,
  2. UTOPOLIS BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Spuibeekstraat 5,
  3. UGC BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Guldenvlieslaan 8, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweersters woonplaats kiezen, en ten aanzien van
  4. KINEPOLIS GROUP, naamloze vennootschap, met zetel te 1020 Brussel, Eeuwfeestlaan 20, in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 maart 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel, dat uitspraak doet in hoger beroep tegen beslissingen van de Raad voor de Mededinging. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel houdende de rechten van verdediging; - de artikelen 1017,1018, 1021 en 1022, in de versie ervan zoals gewijzigd door de wet van 21 april 2007, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 57, 58, 59, 60, 61, 75 en 76 van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de beroepen beslissing van 16 april 2007 van de Raad voor de mededinging. Zegt dat de verdere afhandeling van het verzoek van (de vierde verweerster, minstens in bindend- en gemeenverklaring opgeroepen partij) staat aan de Raad voor de mededinging door een anders samengestelde kamer. Veroordeelt (de eiser) tot betaling van de gedingkosten voor het (hof van beroep) rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, en begroot deze in hoofde van ieder van de (eerste drie verweersters) op 6.786,00 euro. Op grond van de motieven: "
  5. Het middel inzake de schending van artikel 19 van de WBEM houdt in dat de kamer van de Raad die de bestreden beslissing heeft genomen, niet was samengesteld zoals bepaald door de wet. Artikel 19 WBEM bepaalt: ‘De Raad wordt ingedeeld in kamers, elk bestaande uit drie raadsleden. De Algemene vergadering van de Raad legt jaarlijks de samenstelling van de kamers vast en kiest daaruit de voorzitters'. (De eerste verweerster) heeft bij monde van haar advocaat op 30 maart 2007, 3 mei en 19 september 2007 aan de voorzitter van de Raad gevraagd om mededeling van de beslissing van de Algemene Vergadering inzake de samenstelling van de kamers zoals bedoeld in artikel 19 WBEM, maar geen beslissing in die zin vernomen of bekomen. Zij leidt er uit af dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat zulke beslissing niet werd genomen.
  6. In het arrest van 23 augustus 2007 heeft het hof overwogen, op basis van de duidelijke tekst van de wet en de parlementaire commentaar hierbij (Parl. Doc. 51 2180/001, p. 48, Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 2005/2006) dat, anders dan onder de vroegere regelgeving gold, de samenstelling van de kamers van de Raad niet meer toekomt aan zijn Voorzitter, maar aan de Algemene Vergadering (zie ook F. Wijckmans, De nieuwe Belgische mededingingswet, R. W. 2006-07, 632, nr. 42). Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de Algemene Vergadering die bevoegdheid zou kunnen delegeren aan de Voorzitter. Ook van een initiatiefrecht van de Voorzitter inzake die samenstelling en de aanwijzing van de voorzitters van de kamers maakt artikel 19 WBEM overigens geen gewag. Aangezien de Raad zijn bevoegdheden uitoefent bij kamers die bestaan uit drie raadsleden, behoudens uitzondering in de wet bepaald, kan de Raad zijn bevoegdheden niet uitoefenen zonder dat de in artikel 19 bedoelde beslissing is genomen door de Algemene Vergadering. De bedoelde bepaling is dus essentieel voor de werking van de Raad.
  7. Zoals alle overige bepalingen van de WBEM, behoort ook artikel 19 ervan tot de openbare orde. Het strekt overigens tot waarborg zowel van de ondernemingen die verschijnen voor de Raad als van de leden van de Raad zelf die bij toepassing van artikel 19 boven elke verdenking van zaaksgerichte affectatie blijven.
  8. De naleving van artikel 19 WBEM staat overigens niet aan een soepele werking van de Raad in de weg. De minister merkt op dat wegens de mogelijke toepassing van artikel 44, §8, WBEM - bij beroep tegen een beslissing van een auditeur - minstens vier leden van de Raad beschikbaar dienen te blijven voor een bepaalde zaak. De Raad telt evenwel twaalf leden, die allen zitting kunnen houden in alle zaken, die allen, zowel de zes voltijdse als de zes deeltijdse leden, én alleen én collegiaal kunnen zitting houden en die allen in aanmerking komen voor een aanwijzing door de Algemene Vergadering om de werkzaamheden van een kamer voor te zitten. Er kan dus geen organisatorisch probleem rijzen.
  9. Aangezien de beslissingen bedoeld in artikel 19 ook tot waarborg strekken van de rechten van de ondernemingen voor de Raad, behoort hun inhoud publiek toegankelijk te zijn. Artikel 68, §2, WBEM schrijft die publicatie in het Belgisch Staatsblad en op de website van de Raad voor de mededinging trouwens voor. Er kon dus geen enkele reden bestaan om op het verzoek van (de eerste verweerster) niet in te gaan en die beslissingen niet mee te delen.
  10. Bij ontstentenis van publicatie van de beslissingen inzake de samenstelling van de kamers van de Raad zoals bepaald in artikel 68, §2, WBEM, kan de naleving van artikel 19 door het (hof van beroep) enkel worden getoetst indien de beslissing of minstens het administratief dossier waarin ze thuis hoort, doet blijken dat de kamer die over de zaak heeft beslist regelmatig is samengesteld (vgl. Cass. 15 februari 2007, www juridat. be). Noch de bestreden beslissing, noch het administratief dossier doet evenwel blijken dat de kamer werd samengesteld zoals bepaald in artikel 19 WBEM. Het middel betreffende de schending van artikel 19 WBEM moet dan ook worden aangenomen. Het verantwoordt de vernietiging van de bestreden beslissing. (...)
  11. Wegens de vernietiging van de bestreden beslissing dient de Raad het verzoek van (de vierde verweerster, minstens in bindend - en gemeenverklaring opgeroepen partij) opnieuw te behandelen. Aangezien de Raad een administratief rechtscollege is, dient het anders te zijn samengesteld bij het hernemen van de behandeling van het verzoek.
  12. De drie (eerste verweersters) vragen ieder om de kosten van de rechtspleging voor het (hof van beroep) ten laste te leggen van (de vierde verweerster, minstens in bindend - en gemeenverklaring opgeroepen partij) en (de eiser) in solidum. Als onderdeel van die kosten vorderen ze eveneens een vergoeding voor de honoraria en kosten die ze tot dusver hebben moeten dragen wegens de bijstand van een advocaat. (De eerste en de tweede verweersters) vragen daarenboven een vergoeding voor die bijstand tijdens de procedure voor de Raad voor de mededinging. (De vierde verweerster, minstens in bindend - en gemeenverklaring opgeroepen partij) vraagt geen rechtsplegingsvergoeding en meent overigens niet te kunnen worden veroordeeld tot de door (de eerste drie verweersters) gevorderde bedragen.
  13. Betreffende de begroting van de rechtsplegingsvergoeding overweegt het (hof van beroep) dat de (eerste drie verweersters) een beroep hebben moeten doen op hooggespecialiseerde raadslieden die zeer uitgebreide beschouwingen hebben moeten ontwikkelen in een bepaald complexe materie. Ze hebben voor het hof ook een procedure in verschillende stadia, ieder met zijn specificiteit, moeten voeren. De vorderingen van (de eerste drie verweersters), die strekken tot vernietiging van een beslissing zijn niet in geld waardeerbaar. Rekening houdend met het geheel van de voormelde bijzonderheden die eigen zijn aan de voorliggende zaak en met de reglementair bepaalde maxima en minima wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding wegens de rechtspleging voor het hof voor ieder van de (eerste drie verweersters) bepaald op 6.600,00 euro". Grieven Eerste onderdeel De procedure van toezicht op de concentraties, zoals geregeld door de artikelen 57 en volgende van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging is een procedure van administratieve machtiging, die verschilt van de procedures die betrekking hebben op beperkende feitelijke gedragingen of op alle zaken tussen partijen die beweren houder te zijn van een subjectief recht. Het gevolg van deze karakteristiek bestaat erin dat de procedure van hoger beroep, zoals geregeld door de artikelen 75 en 76 van voormelde wet, bij het Hof van Beroep te Brussel geen geding, noch geschil aanhangig maakt, respectievelijk, in de zin van de aangehaalde artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De uitgaven en kosten van deze procedure in hoger beroep worden dan ook niet geregeld door de desbetreffende bepalingen van titel IV van boek II, vierde deel, van het Gerechtelijk Wetboek. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de eiser onwettig veroordeelt tot de gedingkosten ten belope van 6.786,00 euro te voordele van elk van de eerste drie verweersters, zoals voorzien in titel IV van boek II, vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, omdat deze bepalingen niet toepasselijk zijn (schending van de aangehaalde artikelen 1017, eerste lid, 1018, 1021 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek) op een procedure inzake administratieve machtiging (schending van de artikelen 57, 58, 59, 60, 61, 75 en 76 van de aangehaalde wet van 15 september 2006). Tweede onderdeel
  14. Krachtens het aangehaald artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, tenzij bijzondere wetten anders bepalen. Aldus kan enkel iemand die partij was in het geding tot die kosten worden veroordeeld. Men is slechts partij als men met een persoonlijk belang betrokken is in een rechtsgeding, waarbij men tegen de andere partij(en) conclusie heeft genomen. Een derde, die geen partij was, kan dan ook niet op die grondslag veroordeeld worden. Hieruit volgt dat de eiser niet wettig op grond van voormeld artikel 1017, eeerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is veroordeeld tot de gedingkosten ten belope van 6.786,00 euro ten voordele van elk van de eerste drie verweersters (Schending van het aangehaald artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
  15. Ook al zijn de artikelen 1382 en volgende inzake de quasi-delictuele aansprakelijkheid te aanzien als een bijzondere wet die anders bepaalt, dan nog kan het eindvonnis de gedingkosten slechts ten laste leggen van een partij in het geding. De regel is immers dat, hoewel een partij in beginsel alleen in de kosten kan worden veroordeeld als zij in het ongelijk wordt gesteld, de kosten, ondanks haar gelijk, haar toch ten laste kunnen worden gelegd als ze door haar schuld zijn veroorzaakt. Men is slechts partij als men met een persoonlijk belang betrokken is in een rechtsgeding, waarbij men tegen de andere partij(en) conclusie heeft genomen. Een derde, die geen partij was, kan dan ook niet op die grondslag veroordeeld worden. Hieruit volgt dat de eiser, die geen partij was (schending van het aangehaald artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), niet wettig op grond van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek inzake de quasi-delictuele aansprakelijkheid is veroordeeld tot de gedingkosten ten belope van 6.786,00 euro ten voordele van elk van de eerste drie verweersters (schending van de artikelen 1382 tot en met 1384 van het Burgerlijk Wetboek).
  16. Er bestaat geen regel, noch bijzondere bepaling krachtens dewelke de gedingkosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, ten laste dienen te worden gelegd van de eiser, wanneer een hoger beroep tegen een beslissing van de Raad voor de mededinging in concentratiezaken wordt ingewilligd en de bestreden beslissing wordt vernietigd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de eiser, die geen partij was in het geding en bij ontbreken van een bijzondere wet die anders bepaalt (Schending van het aangehaald artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), onwettig veroordeeld tot de gedingkosten ten belope van 6.786,00 euro ten voordele van elk van de eerste drie verweersters, terwijl die kosten enkel ten laste kunnen worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij (schending van het aangehaald artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Derde onderdeel Op straffe van schending van zijn recht van verdediging, kan niemand veroordeeld worden dan na de mogelijkheid te hebben gekregen zijn verweer te voeren. In casu wordt de eiser door het bestreden arrest veroordeeld tot betaling van de gedingkosten van de procedure voor het hof van beroep, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen en begroot in hoofde van ieder van de drie eerste verweersters op 6.786,00 euro. De eiser was nochtans geen partij, noch aanwezig in de procedure beslecht door voormeld arrest. Hieruit volgt dat het bestreden arrest dat de eiser veroordeelt tot gedingkosten van de eerste drie verweersters ten bedrage van 6.786,00 euro, zonder dat de eiser de mogelijkheid had voorafgaandelijk hieromtrent zijn verweer te voeren, eisers recht van verdediging schendt (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  17. De verweersters werpen op dat het cassatieberoep, in de hypothese dat de eiser geen partij was in de procedure voor het hof van beroep, voorbarig is aangezien tegen de beslissing nog verzet kan worden gedaan.
  18. Krachtens artikel 1076 van het Gerechtelijk Wetboek loopt de termijn om cassatieberoep in te stellen, ten aanzien van de niet verschenen partij eerst vanaf de dag waarop verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar is. Uit die bepaling volgt dat het cassatieberoep van een niet- verschenen partij tegen de verstekbeslissing niet ontvankelijk is, wanneer tegen de beslissing nog verzet kan worden aangetekend.
  19. De eiser die door het bestreden arrest in de kosten is veroordeeld, is geen niet-verschenen partij in de zin van vermeld artikel 1076 die nog verzet zou kunnen aantekenen, maar is door die veroordeling partij in de bestreden beslissing geworden.
  20. Geen enkele bepaling belet dat een cassatieberoep zou worden ingesteld door een partij die nog over het buitengewoon rechtsmiddel van het derden verzet beschikt.
  21. De eiser kan ter zake aldus geldig een cassatieberoep instellen. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep kan niet worden aangenomen. Middel Eerste onderdeel
  22. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Voornoemd artikel betekent dat een in het Gerechtelijk wetboek gestelde regel op een bepaalde rechtspleging niet van toepassing is, wanneer die regel wordt tegengesproken of wanneer de rechtspleging anders geregeld wordt ofwel door een vroegere, niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepaling, ofwel door een latere wetsbepaling.
  23. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek in de regel van toepassing is op de rechtspleging voor het Hof van Beroep te Brussel met toepassing van artikel 75 van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging (hierna: wet economische mededinging).
  24. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat deze procedure geen geding of geschil is in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  25. Wanneer het Hof van Beroep te Brussel, het hoger beroep ingesteld door een economische entiteit tegen de beslissing van de Raad voor de Mededinging of diens voorzitter, gegrond verklaart, kan de Belgische Staat in de regel worden veroordeeld in de kosten. Geen andere partij kan voor deze kosten aansprakelijk worden gesteld. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Derde onderdeel
  26. Artikel 76, §2, van de wet economische mededinging bepaalt dat de minister het dossier ter plaatse op de griffie van het Hof van beroep te Brussel kan raadplegen en schriftelijke opmerkingen kan indienen.
  27. De minister kon ter zake derhalve kennis nemen van het verzoek om hem in de kosten te veroordelen en desbetreffend een standpunt innemen.
  28. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de eiser betreffende de veroordeling in de gedingkosten geen verweer heeft kunnen voeren, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 801,07 euro jegens de eisende partij en op de som van 104,36 euro jegens de verwerende partijen sub 1-
  29. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 12 juni 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols E. Stassijns P. Maffei E. Goethals L. Huybrechts I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090612.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.002 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061023.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.