← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090616.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090616.2 Rolnummer: P.09.0038.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-06-25 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-07-02 22:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De omstandigheid dat het openbaar ministerie het beroepsverbod, bepaald bij artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 niet zou hebben gevorderd en dat die bijkomende straf slechts facultatief is, neemt niet weg dat die straf een wettelijke mogelijkheid is waarmede de beklaagde rekening moet houden om een passend en volledig verweer te voeren

(1).
(1)Zie Cass., 30 mei 2006, AR P.06.0185.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3, A.C., 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 - Toepassing Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 - Veroordeling - Verweer Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Beroepsverbod K.B. nr. 22 van 24 oktober 1934 - Veroordeling - Verweer Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.0038.N P L E R V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, tegen R R, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 4 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters leggen een beroepsverbod op zon-der dat hierover een debat op tegenspraak werd gevoerd.
  4. De omstandigheid dat het openbaar ministerie het beroepsverbod, bepaald bij artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 niet zou hebben gevor-derd en dat die bijkomende straf slechts facultatief is, neemt niet weg dat die straf een wettelijke mogelijkheid is waarmede de beklaagde rekening moet houden om een passend en volledig verweer te voeren. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Het onderdeel voert een tegenstrijdigheid in de strafmotivering aan. Er is geen tegenstrijdigheid in de redengeving om enerzijds uitstel van tenuitvoer-legging van de gevangenisstraf te verlenen en anderzijds te veroordelen tot een beroepsverbod gezien de onderscheiden finaliteit van deze beide straffen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934: de appelrechters kennen aan het beroepsverbod het karakter van een beschermingsmaatregel toe. Anders dan het onderdeel aanvoert kan een straf ook een beveiligend karakter ver-tonen. De appelrechters oordelen bovendien dat de duur van het opgelegde beroepsver-bod aangepast is aan de aard van de feiten en aan de persoonlijkheid van de eiser. Aldus kennen zij aan dat beroepsverbod het karakter van straf toe. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, evenals misken-ning van het gelijkheidsbeginsel en het recht op tegenspraak: het beroepsverbod, bepaald bij artikel 1 koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, is een faculta-tieve bijkomende straf die de rechter kan opleggen zonder dat de beklaagde uit-drukkelijk werd uitgenodigd hierover tegenspraak te voeren; de facultatieve bij-komende straf van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen kan evenwel door de rechter slechts worden uitgesproken voorzover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd; ook het beroepsverbod, bepaald bij artikel 3bis koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, kan slechts worden uitgespro-ken nadat de gefailleerde of een van de personen krachtens § 1 gelijkgesteld met de gefailleerde, worden gedagvaard voor de rechtbank van koophandel op vorde-ring van het openbaar ministerie of van een schuldeiser die niet werd betaald in het faillissement; het onderdeel verzoekt het Hof hierover drie prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen:
  7. "Schendt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betref-fende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om be-paalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Ver-drag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, doordat het een facultatieve bijkomende straf van beroeps-verbod instelt, zonder dat de beklaagde op de hoogte moet worden gebracht van de mogelijkheid dat deze straf zou worden opgelegd, in die zin dat zij een onver-antwoorde discriminatie in het leven roept van deze personen ten opzichte van andere strafrechtelijke beklaagden, die het voorwerp kunnen uitmaken van de fa-cultatieve bijkomende straf van de verbeurdverklaring van de vermogensvoorde-len en die wel moeten (schriftelijk) verwittigd worden van de mogelijkheid van het opleggen van die verbeurdverklaring?"
  8. "Schendt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betref-fende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om be-paalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Ver-drag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, doordat het een facultatieve bijkomende straf van beroeps-verbod instelt, zonder dat de beklaagde steeds uitdrukkelijk in staat moet worden gesteld om een apart tegensprekelijk debat te voeren omtrent de specifieke moge-lijkheid dat deze straf zou worden opgelegd?"
  9. "Schendt artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betref-fende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om be-paalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het Europees Ver-drag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, doordat het een facultatieve bijkomende straf van beroeps-verbod instelt, zonder dat de beklaagde steeds uitdrukkelijk in staat moet worden gesteld om daaromtrent een apart tegensprekelijk debat te voeren omtrent de spe-cifieke mogelijkheid dat deze straf zou worden opgelegd, in die zin dat zij een on-verantwoorde discriminatie in het leven roept van deze personen ten opzichte van andere personen aan wie een gelijkaardig beroepsverbod kan worden opgelegd en ten aanzien van wie wel wettelijk een apart en uitdrukkelijk tegensprekelijk de-bat is georganiseerd, dit zelfs met een beroepsmogelijkheid?" De eerste prejudiciële vraag gaat ervan uit dat het recht van verdediging van een beklaagde wordt miskend wanneer hij verplicht wordt de aandacht van de rechter te vestigen op een mogelijk beroepsverbod. De rechter kent de wet. Zijn aandacht hoeft niet gevestigd te worden op de moge-lijke sancties die op het misdrijf zijn gesteld. De eerste vraag moet niet worden gesteld.
  10. Het Hof is niet gehouden het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen of het stilzwijgen van de wet dat het gevolg is van het feit dat geen enkele wettelijke bepaling de rechter of het openbaar ministerie verplicht de beklaagde steeds uitdrukkelijk uit te nodigen een apart tegensprekelijk debat te voeren om-trent de specifieke mogelijkheid dat een facultatieve bijkomende straf zou worden opgelegd, in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een dergelijke vraag is immers vreemd aan de bij artikel 26 bijzondere wet Arbi-tragehof opgesomde materies. De tweede vraag moet niet worden gesteld.
  11. De derde vraag betreft het onderscheid tussen personen met verschillende hoedanigheid en die zich bovendien in een verschillende situatie bevinden. Ook deze vraag valt niet onder toepassing van voornoemd artikel
  12. De derde vraag dient derhalve evenmin te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 116,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, en de raadshe-ren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 16 juni 2009 uitgesproken door raadsheer Luc Huybrechts, als waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. F. Adriaensen L. Van hoogenbemt P. Maffei J.-P. Frère E. Goethals L. Huybrechts PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090616.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241127.2F.19 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130515.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.